Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:3858
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,491 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9937
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
V-nummer: [V-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 5 maart 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven de zaak schriftelijk te behandelen. Het onderzoek is op 12 maart 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1999.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser gaat onderduiken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een significant risico op onderduiken reeds daarmee is gegeven.
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij zich altijd beschikbaar heeft gehouden voor de overdracht en de meldplicht heeft nageleefd. Hij heeft geen verplichting volgens de Vreemdelingenwet om zelf proactief zijn overdracht te regelen, zoals verweerder lijkt te suggereren. Het is de verantwoordelijkheid van DT&V om de benodigde stappen te ondernemen om de overdracht te organiseren. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat eiser niet op eigen initiatief contact heeft opgenomen met de DT&V om zijn overdracht te
bewerkstelligen én hij meermaals niet is verschenen op vertrekgesprekken. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de maatregel ook aangegeven dat hij niet naar Duitsland wenst te gaan. In dat gehoor heeft hij verder geen omstandigheden aangevoerd die het opleggen van de maatregel voor hem onevenredig zwaar zouden maken.
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het risico op onderduiking dat daaruit voortvloeit, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende en minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Daarbij heeft verweerder terecht betrokken dat eiser meermaals niet is verschenen op vertrekgesprekken en heeft aangegeven dat hij niet naar Duitsland wenst terug te keren. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
de Dienst Terugkeer en Vertrek
HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.