Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:384
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,203 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-3759
Zaaknummer: C/09/666979
Datum beschikking: 14 januari 2025
Voorziening in de voogdij
Beschikking op het op 21 mei 2024 ingekomen verzoekschrift van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Schnoor in ’s-Gravenhage.
Als belanghebbenden wordt aangemerkt:
[de opa] ,
de opa,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de oma] ,
de oma,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De opa en de oma worden hierna ook gezamenlijk de grootouders genoemd.
Waar gaat deze zaak over?
De moeder verzoekt haar te schorsen uit het gezag over [de minderjarige] en de grootouders te benoemen als voogd. De grootouders stemmen in met het verzoek.
Feiten
- Uit de moeder is geboren de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] ( [de minderjarige] ).
- De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] .
- [de minderjarige] is niet erkend.
- De moeder en [de minderjarige] wonen bij de grootouders.
- De grootouders zijn de ouders van de moeder.
- De grootouders hebben zich schriftelijk bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.
Beoordeling
De moeder baseert haar verzoek op artikel 1:253r, lid 1 in samenhang met artikel 1:253q van het Burgerlijk Wetboek (BW). De moeder stelt onbetwist dat zij (tijdelijk) niet in staat is het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen en dat de biologische vader niet in beeld is. De moeder heeft een verstandelijke beperking en is feitelijk niet in staat het ouderlijk gezag vorm en inhoud te geven. Als gevolg daarvan moet een voorziening in de voogdij worden getroffen die in het belang van [de minderjarige] is. De artikelen 1:253q en 1:253r BW voorzien echter niet in de mogelijkheid dat de grootouders met de gezamenlijke voogdij worden belast.
Gezamenlijke uitoefening van de voogdij is op grond van artikel 1:282 BW alleen mogelijk op eensluidend verzoek van de voogd en een ander die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. Het verzoek wordt afgewezen als er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind worden verwaarloosd. Volgens de letter van de wet moet dus één van beide verzoekers ten tijde van het verzoek voogd van het kind zijn. Omdat beide grootouders geen voogd van [de minderjarige] zijn, wordt hier niet aan voldaan. Echter, omdat het op grond van artikel 1:282 BW mogelijk is dat twee personen met de gezamenlijke voogdij worden belast, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk gezamenlijk voogdijverzoek ook in dit geval mogelijk is. De grootouders hebben dit verzoek gedaan in de vorm van instemming met het verzoek van de moeder en hun bereidverklaring de voogdij op zich te nemen. Een goede proceseconomie en het belang van zowel de moeder als [de minderjarige] staat eraan in de weg dat voor het bewerkstelligen van de gezamenlijke voogdij een afzonderlijke procedure gevoerd zou moeten worden. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 25 Rv de rechtsgronden ambtshalve aanvullen en het verzoek baseren op artikel 1:282 BW.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De moeder woont samen met [de minderjarige] bij de grootouders. Sinds de geboorte bemoeit de moeder zich nauwelijks met de verzorging en opvoeding van haar zoon, zij laat dit volledig over aan de grootouders. De moeder is nu voornemens de grootouders te verlaten en samen te gaan wonen met een nieuwe partner, niet zijnde de biologische vader van [de minderjarige] . Zij zal [de minderjarige] bij haar ouders achterlaten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek om voogdij toewijzen. Dit betekent dat het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en het gezag over [de minderjarige] in de vorm van gezamenlijke voogdij aan de grootouders wordt toegekend.
Dictum
De rechtbank:
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] ;
benoemt [de opa] en [de oma] , beiden wonende te ’s-Gravenhage, tot voogden over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A.C.M. Guit-van den Berg als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 14 januari 2025.