Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:3807
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,558 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/032057-24
Datum uitspraak: 31 januari 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 12 juni 2024 en 29 oktober 2024 (beide regie) en 31 januari 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal naar voren is gebracht.
2De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 september 2023 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Bargelaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- met zijn voertuig geparkeerd te staan op het pleinvormig deel van de Bargelaan, en/of
- vervolgens zijn weg te vervolgen, en/of
- daarbij de Bargelaan te kruisen via een fietspad, parallel gelegen aan een voetgangersoversteekplaats, en/of
- ( vervolgens) naar links te sturen en/of
- te rijden met (extra) zichtbelemmeringen aan de linkerzijde van de voorruit, en/of
- vervolgens zonder zich ervan voldoende te vergewissen of er geen voetgangers waren de voetgangersoversteekplaats te kruisen, en/of
- een aldaar overstekende voetganger te raken,
waardoor een ander (genaamd [naam] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een crurisfractuur aan het linker onderbeen, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2023 te Leiden als bestuurder van een motorvoertuig, daarmee rijdende op de weg, de Bargelaan, als volgt heeft gehandeld, hij verdachte heeft aldaar
- met zijn voertuig geparkeerd gestaan op het pleinvormig deel van de Bargelaan, en/of
- vervolgens zijn weg vervolgd, en/of
- daarbij de Bargelaan gekruist via een fietspad, parallel gelegen aan een voetgangersoversteekplaats, en/of
- ( vervolgens) naar links gestuurd en/of
- gereden met (extra) zichtbelemmeringen aan de linkerzijde van de voorruit, en/of
- vervolgens zonder zich ervan voldoende te vergewissen of er geen voetgangers
waren de voetgangersoversteekplaats gekruist, en/of
- een aldaar overstekende voetganger geraakt,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
3De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, in die zin dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft een vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde. Zij betwist niet dat het zicht van de verdachte belemmerd werd door een tablet die bevestigd was op de voorruit en dat de verdachte heeft gekeerd op een plaats waar dat niet mocht, maar stelt dat de werkgever van de verdachte verantwoordelijk is voor de bevestiging van de tablet en de verdachte daarnaast onjuist heeft geïnformeerd over de vrijstelling met betrekking tot het parkeren op het plein. De verdachte heeft door in eerste instantie te stoppen bij het zebrapad en andere voetgangers voor te laten gaan juist wel ervan blijk van gegeven de verkeersregels in acht te nemen. Dat hij het slachtoffer daarbij over het hoofd gezien heeft is een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Er is geen sprake van schuld als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet, daarvoor is volgens vaste jurisprudentie meer nodig dan een enkel moment van onachtzaamheid.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023296470, van de politie eenheid Den Haag; DROS; Infrastructuur.
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 31 januari 2025, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 21 september 2023 te Leiden een motorvoertuig bestuurde en in botsing ben gekomen met een voetganger. Ik heb die dag mijn taxibus geparkeerd op het plein bij het station gelegen aan de Bargelaan. Ik heb mijn voertuig gedraaid, ben over het fietspad heen gereden en ben links afgeslagen. Dit deed ik omdat dit de kortste route was. Toen ik keerde is er iets goed fout gegaan. Ik hoorde iemand schreeuwen en ben gestopt om te kijken wat er was. Ik zag een meisje op de grond liggen en zag dat het niet goed ging met haar. Ik heb het meisje toen ik indraaide en linksaf sloeg niet gezien. De tablet in de auto heeft mijn zicht belemmerd.
2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 29 december 2023, voor zover inhoudende (p. 7-9):
Ik was vanmorgen op Bargelaan in verband met het ophalen van een klant. Ik had de bus geparkeerd op Bargelaan 190 met de neus naar station.Toen ben ik gekeerd via het fietspad. Zodat ik met mijn neus volledig het zebrapadvolledig in zicht had.Daar heb ik echt niemand kunnen zien. Op het moment dat ik verder reed, hoorde ikmensen schreeuwen. Toen bleek dus dat ik iemand had geraakt of overheen ben gereden.Niks gehoord, niks gezien. Op dat moment direct gestopt en uitgestapt om te kijken wat er was. Toen zag ik een meisje liggen aan de rechterzijde van mijn bus. Gewond want dat was wel overduidelijk.
3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 13 november 2023, voor zover inhoudende (p.11-16):
V: U staat dus in een voetgangersgebied, waar u officieel niet mag staan?A: Ja.
V: Wie acht u schuldig aan dit verkeersongeval?A: Ik ben sowieso aansprakelijk, zij is een zwakkere verkeersdeelnemer. Ik heb haartotaal niet gezien. Ik had gewoon moeten stoppen, zij liep op devoetgangersoversteekplaats. Er zat een tablet in de bus die mijn zicht beperkte,volgens mij had deze op het middenconsole van het dashboard moeten zitten.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 december 2023, voor zover inhoudende (p.
Beoordeling
Bij de beantwoording van de vraag of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 6 WVW 1994, moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het ongeval. Daarbij verdient opmerking dat niet al uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding, is voldoende voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gaat erom of het rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven ten opzichte van wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld mag worden verwacht.
Vrijspraak roekeloosheid
De rechtbank is met de officier van justitie en raadsvrouw van oordeel dat in het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is om tot de conclusie te komen dat de verdachte roekeloos heeft gehandeld. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van dat onderdeel in de tenlastelegging.
Is sprake van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994?
Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zijn motorrijtuig heeft geparkeerd in een voetgangersgebied waar dat niet mocht. Vervolgens is hij over een fietspad heen gereden alvorens links af te slaan en heeft hij een voetgangersoversteekplaats gekruist, terwijl het slachtoffer daar liep.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte reed in een taxibus waarin tegen de voorruit een tablet was bevestigd welke het zicht van verdacht belemmerd heeft. Op basis van de verklaringen van de verdachte en het forensisch onderzoek door de politie is aannemelijk geworden dat dit hoofdzakelijk de reden is geweest dat de verdachte het slachtoffer over het hoofd gezien heeft. Als bestuurder van een motorrijtuig had de verdachte echter de eigen verantwoordelijkheid om zich te allen tijde aan de verkeersregels te houden. De mogelijkheid dat de verdachte door zijn werkgever onjuist was geïnformeerd over de vrijstelling met betrekking tot het parkeren in het voetgangersgebied en de omstandigheid dat zijn zicht werd belemmerd door het tegen de voorruit bevestigde tablet, ontsloegen de verdachte niet van zijn verantwoordelijkheid om op een drukke plek met voetgangers extra op te letten en extra voorzichtig te rijden. Door dit in onvoldoende mate te doen en zich daarbij niet aan de (overige) geldende verkeersregels te houden, heeft de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gehandeld. Daar komt bij dat de verdachte beroepschauffeur is en van hem – ook in dat opzicht – extra oplettendheid verwacht mag worden. De verdachte heeft aldus meerdere verkeersfouten gemaakt. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen waardoor sprake is van schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op of omstreeks 21 september 2023 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Bargelaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
- met zijn voertuig geparkeerd te staan op het pleinvormig deel van de Bargelaan, en
- vervolgens zijn weg te vervolgen, en
- daarbij de Bargelaan te kruisen via een fietspad, parallel gelegen aan een voetgangersoversteekplaats, en
- ( vervolgens) naar links te sturen en
- te rijden met (extra) zichtbelemmeringen aan de linkerzijde van de voorruit, en
- vervolgens zonder zich ervan voldoende te vergewissen of er geen voetgangers waren de voetgangersoversteekplaats te kruisen, en
- een aldaar overstekende voetganger te raken,
waardoor een ander (genaamd [naam] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een crurisfractuur aan het linker onderbeen werd toegebracht.
4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren met een proeftijd van twee jaren, subsidiair 30 dagen hechtenis.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw refereert zich bij bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank. In geval van bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde stelt zij dat geëiste straf te hoog is. Zij verzoekt de rechtbank om een voorwaardelijke straf op te leggen en daarbij rekening te houden met het feit dat de verdachte erg lijdt onder de aanhangige strafzaak, de medeschuld van de werkgever van de verdachte en de geslaagde mediation die heeft plaatsgevonden.
6.3.
Beoordeling
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft als bestuurder van een motorrijtuig schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Hij heeft meerdere verkeersfouten gemaakt, waaronder het oversteken van een voetgangersoversteekplaats terwijl hij niet het volledige overzicht op deze oversteekplaats had. Hiermee heeft hij een onaanvaardbaar risico genomen en de verkeersveiligheid van medeweggebruikers op ernstige wijze in gevaar gebracht. Dat risico heeft zich verwezenlijkt doordat er een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 april 2024. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, maar niet voor soortgelijke misdrijven.
De rechtbank ziet ook dat het ongeval voor de verdachte grote gevolgen heeft gehad. Zijn toekomstplannen als beroepschauffeur in de medische wereld heeft hij hierdoor moeten laten varen.
Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte meerdere malen heeft geprobeerd om contact op te nemen met het slachtoffer en dat dit uiteindelijk geresulteerd heeft in een geslaagd mediationtraject. De verdachte heeft spijt betuigd aan het slachtoffer en het slachtoffer heeft het ongeval hem vergeven. Het siert de verdachte dat hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en zich zo heeft ingezet om richting het slachtoffer zijn excuses te maken.
De rechtbank heeft gelet op de LOVS-oriëntatiepunten. Voor een geval als het onderhavige, waarbij door aanmerkelijke schuld zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt, geldt als uitgangspunt een weten een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. De rechtbank zal echter de positieve houding van de verdachte en het geslaagde mediationtraject in strafmatigende zin meewegen.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is.
7De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van 60 (ZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 30 (DERTIG) DAGEN;
bepaalt dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.L. Harmsen, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. M. Lenderink, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 januari 2025.