Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:3776
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,318 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11297
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. A. Szirmai),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. K. Diender).
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister een overdrachtsbesluit genomen, waarin is bepaald dat verzoeker zal worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL25.11296). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat vereist, gelet op de betrokken belangen.
Ontvankelijkheid
Termijnoverschrijding beroep
2. De rechtbank stelt vast dat het door verzoeker ingestelde connexe beroep tegen het overdrachtsbesluit te laat is ingesteld. De rechtbank ziet zich daarom ambtshalve voor de vraag gesteld of het verzoek om voorlopige voorziening ontvankelijk is. De gemachtigde heeft toegelicht dat het besluit niet bij haar terecht is gekomen via het Portaal en zegt daarover contact te hebben opgenomen met verschillende instanties en personen, waarbij ter sprake is gekomen dat er mogelijk iets verkeerd is gegaan in het Portaal. De minister heeft op dit moment hier nog niets tegenin gebracht. Het valt dan ook niet op voorhand uit te sluiten dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De rechtbank zal daarom overgaan tot beoordeling van de spoedeisendheid van het verzoek om voorlopige voorziening.
Spoedeisend belang
3. Met de kennisgeving van 10 maart 2025 is aan verzoeker medegedeeld dat hij op 12 maart 2025 om 11:00 uur wordt overgedragen aan de autoriteiten van België.
3.1.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de korte termijn tot de overdracht, maakt dat in dit geval sprake is van onverwijlde spoed. De voorzieningenrechter volgt de minister niet in het standpunt dat het spoedeisend belang ontbreekt, omdat er geen sprake is van een gedwongen overdracht. De voorzieningenrechter verwijst naar de overwegingen hierover in de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 september 2024.
4. De rechtbank oordeelt daarom dat het verzoek om voorlopige voorziening ontvankelijk is en zal overgaan tot een inhoudelijke beoordeling daarvan.
Belangenafweging
5. Verzoeker heeft er in het kader van het beroep tegen het overdrachtsbesluit op gewezen dat hij een niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoeker is en daarom niet overgedragen kan worden aan de Belgische autoriteiten.
6. De voorzieningenrechter oordeelt dat dit beroep een redelijke kans van slagen heeft, gelet op de uitspraken van 5 februari 2025 en 6 maart 2025 van deze rechtbank en zittingsplaats. Daarin is geoordeeld dat er concrete aanknopingspunten zijn voor het bestaan van ernstige vrees dat de opvangvoorzieningen voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers in België systeemfouten bevatten die kunnen resulteren in schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM.
7. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan België totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan België totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBDHA:2024:17849, r.o. 3.
ECLI:NL:RBDHA:2025:1426 en ECLI:NL:RBDHA:2025:3377