Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:3676
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,702 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7430
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tijdens de zitting constateerde de rechtbank dat er geen tolk aanwezig was.
Dit is besproken met eiser en zijn gemachtigde. De gemachtigde van eiser heeft voorgesteld om de zitting doorgang te laten vinden zonder tolk en eiser heeft hiermee ingestemd. De rechtbank heeft vervolgens met partijen afgesproken dat als tijdens de behandeling zou blijken dat de persoonlijke situatie van eiser van belang zou zijn, eiser dit zou aangeven, waarna de zitting – alsnog - zou worden aangehouden. Tijdens de zitting hebben eiser noch zijn gemachtigde op enige moment verzocht om aanhouding van de zitting.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.
De grondslag van de maatregel
2. Eiser voert aan dat de maatregel op een onjuiste grondslag berust. Eiser heeft op 19 februari 2025 zijn asielaanvraag ingetrokken en hierdoor is artikel 18 van de Dublinverordening niet meer op hem van toepassing. Daarnaast zijn de Oostenrijkse autoriteiten op 20 februari 2025 niet akkoord zijn gegaan met de Dublinclaim. Verweerder had dan ook op het moment van intrekking van het asielverzoek danwel op het moment dat Oostenrijk de claim heeft afgewezen de grondslag van de maatregel moeten wijzigen.
3. Dat rechtbank stelt vast dat de Dublinverordening op basis van artikel 18, eerste lid, onder sub d, op eiser van toepassing is nadat hij zijn asielaanvraag in Nederland heeft ingetrokken.
4. De rechtbank stelt vast dat de minister op 24 februari 2025 de Oostenrijkse autoriteiten om een second opinion heeft gevraagd over de afwijzing van de Dublinclaim. De periode tussen de claim niet- akkoord van 20 februari 2025 en de aanvraag van de second opinion op 24 februari 2025 bedraagt één werkdag. Vooralsnog is nog niet duidelijk dat de claim definitief is afgewezen door de Oostenrijkse autoriteiten. Het verzoek om een second opinion ligt nog bij de Oostenrijkse autoriteiten en zij hebben twee weken om daarop te reageren. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat eiser vooralsnog onder de werking van de Dublinverordening valt. De rechtbank oordeelt dat de minister de maatregel terecht op de grondslag van artikel 59a, eerste lid, van de Vw heeft opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000)
5. Eiser stelt dat de minister heeft gehandeld in strijd met de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, van het Vb 2000. De minister heeft immers nagelaten om hem bij de uitreiking van het bestreden besluit schriftelijk, in een taal die hij begrijpt, op de hoogte te brengen van de bewaringsgrondslag. Eiser verwijst naar de uitspraken van 24 juli 2024i en 13 mei 2019ii van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
6. De rechtbank overweegt dat uit rechtsoverweging 3.2 van de uitspraak van 24 juli 2024 van de ABRvS volgt dat de informatiefolder, om te voldoen aan de eisen die worden gesteld in artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb 2000 onder andere een overzicht van de van toepassing zijnde feitelijke en juridische gronden moet bevatten. Voor de uitleg van de begrippen feitelijke en juridische gronden verwijst de Afdeling naar de uitspraken van 13 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1528 en 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829. Daaruit volgt dat de juridische grond van de bewaring naar nationaal recht wordt aangeduid als de wettelijke grondslag.
7. De rechtbank stelt vast dat de minister eiser een folder heeft aangereikt met daarin een vertaling van de maatregel van bewaring, maar dat de wettelijke grondslag, namelijk artikel 59a van de Vw, niet is vertaald naar het Turks. De informatiefolder voldoet daarmee niet aan de eisen van artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. Het schenden van de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, van het Vb 2000 maakt de inbewaringstelling echter pas onrechtmatig, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank overweegt in dat verband dat eiser direct voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring en in het bijzijn van een tolk is medegedeeld op welke gronden de maatregel zal worden opgelegd. Ook is hem medegedeeld dat hij recht heeft op consulaire bijstand. Verder heeft hij gebruik gemaakt van gratis rechtsbijstand en is namens hem tijdig beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het geconstateerde gebrek niet dermate ernstig is, dat dit dient te prevaleren boven de belangen van de minister. De belangenafweging valt niet in het voordeel van eiser uit. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
8. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden van de maatregel niet heeft betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Detentiegeschiktheid
10. Eiser voert aan dat onvoldoende in de maatregel is gemotiveerd of hij wel geschikt is voor detentie. Hij voert daartoe aan dat hij in de M110 van 14 februari 2025 op pagina 7 heeft verklaard dat de bewaring een negatieve impact heeft op zijn mentale gesteldheid, maar dat de minister deze verklaring niet heeft besproken in de maatregel.
11. De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentieiii van de ABRvS volgt dat eiser zijn stelling dat hij detentieongeschikt is in beginsel moet staven met een medische verklaring van een arts. De rechtbank stelt vast dat eiser dit niet heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat de minister op pagina 5 van de maatregel de verklaringen van eiser over zijn mentale problemen beschrijft inhoudende dat hij heeft verklaard dat hij gezond is en zich goed voelde. Eiser heeft verklaard dat hij niet opgesloten kan worden omdat hij dan weer zijn tijd in de gevangenis in Turkije zal herbeleven. Naar aanleiding van de verklaring van eiser heeft de minister de detentiegeschiktheid van eiser beoordeeld. Zo is overwogen dat indien er medische omstandigheden voordoen, alle medische faciliteiten op het Detentiecentrum [plaats] aanwezig zijn. Als zorg niet voldoende kan worden gegeven, kan betrokkene worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat eiser detentiegeschikt is. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredige belangenafweging
12. Eiser voert aan dat alle omstandigheden in een afzonderlijke evenredigheidsafweging moeten worden meegenomen en de minister kan niet volstaan met een kopje medisch en een kopje lichter middel.
13. De minister heeft een belangenafweging gemaakt en in dat kader de medische en de overige omstandigheden met betrekking tot eisers situatie beoordeeld. Vervolgens heeft de minister geconcludeerd dat er geen reden was om een lichter middel toe te passen. Alle omstandigheden zijn voldoende betrokken en afgewogen door de minister en hij heeft terecht kunnen concluderen dat een lichter middel niet volstaat. Zo heeft de minister overwogen dat het onttrekkingsrisico uit de gronden volgt en dat eiser heeft verzuimd zich te melden in Ter Apel . Daarnaast heeft de minister de medische omstandigheden van eiser meegenomen in de belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
14.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 maart 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
i ECLI:NL:RVS:2024:2979.
ii ECLI:NL:RVS:2019:1528.
iii ECLI:NL:RVS:2017:2125.