Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:3419
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,137 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8451
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 26 februari 2025 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 27 februari 2025 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek op 4 maart 2025 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de zware gronden. Ten aanzien van zware grond 3a voert eiser aan dat hij niet illegaal Nederland is binnengekomen, omdat hij zich onverwijld heeft gemeld. Daarnaast is zware grond 3d ten onrechte aan het besluit ten grondslag gelegd, omdat eiser niet in staat is om identificerende documenten te overleggen. Verder voert eiser tegen zware grond 3e aan dat hij de genoteerde personalia niet herkent en zich niet kan vinden in de conclusie dat hij onjuiste informatie zou hebben verstrekt. Tot slot voert hij tegen zware grond 3i aan dat verweerder heeft miskend dat eiser bij terugkeer naar Libië vreest voor zijn leven.
4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden onvoldoende te achten. Zware grond 3a is feitelijk juist, omdat eiser Nederland is ingereisd zonder in het bezit te zijn van een paspoort of visum. Dat eiser stelt zich onverwijld te hebben gemeld bij de Nederlandse autoriteiten, maakt dat niet anders. Ook de (onbestreden) lichte gronden 4a, 4c en 4d zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De zware grond 3a en de lichte gronden kunnen de maatregel dragen. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de zware gronden 3d, 3e en 3i behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 maart 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1bderde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.