Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:3348
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,264 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1550
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.A. Huijgen),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. G. Tjon-Man-Tsoi).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een woningvormingsvergunning.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 10 februari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 januari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser wilde de woning aan de [adres] in [plaats] verbouwen tot drie zelfstandige woningen. De aanvraag voor deze woningvormingsvergunning heeft verweerder geweigerd vanwege negatieve gevolgen door woningvorming op de kwaliteit van de woonruimtevoorraad of voor het karakter dan wel de leefbaarheid in het gebied. Eiser heeft de woning hangende de beroepstermijn verkocht. De rechtsopvolgers van eiser hebben ook beroep ingesteld. Voordat de rechtbank de zaak inhoudelijk kan toetsen, zal de rechtbank oordelen of eiser nog procesbelang heeft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
4. Het is vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter dat ook procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep kan bestaan als de betrokkene stelt dat zij schade heeft geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daarvoor is wel vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit. Indien de beweerdelijk geleden schade niet het gevolg kan zijn van het in het geding zijnde besluit, kan aan het stellen van die schade geen procesbelang worden ontleend.
5. Eiser heeft niet gesteld dat hij schade heeft geleden. Ook heeft hij de rechtbank verzocht om het door hem ingestelde beroep op de naam van zijn rechtsopvolgers te stellen. De rechtbank ziet hierdoor geen aanleiding om procesbelang aan te nemen en is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.C. Korbee, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2025.
De griffier is verhinderd te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie artikel 5:6, zevende lid, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (Hv 2023) en het ten tijde van het primaire besluit geldende en gelijkluidende artikel 5:6, tweede lid, van de Hv 2019.
Zie de uitspraak van deze rechtbank in de zaak van de rechtsopvolgers van eiser van 21 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19452.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:455.