Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:3203
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
808 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/8426
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
V-nummer: [v-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning van verzoeker niet in behandeling genomen.
Verzoeker heeft op 27 juli 2023 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Met het besluit van 18 maart 2024 is een beslissing genomen op het bezwaarschrift. Verweerder is bij het besluit tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag gebleven. Het bezwaar is ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft geen beroep ingediend.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting uitspraak.
Overwegingen
Op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Awb wordt door de griffier een griffierecht geheven.
Op grond van artikel 8:82, derde lid, en artikel 8:41, zesde lid, van de Awb wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. Op 3 augustus 2023 heeft het LDCR op verzoek van de griffier per aangetekende brief verzocht het griffierecht binnen twee weken te betalen. Op 13 oktober 2023 heeft het LCDR de verzonden nota retour ontvangen. Uit de informatie van PostNL blijkt dat verzoeker de aangetekende brief niet heeft opgehaald bij het PostNL-punt. De voorzieningenrechter mag er in beginsel van uitgaan dat verzoeker een afhaalbericht van deze aangetekende brief heeft ontvangen. Het niet afhalen van een aan hem geadresseerd aangetekend poststuk is een omstandigheid die voor rekening en risico van verzoeker komt.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht niet is betaald. Verder is niet gebleken dat het verzuim verschoonbaar is. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 27 februari 2025 door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.