Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:3098
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,778 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7436
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. S.V. Benjamin).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.1
Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 22 december 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 juli 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2
De rechtbank heeft beroep op 7 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Sifridag als tolk en de
gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres en haar dochter wonen in een woning gelegen op de tweede verdieping. Eiseres heeft een urgentieverklaring op medische gronden aangevraagd, omdat de woning niet meer passend is voor haar. Eiseres heeft langdurige knieklachten, waardoor zij moeite heeft met het traplopen. Ook heeft zij in haar woning geluidsoverlast, waardoor zij slecht slaapt en dat leidt weer tot huidproblemen. Daarnaast heeft zij psychische klachten.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er drie algemene weigeringsgronden van toepassing zijn. Volgens verweerder was het huisvestingsprobleem te voorzien of kon het voorkomen worden, het huisvestingsprobleem kan redelijkerwijs op een andere manier worden opgelost en eiseres kan naar verwachting binnen drie maanden een andere woonruimte krijgen. Verweerder heeft daarbij tevens betrokken hoe en op welke woningen eiseres heeft gereageerd in de periode voor en na het indienen van de aanvraag.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring op medische gronden, omdat haar medische klachten zijn toegenomen en zij dit niet heeft kunnen voorzien. Daar komt bij dat haar ex-partner in dezelfde buurt is komen wonen en de psychische klachten die eiseres heeft zijn ontstaan door traumatische ervaringen met de ex-partner. Eiseres heeft de woning aan de [adres 1] geweigerd, omdat zij van omwonenden te horen kreeg dat sprake is van geluidsoverlast en de lift het regelmatig niet doet. De woning aan de [adres 2] heeft zij vanwege de servicekosten geweigerd en uit de eerdere urgentieverklaring uit 2011 volgt dat zij niet hoefde te reageren op de woningen aan de [adres 3] en de [adres 4]. Eiseres heeft gereageerd op de woning aan de [adres 5], maar van de zijde van de woningbouwvereniging is tijdens de bezichtiging niemand komen opdagen. Eiseres doet verder een beroep op de hardheidsclausule, artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Wat vindt verweerder in beroep?
5. Verweerder blijft van mening dat de drie algemene weigeringsgronden opgaan en dat er geen reden bestaat voor het toepassen van de hardheidsclausule, zodat aan eiseres geen urgentieverklaring hoeft te worden verleend. Ook het beroep van eiseres op
artikel 8 van het EVRM, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, slaagt niet.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring moet aan alle daarvoor geldende voorwaarden uit de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (Huisvestingsverordening) worden voldaan. Eerst moet worden nagegaan of geen sprake is van zogenoemde algemene weigeringsgronden. Deze algemene weigeringsgronden staan in artikel 4:5 van de Huisvestingsverordening. Als sprake is van één of meer algemene weigeringsgronden dan komt de aanvrager niet in aanmerking voor een urgentieverklaring. Een inhoudelijke toets om te kijken of de woonsituatie van eiseres door sociale of medische omstandigheden als levensbedreigend of ontwrichtend moet worden aangemerkt blijft in dat geval achterwege.
7. Bij het nemen van een beslissing over een urgentieverklaring heeft verweerder beoordelings- en beleidsruimte. De rechtbank moet het bestreden besluit daarom terughoudend toetsen. Dit betekent dat de rechtbank niet beoordeelt of zij hetzelfde besluit zou nemen. De rechtbank moet zich beperken tot de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen geen urgentieverklaring aan eiseres te verlenen. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat het strikte beleid van verweerder met betrekking tot urgentieverklaringen niet onredelijk is, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat beschikbaar is.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de urgentieaanvraag van eiseres in redelijkheid mogen afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
9. Volgens verweerder is eiseres gelet op haar inschrijvingsduur in staat om zonder urgentieverklaring binnen drie maanden een andere woonruimte te vinden en haar huisvestingsprobleem op te lossen. Eiseres staat inmiddels meer dan negen jaar ingeschreven op de wachtlijst, waardoor zij een grote kans heeft een woning toegewezen te krijgen als zij op een woning reageert. Er zijn echter meerdere passende woningen beschikbaar gekomen waar eiseres niet op heeft gereageerd of heeft geweigerd. De rechtbank wijst in dit verband bijvoorbeeld naar de woning aan de Prinses Annalaan 301 te Leidschendam. Deze woning is verhuurd aan een woningzoekende met een kortere inschrijfduur. Voor zover eiseres stelt dat zij vanwege haar knieproblemen is aangewezen op een traploze woning, geldt dat verweerder heeft aangegeven dat eiseres ook gereageerd heeft op woningen met een trap en traploze woningen heeft geweigerd. Daar komt bij dat eiseres ook woningen heeft geweigerd vanwege andere niet-medische redenen, terwijl zij haar aanvraag juist vanwege medische redenen heeft ingediend. Zo heeft zij de woning aan de [adres 2] geweigerd vanwege de hoge servicekosten en de woning aan de [adres 1] heeft zij geweigerd omdat zij van omwonenden te horen kreeg dat sprake was van geluidsoverlast en de lift het regelmatig niet deed. Verweerder heeft daarover overwogen dat bij het aanbieden van een woning altijd rekening wordt gehouden met het inkomen van een woningzoekende en dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet maken dat de geweigerde woningen niet als passend voor haar zijn aan te merken. Ook heeft eiseres haar verklaring over de gang van zaken met betrekking tot de woning aan de [adres 5] niet onderbouwd. De aangeboden woningen aan de [adres 3] en de [adres 4] voldeden kennelijk wel aan het voor eiseres vastgestelde zoekprofiel en de eerdere urgentieverklaring uit 2011 maakt dat niet anders. Dat toen is bepaald dat sprake is van een uitgesloten stadsdeel, betekent niet dat dat nu weer geldt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat eiseres binnen drie maanden zelf een woning zou kunnen vinden.
10. Eén algemene weigeringsgrond is al voldoende om de urgentieverklaring te weigeren. De andere weigeringsgronden hoeven daarom niet te worden besproken. Omdat een algemene weigeringsgrond van toepassing is, hoefde verweerder niet over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling of de woonsituatie van eiseres door sociale of medische omstandigheden als levensbedreigend of ontwrichtend moet worden aangemerkt.
11. Eiseres heeft ter zitting nog een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel. Verweerder dient in dit verband te beoordelen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het toepassen van de voorwaarden uit de Huisvestingsverordening zozeer in strijd komen met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing in het geval van eiseres achterwege moet blijven. De rechtbank verwijst voor deze wijze van toetsing naar de rechtspraak van de hoogste bestuursrechters hierover. De beoordeling van de door eiseres gestelde bijzondere omstandigheden dient in dit geval plaats te vinden in het kader van de vraag of de hardheidsclausule had moeten worden toegepast. De hardheidsclausule biedt namelijk een mogelijkheid aan verweerder om in gevallen van bijzondere hardheid ten gunste van een aanvrager af te wijken van bepalingen uit de Huisvestingsverordening. De rechtbank zal daarom hierna de evenwichtigheid van de afwijzing van de urgentieverklaring toetsen over de band van de hardheidsclausule. Verweerder voert in dit kader het zeer terughoudende beleid dat toepassing van de hardheidsclausule met name is bedoeld voor uitzonderlijke en schrijnende gevallen, gelet op het tekort aan sociale huurwoningen en de vele woningzoekenden in de regio.
12.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres om een urgentieverklaring op goede gronden heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:833.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024,
ECLI:NL:CBB:2024:190, overwegingen 7.1 tot en met 8.2.
Artikel 7:3 van de Huisvestingsverordening.
ECLI:NL:RBDHA:2024:9080.
ECLI:NLRBMNE:2024:1532.