Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:3051
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
960 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52235
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2024 heeft verweerder aan verzoeker medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw.
Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder op 30 december 2014 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij aanvullend verzoekschrift van 20 februari 2025 heeft verzoeker gevraagd om met spoed uitspraak te doen op het verzoek.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Het dictum is op 25 december 2025 telefonisch aan partijen meegedeeld.
Beoordeling
1. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van zijn verzoek wegens betalingsonmacht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een vrijstelling voorlopig toegewezen. Met het door verzoeker overgelegde formulier heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt definitief toegewezen.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening. Allereerst is niet gebleken dat verzoeker op korte termijn zal worden uitgezet. Voor zover de opvang en verstrekkingen op grond van de RVA 2005 per 26 februari 2025 worden beëindigd en verzoeker per diezelfde datum op basis van een maatregel is geplaatst op de vrijheidsbeperkende locatie Ter Apel, levert dat evenmin een spoedeisend belang op. Verzoeker heeft in dat verband aangevoerd dat hij medische behandeling nodig heeft. De plaatsing in de VBL laat onverlet dat verzoeker in aanmerking komt voor eventuele medisch noodzakelijke zorg. Dat de overplaatsing naar de VBL ernstige gevolgen zal hebben, gelet op zijn medische (psychische) toestand is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden.
4. De voorzieningenrechter ziet verder geen grond voor het oordeel dat de weigering van uitstel van vertrek om medische redenen in bezwaar geen stand zal kunnen houden.
5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch medegedeeld aan de gemachtigde van verzoeker op 25 februari 2025 om 16:23 uur en aan de gemachtigde van verweerder op 16:25 uur.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Vreemdelingenwet 2000.
Algemene wet bestuursrecht.