Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:2963
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
900 tokens
Inleiding
Rechtbank Den Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/88
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de minister van Economische Zaken, verweerder.
Procesverloop
Op 6 januari 2025 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van 30 augustus 2024.
Bij brief van 9 januari 2025 heeft de rechtbank verweerder, onder andere, verzocht, binnen twee weken na de datum van verzending van de brief, mede te delen of de termijn waarbinnen in deze procedure een besluit moet worden genomen is verstreken. Hierop heeft verweerder bij brief van 24 januari 2025 gereageerd.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Tegen het niet tijdig beslissen staat beroep bij de rechtbank open.
3. Niet in geschil is dat de beslistermijn is verstreken.
4. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser verweerder op 13 oktober 2024 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is.
5. Gelet op het vorenstaande is het beroep ontvankelijk en is sprake van overschrijding van de beslistermijn.
6. Gelet op de inhoud van het dossier en de brief van verweerder van 24 januari 2025 zal de rechtbank verweerder opdragen uiterlijk op 31 juli 2025 een besluit op het verzoek te nemen.
7. De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van
€ 15.000,-.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser dient te vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op uiterlijk 31 juli 2025 een besluit te nemen op het verzoek;
bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
F.J. Leegstraten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Zie artikel 6:2, aanhef en onder b van de Awb
Op grond van artikel 4.4. van de Woo
Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb
Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb