Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:2926
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,943 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.971
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
Inleiding
Bij besluit van 7 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Op 8 januari 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 4 februari 2025 heeft verweerder te kennen gegeven dat eiser op 30 januari 2025 met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken.
Bij brief van 6 februari 2025 heeft de gemachtigde van eiser, desgevraagd, te kennen gegeven dat zij via WhatsApp contact onderhoudt met eiser en dat eiser in Frankrijk verblijft.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer: NL25.972), op 14 februari 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder heeft aan de zitting deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.
Overwegingen
Dublinprocedure
1.1.
Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. Op 10 september 2024 heeft hij in Nederland asiel aangevraagd.
1.2.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder in het ‘Dublingebied’ verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend: op 29 februari 2016 en 22 april 2016 in Duitsland, op 24 juli 2023 in Zwitserland en op 2 juli 2024 in België. Op 29 oktober 2024 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). De Duitse autoriteiten hebben op 31 oktober 2024 het terugnameverzoek aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Procesbelang
2. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
2.1.
Indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, dient er in beginsel van uit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Deze hoofdregel gaat echter niet in alle gevallen op. Uitgangspunt is namelijk dat als een vreemdeling na de ‘mob-melding’ nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt, hij procesbelang houdt bij zijn beroep. Dit kan alleen anders zijn als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een verblijf in het buitenland. Maar niet onder alle omstandigheden betekent een verblijf in het buitenland dat het procesbelang is komen te vervallen. Een vreemdeling kan daarvoor immers een goede reden hebben, bijvoorbeeld in de situatie dat hij geen recht meer heeft op opvangvoorzieningen in Nederland en dat hij om die reden bij familie of bekenden elders in de Europese Unie verblijft zonder dat hij in die andere lidstaat om bescherming heeft gevraagd. De bestuursrechter zal dus, als er concrete aanknopingspunten zijn als hiervoor bedoeld terwijl de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling, eerst bij de gemachtigde van de vreemdeling navraag moeten doen naar de relevante feiten en omstandigheden alvorens te concluderen dat het procesbelang ontbreekt.
Dit één en ander volgt uit de richtinggevende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662 (r.o. 2.3. en 2.7.).
2.2.
In deze zaak heeft verweerder op 4 februari 2025 een systeemuitdraai overgelegd, waaruit blijkt dat eiser op 30 januari 2025 met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Bij brief van 6 februari 2025 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank te kennen gegeven dat zij contact met eiser onderhoudt via WhatsApp. Daarnaast heeft de gemachtigde te kennen gegeven dat zij van eiser heeft vernomen dat hij in Frankrijk verblijft. Als toelichting heeft de gemachtigde gegeven dat eiser had vernomen dat hij op 30 januari 2025 ‘gearresteerd’ zou worden en naar het detentiecentrum zou worden gebracht, waarna hij in paniek is geraakt en de opvang heeft verlaten en naar Frankrijk is vertrokken.
2.3.
Uit het vorenstaande volgt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang van het COa, maar ook dat hij nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Hoewel procesbelang dan het uitgangspunt is, ziet de rechtbank in de concrete omstandigheden van deze zaak toch aanleiding om te oordelen dat het procesbelang van eiser is komen te vervallen. Er zijn namelijk concrete aanknopingspunten dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Eiser verblijft namelijk in het buitenland (Frankrijk), zonder dat daarvoor een goede reden bestaat. Nog daargelaten dat niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk in bewaring zou worden gesteld en dat het niet aannemelijk is dat een voorgenomen inbewaringstelling vooraf aan een vreemdeling wordt aangekondigd, volgt uit eisers toelichting immers duidelijk dat hij de opvang in Nederland heeft verlaten en naar Frankrijk is vertrokken met het doel om zich te onttrekken aan het toezicht van de Nederlandse autoriteiten. Aldus heeft eiser zich doelbewust niet beschikbaar gehouden voor verweerder. Daaruit volgt dat eiser niet daadwerkelijk nog bescherming van de Nederlandse autoriteiten nastreeft.
Conclusie
3. Gelet op het vorenstaande heeft eiser geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.