Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:2906
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,714 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6160
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, als ook de motivering daarvan, niet bestreden. Deze gronden, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Uit de gronden volgt dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser stelt dat hij een medische behandeling in Nederland nodig heeft. Tijdens een incident in een vorige detentie is het oor van eiser afgebeten, waarvoor hij behandeld moet worden.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister heeft voldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Voor zover een behandeling van zijn oor nodig is, wijst de minister terecht op het feit dat de medische zorg in de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eiser kan dan ook medisch behandeld worden in het detentiecentrum. Indien eiser meent dat de medische zorg in het detentiecentrum voor hem niet voldoende is, dan zal hij dat nader moeten onderbouwen. Dat heeft eiser niet gedaan. Daarom hoeft niet te worden volstaan met het toepassen van een lichter middel dan de inbewaringstelling. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister rekening moeten houden met de omstandigheden rondom de uitzetting van eiser?
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij nog in een strafrechtelijk traject zit en dat hij nog vier maanden strafrechtelijke detentie moet ondergaan. Om deze reden dient bij het Openbaar Ministerie (OM) geïnformeerd te worden of er bezwaar is tegen zijn uitzetting. Dit heeft de minister niet gedaan. Verder stelt eiser dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Door zijn medische situatie kan hij niet uitgezet worden. Bij uitzetting is er sprake van een onmenselijke behandeling van eiser.
3.1.
Eiser heeft op zitting aangegeven dat zijn strafrechtelijke traject inmiddels is afgerond. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de toestemming van het OM in dit geval niet nodig is. Mocht de toestemming van het OM wel nodig zijn geweest, dan volgt uit jurisprudentie dat het ontbreken van bezwaar bij het OM een vereiste is voor uitzetting, niet voor inbewaringstelling. De rechtbank overweegt dat de uitzetting in deze procedure niet ter toetsing voorligt. Dit beroep ziet enkel op de maatregel van bewaring. Indien gewenst kan eiser bezwaar maken tegen de uitvoering van de uitzetting. Om deze reden slaagt ook het betoog dat de uitzetting in strijd is met artikel 3 EVRM niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
Zie ECLI:NL:RVS:2022:3820.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.