Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:28083
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.10408 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. N.C. Blomjous), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop 1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘humanitair tijdelijk’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 februari 2025 (het bestreden besluit) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1 Verweerder heeft op 25 maart 2025 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.2 De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting omdat onverwijlde spoed dat vereist . Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 3. Voordat een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ontvankelijk is, dient op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb te zijn voldaan aan het connexiteits-vereiste. Dit vereiste heeft een formeel en een materieel aspect. 4. Het vereiste van formele connexiteit houdt in dat een voorlopige voorziening slechts dan kan worden getroffen, indien bezwaar, administratief beroep of beroep aanhangig is. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek connex is aan het bezwaar tegen het bestreden besluit. Aan het vereiste van formele connexiteit is dus voldaan. 5. Het vereiste van materiële connexiteit houdt in dat de gevraagde voorziening betrekking moet hebben op het connexe, in de hoofdzaak bestreden, besluit. Aan het vereiste van materiële connexiteit is niet voldaan als de gevraagde voorlopige voorziening de strekking van het connexe bezwaar te buiten gaat. Aan het vereiste van materiële connexiteit is niet voldaan. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt. 5.1 De voorzieningenrechter betrekt in haar oordeel het volgende. Verzoeker is bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 juli 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar wegens het om het leven brengen van zijn echtgenote, die op dat moment in verwachting was van hun derde kind. Dit arrest is bekrachtigd in cassatie door de Hoge Raad bij arrest van 23 november 2021 . 5.2 Bij besluit van 21 december 2022 heeft verweerder de aan verzoeker verleende asielvergunning ingetrokken vanaf 27 januari 2019 en de aanvraag van verzoeker om een asielvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep, voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod, is door de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 18 maart 2024 gegrond verklaard en voor het overige is het beroep ongegrond verklaard. 5.3 Op 22 oktober 2024 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor het verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’. In het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. 5.4 In zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft verzoeker verzocht om het bestreden besluit te schorsen, onder verwijzing naar de gronden van bezwaar. Daarin voert hij onder meer aan dat als uitvoering wordt gegeven aan het bestreden besluit, verzoeker zal worden overgeplaatst naar een andere Penitentiaire inrichting (PI) en dat leidt tot een schending van artikel 8 van het EVRM . Verzoeker heeft op 19 maart 2025 zijn verzoek nader toegelicht en heeft aangegeven hij een spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening, omdat hij ieder moment kan worden overgeplaatst naar de PI Ter Apel. Bij een