Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-09-09
ECLI:NL:RBDHA:2025:28080
Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/5090 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker, tegen het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van 6 augustus 2025. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om zonder zitting uitspraak te doen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. 2.1. Verzoeker heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan. De voorzieningenrechter verleent verzoeker voor deze procedure definitief vrijstelling van het griffierecht. Er wordt geen griffierecht geheven in deze zaak. Waar gaat deze zaak over? Aanvraag briefadres met inschrijving 2.2. De inschrijving van verzoeker in de Basisregistratie personen (Brp) is rond juni 2024 beëindigd. 2.3. Op 30 september 2024 heeft verzoeker bij verweerder een aanvraag om een briefadres ingediend. Bij besluit van 26 november 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Hiertegen is geen bezwaar gemaakt. 2.4. Bij e-mail van 12 juli 2025 heeft verzoeker verweerder gevraagd om hulp bij het verkrijgen van een postadres. Hij heeft geen vast woonadres, zijn aanvraag voor een postadres is afgewezen en hij heeft hierdoor geen toegang tot hulp of post. Voorts heeft verzoeker in de e-mail van 12 juli 2025 vermeld dat hij in een ernstige financiële noodsituatie is geraakt. Hij is zelfstandig ondernemer en heeft sinds mei 2025 geen inkomsten meer. Zijn aanvraag om toekenning van een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) is afgewezen en de schuldhulpverlening heeft zijn dossier gesloten. Ook op dit punt vraagt verzoeker hulp. 2.5. Verzoeker heeft op 17 juli 2025 een open brief gezonden aan de gemeente, waarbij hij zijn persoonlijke omstandigheden heeft toegelicht en daarin dringend heeft verzocht om ondersteuning. 2.6. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 6 augustus 2025 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 2.7. Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft verweerder verzoeker een gemeentelijk briefadres toegekend en hem met ingang van 16 juli 2025 ingeschreven met het briefadres in de Brp van de gemeente [plaats] . 2.8. Bij e-mails van 11 en 12 augustus 2025 heeft de afdeling Burgerzaken van de gemeente [plaats] de rechtbank meegedeeld dat met het besluit van 7 augustus 2025 volledig is voldaan aan hetgeen verzoeker wilde bereiken met zijn verzoek om een voorlopige voorziening. De vraag met betrekking tot de Bbz is doorgestuurd naar de betreffende afdeling (SZW) binnen de gemeente [plaats] . 2.9. Verzoeker heeft de rechtbank desgevraagd meegedeeld dat hij zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet intrekt. Verzoeker heeft toegelicht dat zijn verzoek, met de inschrijving op een briefadres, gedeeltelijk is ingewilligd. Er is nog altijd zijn financiële nood. Hij verzoekt de voorzieningenrechter om te bepalen dat de gemeente [plaats] per direct noodzakelijke maatregelen treft om zijn bestaanszekerheid te waarborgen, inclusief toegang tot Bbz-voorzieningen. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 3. De voorzieningenrechter beoordeelt in een procedure alleen een concreet (schriftelijke) besluit of een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op een bepaald rechtsgebied. Dus niet een allesomvattende situatie over verschillende rechtsgebieden in één zaak. 3.1. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift vermeld dat zijn verzoek is bedoeld ter verkrijging van een briefadres. Er was ten tijde van het indienen van het verzoek op 6 augustus 2025 nog geen sprake van een besluit op zijn aanvraag van 12 juli 2025 of een met een besluit gelijk te stellen niet-tijdig beslissen op die aanvraag. Daarnaast is niet gebleken van connexiteit