Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-11-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:28044
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.20075 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Volker). Procesverloop 1. Eiser heeft op 22 april 2024 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). 2. Bij besluit van 24 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. 3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 4. Bij brief van 26 juni 2025 heeft de minister het bestreden besluit ingetrokken en eiser bericht dat opnieuw op de aanvraag zal worden beslist. 5. In reactie hierop heeft eiser bij brief van 30 juni 2025 de rechtbank verzocht om het beroep aan te merken als een beroep gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. Daarbij heeft eiser de rechtbank verzocht om de minister een termijn en daarbij een dwangsom op te leggen om een besluit op de aanvraag te nemen. Ook heeft eiser de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de kosten van de procedure. 6. De rechtbank heeft het beroep op 16 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 7. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen over de kosten van het door hem overgelegde deskundigenrapport. Dit heeft eiser gedaan. De minister en eiser hebben tijdens de zitting al toestemming gegeven om daarna het onderzoek te sluiten. De rechtbank sluit het onderzoek en doet uitspraak. Overwegingen Ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit 8. In artikel 6:19, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - voor zover hier van belang – is bepaald dat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. 9. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een dergelijk belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit, aangezien het bestreden besluit inmiddels is ingetrokken en eiser niet heeft gesteld dat en welk belang hij heeft bij een rechtmatigheidsoordeel over dat besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk wegens het vervallen van het procesbelang. Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit 10. In artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. 11. De rechtbank leidt uit de reactie van 30 juni 2025 af dat eiser zich op het standpunt stelt dat sprake is van het niet tijdig nemen van dat besluit, omdat de minister het intrekkingsbesluit niet heeft laten volgen door een nieuw besluit op de aanvraag van 22 april 2024. 12. In artikel 6:2, onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb voor zover hier van belang, is bepaald dat het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. In artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, is bepaald dat op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsve De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van een deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn (uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380). 20. De rechtbank is van oordeel dat het inroepen van de deskundige door eiser redelijk was. Als maatstaf wordt namelijk gehanteerd of de vreemdeling die de deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren. De rechtbank overweegt dat het redelijk is dat eiser het resultaat van Bureau Documenten wilde bestrijden en daarvoor een deskundige inschakelde. Uit het rapport blijkt ook voldoende dat de deskundige inhoudelijk de resultaten van Bureau Documenten betwist. 21. Het standpunt van de minister, dat het deskundigenrapport te laat in de procedure is gebracht, volgt de rechtbank niet. Immers, van belang is niet de datum van het deskundigenrapport of wanneer deze is ingebracht, maar het moment van inroeping van de deskundige. De rechtbank acht hierbij van belang dat de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 21 augustus 2024 pas op 26 februari 2025 naar eiser is gestuurd. Vervolgens heeft eiser bij brief van 10 april 2025 aan de minister om uitstel verzocht in verband met het laten uitvoeren van de contra-expertise. Uit dit verzoek om uitstel en de datum van 8 mei 2025op de factuur van de deskundige volgt dat eiser ruim voor intrekking van het bestreden besluit al bezig was met het laten opstellen van contra-expertise. 22. Dat het deskundigenrapport niet heeft geleid tot intrekking van het bestreden besluit is niet van belang. De maatstaf is immers of het inroepen van de deskundige redelijk was. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is dat in dit geval zo. 23. Ten aanzien van de kosten voor het deskundigenrapport stelt de rechtbank voorop dat ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 7:15, vierde lid, van de Awb en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het uurtarief voor deskundigenonderzoek forfaitair wordt bepaald overeenkomstig de Wet tarieven in strafzaken. Ingevolge artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor het verrichten van onderzoek waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, een tarief van ten hoogste € 162,63 per uur naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn. 24. Uit de factuur van 8 mei 2025 volgt dat de deskundigenkosten 600 Britse Pond bedragen. Ter zitting is vastgesteld dat dit gelijkstaat aan € 692,38. Daarnaast heeft eiser op 19 augustus 2025 een kostenspecificatie van de deskundige aan het dossier toegevoegd waarin staat dat het uurtarief van de deskundige € 162,- bedraagt en dat de deskundige 5 uur heeft besteed aan het onderzoek en het opstellen van het rapport. De rechtbank acht het aannemelijk dat de deskundige vijf uur heeft besteed aan het opstellen van het rapport. Daarnaast overschrijdt het uurtarief van de deskundige de hierboven beschreven norm niet. 25. Omdat het inroepen van de deskundige in dit geval redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn, komen de kosten van het deskundigenrapport die eiser gemaakt heeft voor vergoeding in aanmerking. Conclusie en gevolgen 26. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk wegens het vervallen van het procesbelang. Omdat de minister dit besluit heeft ingetrokken, veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de door eiser in verband met dit beroep gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 907,- per punt. Ook moet de minister de kosten vergoeden di