Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-12-15
ECLI:NL:RBDHA:2025:28004
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL23.25319 en NL24.7515 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R.W. Bekker). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiseres op 24 juli 2025 is opgelegd. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding 2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. In Oekraïne had zij een tijdelijke verblijfsvergunning voor haar studie op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: RBT)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2 2.1. Op 24 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer 1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. 2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822. NL23.25319. De minister heeft vervolgens het besluit van 24 augustus 2023 ingetrokken en proceskosten toegekend. 2.2. Op 8 februari 2024 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister haar een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL24.7515. 2.3. Op 24 juli 2025 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiseres een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 8 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiseres op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 8 februari 2024 ingetrokken3 en vervangen met het bestreden besluit van 24 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.4. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.5. Eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd met aanvullende beroepsgronden. 2.6. De rechtbank heeft beide beroepen op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, mr. M. van den Boom (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres), M. El Bouch als tolk, en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Ontvankelijkheid Het beroep met zaaknummer NL23.25319 3. Het beroep dat is gericht tegen het besluit van 24 augustus 2023 heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op de besluiten van 8 februari 2024 en 24 juli 2025. Nu de minister de besluiten van 24 augustus 2023 en 8 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelij Er is dus geen sprake van een gebrekkige of onjuiste implementatie in de Nederlandse wetgeving op grond waarvan artikel 3.9a van het VV buiten toepassing moet worden gelaten. De beroepsgrond slaagt niet. 4 De rechtbank verwijst hiervoor naar het arrest van het Hof van 3 april 2008, ECLI:EU:C:2008:197, punt 24. 3.5. De rechtbank verwijst verder naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Den Haag, van 29 oktober 2025, en Roermond, van 24 november 2025.5 In die uitspraken zijn de zittingsplaatsen tot hetzelfde oordeel gekomen wat betreft de toepassingsbereik van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Deze rechtbank volgt de in deze uitspraken opgenomen overwegingen, meer specifiek ook de overweging van de zittingsplaats Roermond die betrekking heeft over de betekenis van het arrest Kaduna en Abkez6 voor dit soort zaken. Voor de overige beroepsgronden van eiseres verwijst de rechtbank ook naar deze uitspraken. Privéleven 3.6. Eiseres voert aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van haar privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij wijst erop dat zij in Nederland is geïntegreerd en dat ze een voltijdse baan heeft met een vast contract. Verder verwijst eiseres naar een verklaring van haar vader waarin staat dat hij haar niet kan onderhouden, en naar een verklaring van [naam] , bij wie eiseres zou wonen en waarvan gesteld wordt dat hij afhankelijk van haar is. 3.7. Artikel 5 van richtlijn 2008/115 (Terugkeerrichtlijn) bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven. 3.8. De rechtbank merkt op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.7 Uit deze richtlijn vloeit dan ook geen verplichting voor de minister voort om na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf te geven. In zoverre wijst de minister terecht erop dat wanneer eiseres meent dat zij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM, zij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen. 3.9. Hoewel artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn het privéleven niet vermeld als een van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden, volgt uit de punten 88 tot en met 90 van het arrest X van het Hof van 22 november 20228 dat er geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd als daarmee inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander. 3.10. Eiseres heeft op grond van de RTB rechtmatig verblijf gehad. Het enkele gegeven dat zij gedurende dit verblijf in Nederland een privéleven (in de vorm van werk) heeft opgebouwd, vormt op zichzelf geen inbreuk op de eerbiediging van het privéleven waarin de minister aanleiding had moeten zien om geen terugkeerbesluit op te leggen. Het gaat hier 5 ECLI:NL:RBDHA:2025:20715 en ECLI:NL:RBDHA:2025:22113. 6 ECLI:EU:C:2024:1038. 7 ECLI:EU:C:2022:913, overwegingen 84 en 85. 8 ECLI:EU:C:2022:913. ook om een relatief kort verblijf. In aanmerking nemend dat eiseres meerderjarig is en dat het moet gaan om het privéleven van eiseres, heeft de minister ook in de overgelegde verklaringen van haar vader en [naam] geen reden hoeven zien om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet. 3.11. Gelet op het voorgaande kan het terugkeerbesluit stand houden. Conclusie en ge