Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:27990
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,188 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27990 text/xml public 2026-05-21T09:35:05 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-05 25.57095 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27990 text/html public 2026-05-21T09:26:15 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27990 Rechtbank Den Haag , 05-12-2025 / 25.57095 Het terugkeerbesluit kan als grondslag dienen voor de inbewaringstelling. Verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL25.57095 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Kanters). Procesverloop Bij besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Haidari (1863). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. Rechtmatigheid van het terugkeerbesluit 2. Eiser voert aan dat er geen sprake is van een geldig terugkeerbesluit nu er geen actuele 3 EVRM beoordeling heeft plaatsgevonden ten aanzien van zijn vrouw (NL25.57093), gelet op het arrest Adrar. Het terugkeerbesluit kan daardoor ook ten aanzien van hem niet als grondslag dienen voor de inbewaringstelling. 3. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank kan in het kader van de maatregel van bewaring alleen beoordelen of het terugkeerbesluit voldoet aan de vereisten van het arrest F.M.S. en of dit op de juiste wijze aan eiser is bekendgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. Nu is voldaan aan deze vereisten heeft de minister deze maatregel van bewaring kunnen stoelen op het terugkeerbesluit. De omstandigheid dat er geen actuele 3 EVRM beoordeling heeft plaatsgevonden ten aanzien van de vrouw van eiser in het kader van het terugkeerbesluit van eiser, is voor de vraag of de bewaring op dat terugkeerbesluit kan worden gestoeld niet relevant. De beroepsgrond slaagt niet. Redelijk vermoeden van illegaal verblijf 4. Eiser voert aan dat in het proces-verbaal van staandehouding/overbrenging/ophouding (M105) onvoldoende is gemotiveerd of er sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Hierdoor is sprake van een onrechtmatige staandehouding en dus een gebrek in het voortraject. 5. De rechtbank overweegt dat voor een rechtmatige staandehouding vereist is dat er sprake is van feiten en omstandigheden, die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren. 6. De rechtbank is van oordeel dat in het M105-formulier voldoende is gemotiveerd dat er sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. In het M105-formulier is op 20 november 2025 door de verbalisanten namelijk aangegeven dat de personalia die eiser gaf bij het binnentreden van zijn kamer op de locatie van het AZC Amsterdam overeenkwamen met de verstrekte informatie uit de infoset van de DT&V. Aangenomen wordt dat de infoset de juiste informatie over de verblijfspositie van eiser bevat. De staandehouding van eiser berust daarom op een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Van een onrechtmatige staandehouding is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet. Maatregel van bewaring 7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 8. Ter zitting heeft de minister lichte grond onder 4a laten vallen. 9. Eiser heeft alle zware gronden betwist. Ten aanzien van de zware grond onder 3a heeft eiser – kort samengevat – betoogd dat hij met een visum Italië is binnengekomen waardoor hij (ook) Nederland op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. De zware gronden onder 3c en 3i leveren verder geen onttrekkingsrisico op omdat eiser in het AZC wil verblijven en zijn vrouw afspraken heeft in het ziekenhuis. 10. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft betoogd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Zoals ook gesteld door de minister is het visum destijds namelijk afgegeven voor Italië en niet voor Nederland. Een dergelijk visum betekent ook niet dat het eiser vrij stond om te reizen naar Nederland. Daarbij komt dat het visum voor Italië was verlopen toen hij Nederland is binnengekomen. Dat eiser in het AZC wil verblijven en zijn vrouw afspraken heeft in het ziekenhuis maakt verder niet dat er geen sprake zou zijn van onttrekkingsrisico. Zo is niet betwist dat grond 3c niet feitelijk juist is, heeft eiser meermaals verklaard niet te willen meewerken aan een vertrek naar Pakistan en heeft hij geen aantoonbare actie ondernomen om Nederland daadwerkelijk te kunnen verlaten. Hierdoor is het niet aannemelijk dat eiser uit vrije wil zal vertrekken en bestaat er een risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Gezien het voorgaande kunnen de zware gronden standhouden. 11. Deze gronden – samen met de niet betwiste lichte gronden 4c en 4d – kunnen de bewaringsmaatregel reeds dragen. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden (feitelijk) juist en voldoende om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. Lichter middel 12. Eiser heeft aangevoerd dat met een lichter middel volstaan moest worden. Inbewaringstelling is namelijk niet redelijk gezien de medische omstandigheden van zijn eveneens in bewaring gestelde vrouw, die zwanger is en in het verleden meerdere miskramen heeft gehad. Daarbij komt dat zijn vrouw suïcideneigingen heeft en in het recente verleden zelfs een suïcidepoging heeft gedaan. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met deze kwetsbare toestand van zijn vrouw. 13. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het ligt op de weg van de minister om grondig onderzoek te doen naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering te geven. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi). Allereerst verdient opmerking dat de medische omstandigheden niet primair zien op eiser zelf, maar op zijn vrouw. Daarbij komt dat de minister in de maatregel ook in dat kader heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel volstaan kan worden.
Volledig
Daarbij is er onder meer op gewezen dat eiser samen met zijn partner is geplaatst op een Gesloten Gezinsvoorziening (GGV), waar een medische dienst aanwezig is. Ook is erop gewezen dat van de medische zorgverlening binnen de detentie- uitzetcentra kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Voor personen die zich met moeite kunnen handhaven (personen met psychische problemen) is in detentie gespecialiseerde zorg aanwezig. Tevens wordt opgemerkt dat indien er gevaar van suïcide dreigt er in detentie een Extra Beveiligde Zorgafdeling aanwezig is. Als zorg niet voldoende kan worden gegeven, komen een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling in beeld. De minister heeft gelet op het voorgaande voldoende rekening gehouden met wat eiser ten aanzien van zijn eveneens in bewaring gestelde vrouw tijdens het gehoor heeft aangegeven en er bestaan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister ten aanzien van het lichter middel meer individueel moest motiveren. De beroepsgrond slaagt niet. Zicht op uitzetting 14. Voor zover aangevoerd door eiser, is de rechtbank van oordeel dat er geen grond is voor de conclusie dat geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. 15. De rechtbank overweegt daartoe dat in de maatregel van bewaring ten aanzien van het zicht op uitzetting wordt verwezen naar de beoordeling die is gemaakt in het terugkeerbesluit. In dat besluit staat immers dat niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement, zoals genoemd in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, dan wel vanwege de andere daarin genoemde belangen moet worden afgezien van de uitzetting van de vreemdeling, en dat hetgeen door eiser in het gehoor is aangevoerd reeds is betrokken in het besluit van 21 juli 2025 (het terugkeerbesluit). Eveneens is in de maatregel van bewaring overwogen dat ten tijde van de oplegging van de maatregel zicht op uitzetting bestaat omdat niet is gebleken dat eiser de nationaliteit heeft van een staat die geen medewerking verleent aan gedwongen terugkeer of waarvoor een vertrekmoratorium of een andere beleidsmatige belemmering voor de uitzetting geldt, dat uit informatie van de DT&V is gebleken dat door de staat waarvan eiser de nationaliteit heeft medewerking aan gedwongen vertrek wordt verleend, en dat niet is gebleken dat het land van herkomst geen (vervangende) reisdocumenten zal verstrekken voor gedwongen terugkeer. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die maken dat deze overwegingen onjuist of ontoereikend zouden zijn. Voortvarendheid 16. Eiser heeft aangevoerd dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Pakistan nu er geen rappels zijn gestuurd na de LP-aanvraag. 17. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierna te noemen uitzettingshandelingen geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser naar Pakistan, hoewel niet is gebleken dat er rappels zijn gestuurd na de LP-aanvraag. Op 15 oktober 2025 is een LP-aanvraag opgemaakt en doorgezet naar DIA. Op 18 november 2025 is een T&O aanvraag ingediend. Ter zitting heeft de minister ook nog toegelicht dat er op 26 november 2025 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en dat het doorgaans tussen de 14-28 dagen duurt voordat er geantwoord wordt op een T&O-aanvraag, maar dat dit meestal sneller is dan een LP-aanvraag. Ambtshalve toets 18. De rechtbank overweegt – tot slot – dat zij ook in het kader van haar ambtshalve toets geen onrechtmatigheden heeft vastgesteld. Conclusie 19. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B.H. Hebbink, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M.M. Vedder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 december 2025 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Arrest van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. Arrest van het Hof van 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367. Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 november 2025, ECLI:RBDHA:2025:21150. Arrest van het Hof van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.