Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-02-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:27986
ECLI:NL:RBDHA:2025:27986 text/xml public 2026-06-02T10:07:29 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-02-19 C/09/608766 / HA ZA 21-251 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27986 text/html public 2026-06-02T10:06:49 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27986 Rechtbank Den Haag , 19-02-2025 / C/09/608766 / HA ZA 21-251 2e Tussenvonnis. Gedeeltelijke afwijzing van vorderingen. Benoeming deskundige om eindafrekening en twee andere geschilpunten te beoordelen. RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/608766 / HA ZA 21-251 Vonnis van 19 februari 2025 in de zaak van [eiseres] B.V. , te [vestigingsplaats] , eiseres, advocaat: mr. L.C. van den Berg, te Den Haag, tegen DE PROVINCIE ZUID-HOLLAND , te Den Haag, gedaagde, advocaten: mr. M.S. Houweling en mr. B.T. Tonino, te Den Haag. Partijen zullen hierna [eiseres] en de provincie worden genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 8 november 2023; - de conclusie na tussenvonnis, tevens houdende vermindering, vermeerdering en wijziging van eis van [eiseres] , met producties 79 tot en met 117; - de conclusie na tussenvonnis van de provincie, met producties 31 tot en met 41; - de akte na kostenbegroting deskundige van de zijde van de provincie; - de antwoordakte van de zijde van [eiseres] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling 2.1. Voor de feiten, de vorderingen en de stellingen van partijen verwijst de rechtbank naar haar tussenvonnis van 8 november 2023 (hierna: het tussenvonnis). De rechtbank blijft bij wat zij in het tussenvonnis heeft overwogen en beslist. 2.2. De rechtbank heeft – samengevat – in het tussenvonnis geoordeeld dat: - partijen op 16 december 2020 een gewijzigde aannemingsovereenkomst hebben gesloten voor de uitvoering van MMW 196-a met een termijnverlenging tot en met 15 april 2021; - het werk MMW196-a op grond van paragraaf 14 UAV in onvoltooide staat is beëindigd door de provincie en dat er moet worden afgerekend conform de bepalingen van paragraaf 14 lid 10 UAV; - de rechtbank vorderingen XVIII en XXVII bij eindvonnis zal afwijzen; - de rechtbank vordering XIX bij eindvonnis zal toewijzen; - [eiseres] bewijs moet leveren van haar vorderingen onder 5.1 B. III tot en met XIV van het tussenvonnis; - partijen zich uit mogen laten over de persoon van een te benoemen deskundige ten behoeve van de vaststelling van de eindafrekening en over de aan de deskundige te stelen vragen; - partijen zich uit mogen laten over de persoon van een te benoemen deskundige ten behoeve van de vaststelling van de afrekening risicoregeling tot einde werk en over de aan de deskundige te stellen vragen; - [eiseres] bewijs moet leveren van haar vorderingen onder 5.1 B. XX, XXII, XXIII, XXIV, XXVI en XXVIII van het tussenvonnis; - partijen zich uit mogen laten over de persoon van een te benoemen deskundige in verband met de beoordeling van haar vordering onder 5.1 B. XXV van het tussenvonnis en de aan de deskundige te stellen vragen. 2.3. [eiseres] heeft bij conclusie na tussenvonnis haar eis op meerdere punten gewijzigd. Samengevat vordert [eiseres] : A. I. een verklaring voor recht dat [eiseres] het werk uiterlijk 15 april 2021 mocht opleveren conform de overeenkomst van 16 december 2020 en recht heeft op termijnverlenging conform par. 8 lid 4 UAV; II. een verklaring voor recht dat de overeenkomst van 16 december 2020 niet rechtsgeldig door de provincie is ontbonden maar dat sprake is van beëindiging van het werk in onvoltooide staat en dat de provincie gehouden is de kosten op grond van par. 14 UAV te vergoeden; B. de provincie te veroordelen tot betaling van: III. € 54.612,00 voor misgelopen opbrengst grond op grond van par. 14 lid 10 UAV; VII. € 199.285,20 voor stilstand eigen personeel en materieel op grond van par. 14 lid 10 UAV; VIII. € 293.883,60 voor de beëindiging van [eiseres] stelt dat zij ten tijde van de uitvoering van het werk geen andere opdrachten had en dat het als gevolg van de coronapandemie niet eenvoudig was die te verkrijgen. Toen het werk uiteindelijk helemaal stilviel, is [eiseres] er niet in geslaagd ander werk te verkrijgen. [eiseres] heeft wel geprobeerd haar personeel uit te lenen. Het geld dat zij hiermee heeft bespaard, brengt zij in mindering op haar vordering. Wat [eiseres] niet aan materieel- en personeelskosten heeft kunnen besparen, heeft zij nader willen bewijzen met een herziene kostenopstelling, een weekstaat over week 48 van 2020 en een e-mailbericht van de directievoerder van de provincie die deze weekstaat goedkeurt. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het op grond van paragraaf 14 lid 10 UAV vervolgens aan de provincie is dit gemotiveerd te betwisten. 2.10. De provincie heeft aangevoerd dat – anders dan [eiseres] meent – materieel en personeel dat (eerder) vrijkwam door beëindiging van het werk, juist een besparing is conform de UAV. Ook wijst de provincie erop dat [eiseres] op zijn minst al één ander werk had verkregen waar zij materieel en personeel kon inzetten. Verder voert de provincie aan dat het werk eigenlijk al 6 december 2020 had moeten worden opgeleverd. Kosten die na dat moment zijn gemaakt, zijn voor rekening en risico van [eiseres] . Ten slotte heeft de provincie aangevoerd dat het niet voor de hand ligt dat de coronapandemie het faillissement van [eiseres] heeft veroorzaakt, maar eerder privéuitgaven van de bestuurder van [eiseres] , alsmede zijn overlijden. Maar bovenal heeft de provincie aangevoerd dat [eiseres] helemaal geen personeel in dienst zou hebben. Het personeel is volgens de provincie namelijk in dienst bij een andere vennootschap. 2.11. De rechtbank komt op grond van wat door partijen is aangevoerd tot het oordeel dat zij niet vast kan stellen of en zo ja, in hoeverre [eiseres] schade heeft geleden door stilstand van eigen materieel en of personeel. Op basis van de door de provincie ingediende brief van 21 augustus 2017 lijkt het er veeleer op dat werknemers waren ondergebracht in [bedrijf 1] B.V. en werden ingehuurd door [eiseres] (productie 38). Van stilstand van eigen personeel is dan geen sprake. Ook heeft [eiseres] niet bewezen dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden in verband met (stilstand van) materieel. Het vereiste bewijs heeft [eiseres] niet geleverd, zodat vordering VII bij eindvonnis zal worden afgewezen. In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat [eiseres] ten onrechte de gevolgen van de coronapandemie voor rekening van de provincie wil laten komen. Vordering VIII – Beëindiging Ballast Nedam 2.12. Ten bewijze van haar vordering op grond van de post ‘asfaltwerken’ overlegt [eiseres] een herziene kostenopstelling en e-mailberichten van haar onderaannemer Ballast Nedam. Verder geeft [eiseres] aan dat zij als gevolg van haar faillissement geen eigen betalingsbewijzen kan overleggen die bevestigen welk bedrag zij aan Ballast Nedam heeft moeten betalen en wat zij volgens de systematiek van paragraaf 14 lid 10 UAV van de provincie kan vorderen als gevolg van de beëindiging van het werk in onvoltooide staat. 2.13. De provincie betwist dat uit de overgelegde stukken blijkt welke betalingen aan Ballast Nedam zijn gedaan als gevolg van de beëindiging van het werk in onvoltooide staat. De provincie onderbouwt dit (onder meer) door erop te wijzen dat de kostenopstelling van de hand van [eiseres] zelf is, dat de kostenopstelling een datum bevat van na het faillissement, dat de kosten opstelling niet is ondertekend en zeker niet is goedgekeurd door de provincie. Maar bovenal blijkt uit de overgelegde stukken niet dat het betalingen zijn die zien op MMW 196-a. Dat is niet uit de e-mails, afschriften en het kostenoverzicht herleidbaar, aldus de provincie. 2.14. Hoewel de rechtbank in een e-mail van Ballast Nedam kan lezen dat er een bedrag ter finale kwijting is overeengekomen voor het ‘project Melissant’, is niet te z Nu [eiseres] aan de hand van de door de provincie goedgekeurde meerwerkopdracht heeft aangetoond dat voor dit meerwerk een aanneemsom van € 568.321,60 was overeengekomen, maakt [eiseres] terecht aanspraak op € 3.309,94 aan gemiste ‘Algemene kosten en winst’. Dit bedrag zal de rechtbank bij eindvonnis daarom toewijzen. 2.23. Met betrekking tot opdrachten MMW 196a heeft [eiseres] betoogd dat op die meerwerkopdracht de uitgevoerde meerwerken MMW 199a-6 en MMW 199a-7 in mindering moeten worden gebracht. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] door de provincie goedgekeurde meerwerkopdrachten heeft overgelegd in verband met MMW 199a-6 en MMW 199a-7. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] deze vordering onvoldoende heeft bewezen. De rechtbank kan de onderbouwing van [eiseres] van deze post – mede in het licht van het door de provincie gevoerde verweer – niet volgen. Terecht wijst de provincie erop dat [eiseres] in de berekening voor de meerwerken MMW 199a-6 en MMW 199a-7 ten onrechte bedragen in mindering brengt zonder de door de provincie betaalde aannemersvergoeding, terwijl onduidelijk blijft waarom (alleen) deze meerwerken in mindering worden gebracht. Bovendien blijkt uit termijnstaat 38 dat in totaal € 168.385,31 is betaald in verband met post 199a1 (afvoer verontreinigde hoogovenslakken), terwijl [eiseres] slechts € 99.325,21 in mindering brengen. Zonder toelichting die [eiseres] niet heeft gegeven, valt niet in te zien waarom dit eerstgenoemde totaalbedrag buiten de berekening is gebleven. En ook de onderbouwing en herkomst van het bedrag van € 531.660,75 is voor de rechtbank onvoldoende duidelijk. De toelichting bij de productie 94 bij conclusie na tussenvonnis van [eiseres] kan de rechtbank evenmin volgen. Deze vordering zal de rechtbank in een eindvonnis dan ook als niet bewezen afwezen. 2.24. Het voorgaande leidt ertoe dat er in verband met vordering X bij eindvonnis in totaal een bedrag van € 4.684,13 zal worden toegewezen. Vordering XI – Niet overgenomen materialen 2.25. [eiseres] vordert vergoeding van materialen die waren ingekocht en al aanwezig waren op de bouwplaats. De afvoerkosten van deze materialen, en de kosten van de materialen zelf, die de provincie niet over heeft willen nemen, komen voor vergoeding in aanmerking op grond van paragraaf 14 lid 10 UAV, aldus [eiseres] . 2.26. De provincie betwist dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. In de eerste plaats bestaat er volgens de provincie geen grond waarop de provincie verplicht is de materialen voor de aangeboden prijs over te nemen, zoals [eiseres] stelt. Deze materialen zijn al onderdeel van de aanneemsom. Daarnaast had [eiseres] de materialen ook op andere projecten kunnen inzetten. Ook heeft [eiseres] niet aangetoond dat deze kosten verband houden met beëindiging van MMW 196-a en zijn eventuele afvoerkosten niet met voldoende bewijsstukken aangetoond. De provincie voert verder aan dat zij onverplicht wel materialen heeft overgenomen, waarvoor ze als het ware al dubbel heeft betaald, omdat ze al in de aanneemsom horen te zijn meegenomen. 2.27. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] in het licht van de gemotiveerde betwisting van de provincie onvoldoende heeft gesteld over de grondslag van de verplichte overname van materialen na beëindiging van MMW 196-a. Wel is de rechtbank van mening dat eventuele afvoerkosten voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen, ware het niet dat [eiseres] in verband daarmee geen bewijsstukken in het geding heeft gebracht, terwijl de provincie als verweer heeft gevoerd dat zij bepaalde materialen wel onverplicht heeft overgenomen voor in totaal € 5.086,00 en daarvoor – naar het oordeel van de rechtbank is dit juist – dubbel heeft betaald. Feitelijk heeft [eiseres] dus al een compensatie voor de afvoerkosten ontvangen. [eiseres] heeft haar vordering niet bewezen. De rechtbank zal vordering XI bij eindvonnis dus afwijzen. Vordering XIII – Beëindiging overeenkomst groenvoorziening 2.28. [eiseres] heeft haar Bovendien is van belang dat de rechtbank partijen de gelegenheid heeft geboden om vragen te formuleren aan de deskundige. De provincie heeft dit slechts in verband met Vordering XXV gedaan en de rechtbank zal die vragen ook overnemen (zie hierna). Van beide (professionele) partijen mag verwacht worden dat zij in staat zijn om in verband met de vorderingen waarvoor de rechtbank een deskundige zal benoemen te beoordelen welke vragen de deskundige in verband daarmee dient te beantwoorden en een inschatting te maken van de werkzaamheden die de deskundige in verband daarmee dient uit te voeren. Dat de provincie dat om haar moverende redenen in verband met Vorderingen XVII en XXI heeft nagelaten, doet daar niet aan af. Om die reden kan de provincie in redelijkheid niet betogen dat zij als gevolg daarvan nu niet in staat is om de kostenbegroting te beoordelen. In dit verband wijst de rechtbank erop dat [eiseres] daar wel toe in staat is gebleken. 2.39. Bovendien is van belang dat slechts sprake is van een begroting, en dat het bedrag dat daaruit volgt bovendien door [eiseres] moet worden voorgeschoten. Uiteindelijk zal de deskundige na afronding van zijn werkzaamheden een gespecificeerde factuur moeten indienen en zal vervolgens beoordeeld worden of de gemaakte kosten terecht in rekening zijn gebracht en aan de deskundige dienen te worden vergoed door de partij die in het ongelijk wordt gesteld. Anders dan de provincie stelt, wordt met het voorschot geen mandaat gegeven voor het onnodig maken van kosten. In dit verband is tevens van belang dat het partijen vrij staat de deskundige in redelijkheid vragen te stellen en suggesties te doen, ook in verband met de wijze van uitvoering van het onderzoek. 2.40. De provincie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank een arbiter benoemt. Dat is onjuist. De heer ir. J.T. Bresters wordt benoemd als gerechtsdeskundige en niet als arbiter. Met die benoeming verwordt de gerechtelijke procedure – anders dan de provincie lijkt te betogen – niet tot een arbitrale procedure, zodat de door de provincie gestelde vrees ongegrond is. De deskundige dient zijn taak uit te voeren met inachtneming van de Leidraad deskundigen in civiele zaken. De rechtbank gaat voorbij aan het bezwaar van de provincie tegen de persoon van de deskundige. In dit verband is mede van belang dat de rechtbank partijen in de gelegenheid heeft gesteld om voorstellen te doen voor een te benoemen deskundige en de provincie dat heeft nagelaten. 2.41. Voor zover de provincie stelt dat het onduidelijk is met welke entiteit een overeenkomst wordt gesloten, blijkt uit de begroting dat – zoals te doen gebruikelijk – de opdracht aan de deskundige wordt verstrekt en dat een juridisch secretaris van de Raad voor Arbitrage uitsluitend secretariële bijstand verleent. Op zijn werkzaamheden verklaart de deskundige de standaardregeling “De Nieuwe Regeling (DNR) 2011” van toepassing. 2.42. De rechtbank is van oordeel dat de begroting van het voorschot van de deskundige voldoet aan de eisen die daaraan onder de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. Anders dan de provincie stelt, hoeft in een begroting niet op vraagniveau te worden gespecificeerd. 2.43. Uiteindelijk bepaalt de rechtbank de hoogte van het voorschot. De rechtbank zal, om enigszins tegemoet te komen aan de bezwaren van de provincie de hoogte van het voorschot, met inachtneming van de door de rechtbank aan de deskundige te stellen vragen (zoals hierna opgenomen onder randnummer 2.49, 2.52 en 2.65 van dit vonnis) vaststellen op € 50.000, waarbij de rechtbank erop wijst dat de deskundige indien nodig om een aanvullend voorschot kan vragen. Voor de goede orde merkt de rechtbank nog op dat de deskundige te kennen heeft gegeven voor de zekerheid wat ruim te hebben begroot. 2.44. Voor zover de provincie zich afvraagt of het heer ir. J.T. Bresters vrijstaat om als deskundige op te treden, heeft de deskundige dit (uiteraard) aan de rechtbank bevestigd alvorens de begroting op te stellen. D Partijen zijn het dus niet met elkaar eens over de te benoemen deskundige. De rechtbank heeft daarom zelf een deskundige gezocht en zal de heer ir. J.T. Bresters als deskundige te benoemen in het kader van de beantwoording van vragen omtrent de afrekening risicoregeling. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de aan de deskundige te stellen vragen. De rechtbank zal de volgende vragen aan de deskundige stellen: 1. Kunt u op basis van de in het RAW-bestek RAW0019-10478 Bestek en voorwaarden voor het uitvoeren van ‘Omleiding Melissant in de gemeente Dirksland’ opgenomen risicoregeling (0104 BETALINGSREGELINGEN:RISICOREGELING) berekenen welk bedrag de provincie in het kader van de risicoregeling verschuldigd is aan [eiseres] ? U dient daarbij de berekeningen van partijen te betrekken (de berekening van [eiseres] sluit op € 358.753,92 exclusief btw en de berekening van de provincie op € 213.666,95 exclusief btw). 2. Kunt u toelichten hoe dit bedrag tot stand is gekomen? 3. Kunt u – voor zover een hoger bedrag dient te worden toegekend dan de provincie in haar berekening heeft opgenomen – motiveren waarom een hoger bedrag voor vergoeding in aanmerking komt, waarbij dat hogere bedrag niet hoger mag zijn dan het door [eiseres] berekende bedrag? Vorderingen uit meerwerken 2.53. De Rechtbank heeft [eiseres] bij tussenvonnis toegelaten tot bewijslevering van haar vorderingen op grond van meerwerken. Vordering XX – MMW 165-a 2.54. In aanvulling op wat zij daarover bij dagvaarding al heeft gesteld, legt [eiseres] een e-mailbericht over van de toezichthouder waaruit blijkt dat deze werkzaamheden in het bestek niet waren voorzien. Ook legt zij de melding over van de aanvullende werkzaamheden zoals die op 25 juni 2020 is gedaan. 2.55. De provincie heeft tegen wat [eiseres] (nader) heeft gesteld – samengevat – aangevoerd dat er geen juridische grondslag is voor vergoeding van deze gevorderde kosten, omdat [eiseres] in de dagvaarding (randnummer 62) al heeft erkend dat de buis niet in rekening is gebracht. Daarnaast voert de provincie aan dat de opgevoerde kosten niet het gevolg zijn van een andere afmeting van de buis, maar van het op een verkeerde plek plaatsen van de buis. Voor zover [eiseres] meent dat dit meerwerk zou zijn, wijst de provincie er ten slotte op dat [eiseres] niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan en dat dit ook geen situatie is waarbij kan worden gezegd dat de provincie zelf had hoeven begrijpen dat dit een prijsverhoging tot gevolg zou hebben. Ook daardoor is er al geen sprake van een vergoedingsverplichting van de provincie. 2.56. De rechtbank zal deze vordering bij eindvonnis afwijzen. Zij komt tot dit oordeel, omdat uit de overgelegde producties 107 en 108 niet duidelijk is op te maken dat dit inderdaad meerwerk betreft, laat staan dat [eiseres] er op grond van de bepalingen omtrent meerwerk in de UAV een kostenverhoging voor in rekening mag brengen. Vordering XXII – MMW 128 2.57. Ook in dit geval vermindert [eiseres] haar vordering zoals gedaan bij dagvaarding. Als productie 109 en 110 legt [eiseres] ten bewijze van haar vordering twee bankafschriften over van betalingen aan Bouwstoffenhandel Rivierendriesprong Papendrecht B.V. (hierna: Rivierendriesprong). 2.58. De provincie voert als eerste betwisting van deze vordering aan dat dit geen meerwerk betreft. Bovendien laat de eigen kostenopstelling van [eiseres] niet zien dat deze werkzaamheden daadwerkelijk voor Rivierendriesprong zijn uitgevoerd voor die kosten, aldus de provincie. Ten slotte tonen de overgelegde bankafschriften niet aan dat er is betaald voor werkzaamheden door Rivierendriesprong met betrekking tot de betreffende staalslakken, aldus nog steeds de provincie. 2.59. De rechtbank zal vordering XXII bij eindvonnis afwijzen, omdat [eiseres] deze vordering – in het licht van hetgeen de provincie heeft aangevoerd – niet heeft bewezen. De rechtbank kan – kort gezegd – op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat [eiseres] de gestelde Deze vordering ziet eveneens op door [eiseres] gemaakte calculatiekosten voor meerwerk. De provincie erkent dat [eiseres] recht heeft op deze vordering en voert geen verweer. Wel meent zij dat vergoeding van deze post plaats moet vinden in het kader van de eindafrekening van het werk. De rechtbank zal vordering bij eindvonnis toewijzen, al dan niet als onderdeel van de eindafrekening. Slotsom vorderingen en hoogte voorschot 2.68. De rechtbank blijft bij haar voornemen vordering XIX bij eindvonnis toe te wijzen, maar zal op grond van wat partijen hebben aangevoerd de vorderingen III, VII, VIII, IX, X, XI, XIII, XIV, XX, XXII, XXIV, XXV, XXVI en XXVIII bij eindvonnis afwijzen. Voor de verdere beoordeling van de vorderingen XVII, XXI en XXV zal de rechtbank een deskundige aanwijzen. 2.69. De rechtbank zal de hoogte van het voorschot van de deskundige in verband met het antwoord op de vragen opgenomen in randnummer 2.49, 2.52 en 2.65 van dit vonnis vaststellen op € 50.000. De rechtbank zal bepalen dat dit voorschot door [eiseres] moet worden betaald. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. beveelt een onderzoek door een deskundige; 3.2. benoemt voor de beoordeling van Vorderingen XVII, XXI en XXV tot deskundige: de heer ir. J.T. Bresters; p.a. Raad van Arbitrage in bouwgeschillen [adres] [telefoonnummer] [e-mailadres] 3.3. verzoekt de deskundige een onderzoek in te stellen en een schriftelijk en met redenen omkleed antwoord te geven op de vragen opgenomen in randnummer 2.49, 2.52 en 2.65 van dit vonnis; 3.4. bepaalt dat [eiseres] als voorschot op de kosten van de deskundige een bedrag van € 50.000 (inclusief BTW) dient te deponeren na ontvangst van een desbetreffende factuur van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR); 3.5. bepaalt dat de deskundige de rechtbank zal verzoeken om vaststelling van een nader voorschot indien en zodra hem in de loop van het onderzoek blijkt dat dit meer gaat kosten dan oorspronkelijk begroot; 3.6. bepaalt dat het voorschot en in het voorkomend geval het nadere voorschot binnen drie weken na ontvangst van de factuur dienen te worden voldaan en dat, indien de voorschotten niet tijdig worden voldaan, de zaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie wegens niet ontvangen deskundigenbericht; 3.7. bepaalt dat de deskundige zijn werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat de griffier van deze rechtbank hem zal hebben bevestigd dat het in 2.69 vermelde voorschot door het LDCR is ontvangen; 3.8. wijst de deskundige erop dat hij voor aanvang van het onderzoek moet kennisnemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie); 3.9. bepaalt dat [eiseres] binnen twee weken na een verzoek daartoe van de deskundige, met een kopie aan de rechtbank, alle stukken ter beschikking dient te stellen; 3.10. bepaalt voorts dat, indien bedoelde kopie van alle stukken niet tijdig aan de rechtbank ter beschikking is gesteld, de zaak na sommatie door de rechtbank, waarbij [eiseres] een termijn van twee weken zal worden gegund om de stukken alsnog ter beschikking te stellen, wordt verwezen naar de rol voor conclusie wegens niet ontvangen deskundigenbericht; 3.11. bepaalt dat de deskundige het concept van zijn schriftelijke en gemotiveerde rapport binnen drie maanden (de afwezigheid van de deskundige gedurende de maanden mei en juni 2025 niet meegerekend) nadat de griffier hem heeft meegedeeld dat het voorschot is voldaan, zal doen toekomen aan de civiele griffie van deze rechtbank, Prins Clauslaan 60 (Postbus 20302, 2500 EH) te Den Haag, met vermelding van het zaak- en rolnummer van deze zaak; 3.12. bepaalt dat de griffier de conceptrapportage van de betreffende deskundige aan partijen zal zenden en dat partijen zich uiterlijk binnen drie weken na ontvangst bij akte kunnen uitspreken over deze conceptrapportage; 3.13. bepaalt dat de griffier de hiervoor bedoelde akten aan de deskundige zal toezenden en dat de deskundige, uiterlijk drie wek