Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:27946
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,058 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27946 text/xml public 2026-05-01T15:05:01 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-05-22 NL24.48294 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27946 text/html public 2026-05-01T15:02:50 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27946 Rechtbank Den Haag , 22-05-2025 / NL24.48294 Vreemdelingenrecht regulier; mvv met verblijfsdoel 'familie en gezin'; toetsing aan familie- of gezinsleven art. 8 EVRM; verweerder heeft ten onrechte geen integrale beoordeling verricht over de getoetste elementen; zorgvuldigheidsgebrek art. 3:2 Awb; beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.48294 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. G.H.A. van den Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Enkele weken voor de zitting heeft verweerder zich afgemeld te verschijnen. Verweerder heeft wel op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, en referent. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1945 en heeft de Indiase nationaliteit. Op 29 december 2023 heeft [referent], de zoon van eiser, een aanvraag ingediend tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de aanvraag) ten behoeve van eiser, zijn vrouw (de schoondochter van eiser) en zijn twee kinderen (de kleinkinderen van eiser). 2.1. De mvv-aanvragen ten behoeve van de vrouw en kinderen van referent zijn toegewezen. Zij zijn tot op heden echter nog niet naar Nederland gekomen omdat de vrouw van referent momenteel de zorg voor eiser draagt. Eiser lijdt aan een hernia en heeft door een beknelde zenuw in de nek aan chronische pijn en ongemak en is gediagnosticeerd met ischemische hartklachten Ook is er sprake van ernstige nierproblemen die veroorzaakt worden door het vele medicijnengebruik. Verder lijdt eiser aan PTSS en depressie sinds het traumatische overlijden van zijn vrouw. 2.2. Bij het besluit van 25 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag ten behoeve van eiser afgewezen, omdat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het ERVM tussen eiser en referent. Hiertoe werpt verweerder tegen dat, ondanks dat eiser altijd met referent heeft samengewoond en door hem is ondersteund, er geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheid. Daarbij is ook niet gebleken dat anderen in India niet de nodige zorg en ondersteuning voor eiser kunnen leveren, en kan de relatie ook op afstand en met incidentele bezoeken voortgezet worden. De belangenafweging valt daarnaast uit in het nadeel van eiser omdat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt, met name omdat eiser niet aan de arbeidsmarkt zal deelnemen en door zijn medische omstandigheden een beroep zal doen op het Nederlandse zorgsysteem. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 is verweerder bij zijn afwijzing gebleven en heeft hiermee eisers bezwaar ongegrond verklaard. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd en innerlijk tegenstrijdig is. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder de lat voor eiser om zijn afhankelijkheid van referent aan te tonen, onredelijk hoog legt. Daarnaast betwistte verweerder eisers financiële afhankelijkheid van referent in het primaire besluit niet. In het bestreden besluit komt verweerder hier – in strijd met het verbod van reformatio in peius en artikel 6 van het EVRM – zonder nieuw voornemen op terug. Daarom moet de meer dan gebruikelijke afhankelijkheid op dit punt aangenomen worden. Ook worden de sterke emotionele afhankelijkheid en samenwoning tussen eiser en referent en zijn gezin niet weersproken. Verder is in het licht van zijn fysieke en psychische omstandigheden, zeer aannemelijk dat het ernstige gezondheidsgevolgen voor eiser zal hebben als hij alleen in India achterblijft. Referent heeft daarnaast voldoende aangetoond dat het niet mogelijk is om voor eiser een plek in een zorginstelling te vinden vanwege de combinatie van zijn fysieke en mentale problemen. Ook uit het feit dat het gezin nog niet naar Nederland is gekomen, blijkt de afhankelijkheid en de noodzaak voor eiser om zich tezamen met het gezin van referent in Nederland bij referent te voegen. Wat vindt verweerder in beroep? 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit rechtens juist is genomen. De beroepsgronden van eiser leiden daarbij niet tot een ander oordeel. Hoewel de zinsnede waar eiser aan refereert over financiële afhankelijkheid tussen eiser en referent ongelukkig verwoord kan zijn, is er geen sprake van strijd met het beginsel van reformatio in peius. Verweerder heeft erop willen wijzen dat referent eiser zo nodig op afstand financieel kan ondersteunen, al dan niet door de nodige zorg door derden te laten verlenen. In het bestreden besluit is echter terecht overwogen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat dit nu gebeurt. Een sterke emotionele band tussen eiser en referent wordt daarnaast wel aangenomen, maar dit betekent niet dat er zonder meer sprake is van de nodige bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verder stelt verweerder terecht te hebben overwogen dat de hulp die door referent aan eiser is verleend vanwege zijn gezondheid, geen specialistische behandelingen betreffen die alleen door referent of zijn echtgenote verleend kunnen worden. Ook is niet gebleken dat eiser met ernstige gezondheidsgevolgen te maken krijgt indien hij alleen in India achterblijft, noch dat anderen niet ingezet kunnen worden om de nodige zorg te verlenen. De vier afwijzingen van zorginstellingen die eiser en referent hebben overgelegd zijn daarbij onvoldoende. Tot slot zijn er geen objectieve belemmeringen voor referent om zijn gezinsleven in India uit te voeren. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Om te kunnen spreken van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarigen – uitgezonderd vreemdelingen die onder het jongvolwassenenbeleid vallen – moet er sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het maakt daarbij niet uit wie van wie afhankelijk is. Voor de beoordeling of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid wordt volgens informatiebericht (IB) 2024/57 door verweerder gekeken naar de volgende elementen: samenwoning; de mate van financiële afhankelijkheid; de mate van materiële (praktische) afhankelijkheid; de gezondheid van betrokkene (eiser); de banden met het land van herkomst; en (indien van toepassing) overige aangevoerde omstandigheden waaruit volgens referent en/of betrokkene (eiser) bijkomende elementen van afhankelijkheid blijken. Geen van deze factoren is op zichzelf voldoende om aan te nemen dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het moet gaan om een combinatie van deze factoren. In de praktijk ziet de toets er als volgt uit: 1. Onderzoek of aannemelijk is gemaakt dat betrokkene daadwerkelijk afhankelijk is van hulp en zonder hulp niet in staat is om zelfstandig te kunnen functioneren. 2. Beoordeel daarna of betrokkene afhankelijk is van de referent alleen, of dat er ook alternatieven zijn zoals familie of derden. Ook moet duidelijk zijn waar deze zorg uit bestaat. Is dat financiële hulp? Of ook materiële en praktische zorg? En kan deze zorg op afstand worden verleend? Hierbij is het van belang of de referent samenwoont met betrokkene, of dat ze voorheen hebben samengewoond.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27946 text/xml public 2026-05-01T15:05:01 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-05-22 NL24.48294 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27946 text/html public 2026-05-01T15:02:50 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27946 Rechtbank Den Haag , 22-05-2025 / NL24.48294 Vreemdelingenrecht regulier; mvv met verblijfsdoel 'familie en gezin'; toetsing aan familie- of gezinsleven art. 8 EVRM; verweerder heeft ten onrechte geen integrale beoordeling verricht over de getoetste elementen; zorgvuldigheidsgebrek art. 3:2 Awb; beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.48294 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. G.H.A. van den Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Enkele weken voor de zitting heeft verweerder zich afgemeld te verschijnen. Verweerder heeft wel op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, en referent. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1945 en heeft de Indiase nationaliteit. Op 29 december 2023 heeft [referent], de zoon van eiser, een aanvraag ingediend tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de aanvraag) ten behoeve van eiser, zijn vrouw (de schoondochter van eiser) en zijn twee kinderen (de kleinkinderen van eiser). 2.1. De mvv-aanvragen ten behoeve van de vrouw en kinderen van referent zijn toegewezen. Zij zijn tot op heden echter nog niet naar Nederland gekomen omdat de vrouw van referent momenteel de zorg voor eiser draagt. Eiser lijdt aan een hernia en heeft door een beknelde zenuw in de nek aan chronische pijn en ongemak en is gediagnosticeerd met ischemische hartklachten Ook is er sprake van ernstige nierproblemen die veroorzaakt worden door het vele medicijnengebruik. Verder lijdt eiser aan PTSS en depressie sinds het traumatische overlijden van zijn vrouw. 2.2. Bij het besluit van 25 maart 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag ten behoeve van eiser afgewezen, omdat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het ERVM tussen eiser en referent. Hiertoe werpt verweerder tegen dat, ondanks dat eiser altijd met referent heeft samengewoond en door hem is ondersteund, er geen sprake is van een meer dan normale afhankelijkheid. Daarbij is ook niet gebleken dat anderen in India niet de nodige zorg en ondersteuning voor eiser kunnen leveren, en kan de relatie ook op afstand en met incidentele bezoeken voortgezet worden. De belangenafweging valt daarnaast uit in het nadeel van eiser omdat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt, met name omdat eiser niet aan de arbeidsmarkt zal deelnemen en door zijn medische omstandigheden een beroep zal doen op het Nederlandse zorgsysteem. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 is verweerder bij zijn afwijzing gebleven en heeft hiermee eisers bezwaar ongegrond verklaard. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd en innerlijk tegenstrijdig is. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder de lat voor eiser om zijn afhankelijkheid van referent aan te tonen, onredelijk hoog legt. Daarnaast betwistte verweerder eisers financiële afhankelijkheid van referent in het primaire besluit niet. In het bestreden besluit komt verweerder hier – in strijd met het verbod van reformatio in peius en artikel 6 van het EVRM – zonder nieuw voornemen op terug. Daarom moet de meer dan gebruikelijke afhankelijkheid op dit punt aangenomen worden. Ook worden de sterke emotionele afhankelijkheid en samenwoning tussen eiser en referent en zijn gezin niet weersproken. Verder is in het licht van zijn fysieke en psychische omstandigheden, zeer aannemelijk dat het ernstige gezondheidsgevolgen voor eiser zal hebben als hij alleen in India achterblijft. Referent heeft daarnaast voldoende aangetoond dat het niet mogelijk is om voor eiser een plek in een zorginstelling te vinden vanwege de combinatie van zijn fysieke en mentale problemen. Ook uit het feit dat het gezin nog niet naar Nederland is gekomen, blijkt de afhankelijkheid en de noodzaak voor eiser om zich tezamen met het gezin van referent in Nederland bij referent te voegen. Wat vindt verweerder in beroep? 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit rechtens juist is genomen. De beroepsgronden van eiser leiden daarbij niet tot een ander oordeel. Hoewel de zinsnede waar eiser aan refereert over financiële afhankelijkheid tussen eiser en referent ongelukkig verwoord kan zijn, is er geen sprake van strijd met het beginsel van reformatio in peius. Verweerder heeft erop willen wijzen dat referent eiser zo nodig op afstand financieel kan ondersteunen, al dan niet door de nodige zorg door derden te laten verlenen. In het bestreden besluit is echter terecht overwogen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat dit nu gebeurt. Een sterke emotionele band tussen eiser en referent wordt daarnaast wel aangenomen, maar dit betekent niet dat er zonder meer sprake is van de nodige bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verder stelt verweerder terecht te hebben overwogen dat de hulp die door referent aan eiser is verleend vanwege zijn gezondheid, geen specialistische behandelingen betreffen die alleen door referent of zijn echtgenote verleend kunnen worden. Ook is niet gebleken dat eiser met ernstige gezondheidsgevolgen te maken krijgt indien hij alleen in India achterblijft, noch dat anderen niet ingezet kunnen worden om de nodige zorg te verlenen. De vier afwijzingen van zorginstellingen die eiser en referent hebben overgelegd zijn daarbij onvoldoende. Tot slot zijn er geen objectieve belemmeringen voor referent om zijn gezinsleven in India uit te voeren. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. Om te kunnen spreken van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarigen – uitgezonderd vreemdelingen die onder het jongvolwassenenbeleid vallen – moet er sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het maakt daarbij niet uit wie van wie afhankelijk is. Voor de beoordeling of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid wordt volgens informatiebericht (IB) 2024/57 door verweerder gekeken naar de volgende elementen: samenwoning; de mate van financiële afhankelijkheid; de mate van materiële (praktische) afhankelijkheid; de gezondheid van betrokkene (eiser); de banden met het land van herkomst; en (indien van toepassing) overige aangevoerde omstandigheden waaruit volgens referent en/of betrokkene (eiser) bijkomende elementen van afhankelijkheid blijken. Geen van deze factoren is op zichzelf voldoende om aan te nemen dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het moet gaan om een combinatie van deze factoren. In de praktijk ziet de toets er als volgt uit: 1. Onderzoek of aannemelijk is gemaakt dat betrokkene daadwerkelijk afhankelijk is van hulp en zonder hulp niet in staat is om zelfstandig te kunnen functioneren. 2. Beoordeel daarna of betrokkene afhankelijk is van de referent alleen, of dat er ook alternatieven zijn zoals familie of derden. Ook moet duidelijk zijn waar deze zorg uit bestaat. Is dat financiële hulp? Of ook materiële en praktische zorg? En kan deze zorg op afstand worden verleend? Hierbij is het van belang of de referent samenwoont met betrokkene, of dat ze voorheen hebben samengewoond.
Volledig
Daarnaast worden ook de banden met het land van herkomst meegenomen. Samenwoning De rechtbank stelt vast dat dit punt niet ter discussie staat. Referent heeft tot aan zijn vertrek naar Nederland in juli 2023 altijd met eiser samengewoond. Ook na zijn huwelijk en de geboorte van zijn kinderen. Zijn vrouw en kinderen wonen ook nu nog met eiser samen. Wel neemt verweerder hierbij in aanmerking dat het in India gebruikelijk(er) is dat ouders en kinderen bij elkaar blijven wonen, ook nadat de kinderen zijn getrouwd. Ook merkt de rechtbank op dat het hierdoor moeilijk in te schatten is hoe eiser zich alleen staande zou houden, nu hij nooit eerder zonder zijn familie heeft geleefd. Financiële afhankelijkheid 5.1. Eiser heeft aangevoerd financieel afhankelijk te zijn van referent. Hierbij heeft eiser afschriften overgelegd waarop te zien is dat referent enkele keren per maand geld overmaakt naar een gezamenlijke rekening op zijn eigen naam in India, waar zijn vrouw gebruik van kan maken. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat referent in het gehoor weliswaar heeft aangegeven dat zijn vrouw – die momenteel geen eigen inkomen heeft – het geld gebruikt om haarzelf, de kinderen en eiser te onderhouden, maar dat niet is aangetoond dat dit ook werkelijk ten behoeve van eiser wordt ingezet. Dan wel met welke frequentie. Ook werpt verweerder tegen dat de financiële ondersteuning voor zover die plaatsvindt op afstand voortgezet kan worden. Hieruit volgt volgens verweerder dan ook geen bijkomend element van afhankelijkheid. Materiële (praktische) afhankelijkheid 5.2. De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eiser hulpbehoevend is bij zijn dagelijkse taken. Voor zijn vertrek naar Nederland werden deze taken door referent opgepakt, maar momenteel door de vrouw van referent. Daarbij ondersteunt referent nog wel zelf tijdens de incidentele periodes dat hij in India verblijft. In de stukken en tijdens het gehoor is gebleken dat eiser ondersteund wordt bij het innemen van zijn medicatie, bij de toiletgang, bij zijn bewegingen binnenshuis en buitenshuis, bij het klaarmaken van eten en drinken, en bij vervoer naar zijn (medische) afspraken. 5.3. Verweerder heeft tegengeworpen dat eiser, al dan niet betaald door referent, evenwel in een zorginstelling zou kunnen verblijven. Hier zou hij dagelijkse ondersteuning kunnen krijgen. Referent heeft er echter op willen wijzen dat eiser te oud is en vanwege zijn medische (psychische) problematiek hulpbehoevend is waardoor hij door zorginstellingen in India wordt afgewezen. Om dit te onderbouwen heeft eiser van zeven zorginstelling een afwijzingsbrief overgelegd. Hieruit blijkt dat de aangeschreven instellingen de aanzienlijke dagelijkse zorg die eiser nodig heeft niet kunnen leveren, dan wel dat aanvullende ondersteuning van de familie nodig is, of dat ze geen nieuwe bewoners toelaten ouder dan 75, en eiser is inmiddels 80. Eén zorginstelling heeft eiser zelfs psychisch laten onderzoeken en heeft geconcludeerd dat verwijdering van zijn familie een negatieve invloed op zijn mentale gesteldheid en kwaliteit van leven kan hebben. Dit als gevolg van de recente, traumatische dood van zijn vrouw, de moeder van referent. Gezondheid van eiser 5.4. Eiser kampt met verscheidene fysieke en mentale klachten. Zo lijdt eiser onder meer aan een hernia, chronische pijn door een beknelde zenuw en ischemische hartklachten. Daarbij kampt eiser met de gevolgen hiervan zoals moeite met staan en lopen, en nierklachten vanwege de aanzienlijke hoeveelheid medicijnen die hij nodig heeft. Zijn mentale klachten zien op de traumatische ervaring van de zeer onfortuinlijke dood van zijn vrouw, waarbij volgens psychologische rapporten PTSS en depressie zijn gediagnosticeerd. Hier gebruikt eiser ook de nodige medicatie voor en hij is onder behandeling bij een psychiater. Band met het land van herkomst 5.5. Verweerder heeft geoordeeld dat eisers band met India groter is dan met Nederland. Dit is door eiser niet betwist. 5.6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de beoordeling of er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, geen integrale beoordeling van de relevante elementen heeft verricht, maar slechts per element heeft beoordeeld of hieruit bijkomende elementen van afhankelijkheid blijken. Juist uit de elementen gezamenlijk blijken volgens eiser bijkomende elementen van afhankelijkheid. Zo komt het de rechtbank voor dat eiser vanwege zijn leeftijd en medische klachten afhankelijk is van referente en/of de echtgenote van referent. Daar komt bij dat door de aard van de traumatische ervaringen en de daardoor ontstane psychische klachten, er sprake is van een diepe emotionele band tussen eiser en referents gezin. Deze omstandigheden maken het bovendien moeilijk om de zorg door een zorginstelling te laten overnemen, zoals ook blijkt uit de overgelegde stukken. Verweerder heeft deze omstandigheden onvoldoende in samenhang betrokken bij de beoordeling of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Voorts had verweerder meer onderzoek moeten doen naar de financiële afhankelijkheid door te onderzoeken of eiser nog andere inkomsten heeft en eiser in de gelegenheid te stellen aannemelijk te maken hoeveel van de financiële ondersteuning wordt gebruikt ten behoeve van eiser. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. 6.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 6.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1). 6.3. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-; bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit verbod houdt in dat het maken van bezwaar in beginsel niet mag leiden tot een verslechtering van de (rechts)positie van de bezwaarmaker. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:191, onder r.o. 2.3. Posttraumatische stresssyndroom.
Volledig
Daarnaast worden ook de banden met het land van herkomst meegenomen. Samenwoning De rechtbank stelt vast dat dit punt niet ter discussie staat. Referent heeft tot aan zijn vertrek naar Nederland in juli 2023 altijd met eiser samengewoond. Ook na zijn huwelijk en de geboorte van zijn kinderen. Zijn vrouw en kinderen wonen ook nu nog met eiser samen. Wel neemt verweerder hierbij in aanmerking dat het in India gebruikelijk(er) is dat ouders en kinderen bij elkaar blijven wonen, ook nadat de kinderen zijn getrouwd. Ook merkt de rechtbank op dat het hierdoor moeilijk in te schatten is hoe eiser zich alleen staande zou houden, nu hij nooit eerder zonder zijn familie heeft geleefd. Financiële afhankelijkheid 5.1. Eiser heeft aangevoerd financieel afhankelijk te zijn van referent. Hierbij heeft eiser afschriften overgelegd waarop te zien is dat referent enkele keren per maand geld overmaakt naar een gezamenlijke rekening op zijn eigen naam in India, waar zijn vrouw gebruik van kan maken. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat referent in het gehoor weliswaar heeft aangegeven dat zijn vrouw – die momenteel geen eigen inkomen heeft – het geld gebruikt om haarzelf, de kinderen en eiser te onderhouden, maar dat niet is aangetoond dat dit ook werkelijk ten behoeve van eiser wordt ingezet. Dan wel met welke frequentie. Ook werpt verweerder tegen dat de financiële ondersteuning voor zover die plaatsvindt op afstand voortgezet kan worden. Hieruit volgt volgens verweerder dan ook geen bijkomend element van afhankelijkheid. Materiële (praktische) afhankelijkheid 5.2. De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat eiser hulpbehoevend is bij zijn dagelijkse taken. Voor zijn vertrek naar Nederland werden deze taken door referent opgepakt, maar momenteel door de vrouw van referent. Daarbij ondersteunt referent nog wel zelf tijdens de incidentele periodes dat hij in India verblijft. In de stukken en tijdens het gehoor is gebleken dat eiser ondersteund wordt bij het innemen van zijn medicatie, bij de toiletgang, bij zijn bewegingen binnenshuis en buitenshuis, bij het klaarmaken van eten en drinken, en bij vervoer naar zijn (medische) afspraken. 5.3. Verweerder heeft tegengeworpen dat eiser, al dan niet betaald door referent, evenwel in een zorginstelling zou kunnen verblijven. Hier zou hij dagelijkse ondersteuning kunnen krijgen. Referent heeft er echter op willen wijzen dat eiser te oud is en vanwege zijn medische (psychische) problematiek hulpbehoevend is waardoor hij door zorginstellingen in India wordt afgewezen. Om dit te onderbouwen heeft eiser van zeven zorginstelling een afwijzingsbrief overgelegd. Hieruit blijkt dat de aangeschreven instellingen de aanzienlijke dagelijkse zorg die eiser nodig heeft niet kunnen leveren, dan wel dat aanvullende ondersteuning van de familie nodig is, of dat ze geen nieuwe bewoners toelaten ouder dan 75, en eiser is inmiddels 80. Eén zorginstelling heeft eiser zelfs psychisch laten onderzoeken en heeft geconcludeerd dat verwijdering van zijn familie een negatieve invloed op zijn mentale gesteldheid en kwaliteit van leven kan hebben. Dit als gevolg van de recente, traumatische dood van zijn vrouw, de moeder van referent. Gezondheid van eiser 5.4. Eiser kampt met verscheidene fysieke en mentale klachten. Zo lijdt eiser onder meer aan een hernia, chronische pijn door een beknelde zenuw en ischemische hartklachten. Daarbij kampt eiser met de gevolgen hiervan zoals moeite met staan en lopen, en nierklachten vanwege de aanzienlijke hoeveelheid medicijnen die hij nodig heeft. Zijn mentale klachten zien op de traumatische ervaring van de zeer onfortuinlijke dood van zijn vrouw, waarbij volgens psychologische rapporten PTSS en depressie zijn gediagnosticeerd. Hier gebruikt eiser ook de nodige medicatie voor en hij is onder behandeling bij een psychiater. Band met het land van herkomst 5.5. Verweerder heeft geoordeeld dat eisers band met India groter is dan met Nederland. Dit is door eiser niet betwist. 5.6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de beoordeling of er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, geen integrale beoordeling van de relevante elementen heeft verricht, maar slechts per element heeft beoordeeld of hieruit bijkomende elementen van afhankelijkheid blijken. Juist uit de elementen gezamenlijk blijken volgens eiser bijkomende elementen van afhankelijkheid. Zo komt het de rechtbank voor dat eiser vanwege zijn leeftijd en medische klachten afhankelijk is van referente en/of de echtgenote van referent. Daar komt bij dat door de aard van de traumatische ervaringen en de daardoor ontstane psychische klachten, er sprake is van een diepe emotionele band tussen eiser en referents gezin. Deze omstandigheden maken het bovendien moeilijk om de zorg door een zorginstelling te laten overnemen, zoals ook blijkt uit de overgelegde stukken. Verweerder heeft deze omstandigheden onvoldoende in samenhang betrokken bij de beoordeling of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Voorts had verweerder meer onderzoek moeten doen naar de financiële afhankelijkheid door te onderzoeken of eiser nog andere inkomsten heeft en eiser in de gelegenheid te stellen aannemelijk te maken hoeveel van de financiële ondersteuning wordt gebruikt ten behoeve van eiser. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. 6.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 6.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1). 6.3. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-; bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit verbod houdt in dat het maken van bezwaar in beginsel niet mag leiden tot een verslechtering van de (rechts)positie van de bezwaarmaker. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:191, onder r.o. 2.3. Posttraumatische stresssyndroom.