Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:27927
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,396 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27927 text/xml public 2026-04-28T15:17:05 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-12 NL24.10306 en NL25.42945 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27927 text/html public 2026-04-28T15:16:43 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27927 Rechtbank Den Haag , 12-11-2025 / NL24.10306 en NL25.42945 Derdelanders richtlijn tijdelijke bescherming (RTB) - verweerder mocht tijdelijke bescherming beëndigen - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.10306 en NL25.42945 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.J. de Boer), en de Minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de brief van 29 januari 2024 (NL24.10306) en het beroep tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 8 augustus 2025 (NL25.42945). 1.1. Verweerder heeft op 29 januari 2024 aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigt per 4 maart 2024. Op 8 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 Nederland dient te verlaten. 1.2. Verweerder heeft op 22 oktober 2025 op het beroep NL24.10306 gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en B. Hitchcock als tolk. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 25 augustus 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Op 26 augustus 2023 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 september 2023, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Op 6 februari 2024 is het besluit van 26 augustus 2023 in hoger beroep vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). 3. Op 29 januari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze mededeling. 4. Met het nieuwe besluit van 8 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat er geen sprake is van risico’s bij terugkeer naar Nigeria en dat er geen aanleiding bestaat om eiser te horen. Verder heeft verweerder overwogen dat er bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser geen ruimte bestaat voor een individuele belangenafweging. Eiser heeft tegen het besluit van 8 augustus 2025 beroep ingesteld (terugkeerbesluit). Wat vindt eiser in beroep? 5. Allereerst is de brief van 29 januari 2024 een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast is er in het geval van het beroep NL24.10306 weliswaar sprake van een termijnoverschrijding, maar deze is verschoonbaar. Bovendien heeft eiser procesbelang bij dit beroep. Verder kan aan eiser geen terugkeerbesluit worden opgelegd, nu eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Eiser heeft namelijk beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming en zijn verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen. Daarnaast heeft de Nederlandse overheid in haar kamerbrief van 30 maart 2022 toegezegd dat de bescherming op iedereen van toepassing is die uit Oekraïne is gevlucht als gevolg van de inval van Rusland. De Afdeling heeft deze brief niet meegenomen in haar uitspraken. Verder mocht verweerder geen terugkeerbesluit opleggen zolang de bevriezingsmaatregel nog van kracht was, omdat dit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Ook heeft verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit geen geactualiseerde beoordeling verricht van de risico’s bij terugkeer naar Nigeria. Eiser loopt bij terugkeer naar Nigeria mogelijk gevaar, omdat hij een christen is en omdat hij is verwesterd. Het opleggen van het terugkeerbesluit is daarom in strijd met het refoulementverbod. Bovendien verzet artikel 8 van het EVRM zich tegen terugkeer naar Nigeria. Wat is het oordeel van de rechtbank? Het beroep NL24.10306 (verblijfsbeëindiging) 6. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de brief van 29 januari 2024 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 6.1. Met betrekking tot eisers standpunt dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 2024 tot een onjuist oordeel is gekomen, heeft deze rechtbank in haar uitspraken van 27 maart 2024 geconcludeerd dat de conclusie van de Afdeling juist is. De Afdeling heeft geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van vreemdelingen zoals eiser op 4 maart 2024 van rechtswege is afgelopen, maar zij laat het aan verweerder om te bepalen in welke vorm hij dit aan de betreffende vreemdeling zal mededelen. Verweerder heeft ervoor gekozen om eiser op de hoogte te stellen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming door middel van een brief. Deze brief is niet op rechtsgevolgen gericht, maar is slechts van informatieve aard. De brief van 29 januari 2024 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep gericht tegen de verblijfsbeëindiging om die reden niet-ontvankelijk verklaren. Nu dit beroep reeds niet-ontvankelijk is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Het beroep NL25.42945 (terugkeerbesluit) 7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft de kamerbrief van 30 maart 2022 waar eiser zich op beroept bij haar oordeel betrokken. Eisers standpunt dat deze brief niet is meegenomen is daarom onjuist. In de Afdelingsuitspraak van 17 januari 2024 is deze brief expliciet genoemd en is daarover een oordeel gegeven. In de Afdelingsuitspraken van 23 april 2025 wordt hiernaar verwezen en wordt geoordeeld dat er tot op heden geen reden is om tot een ander oordeel te komen dan dat er geen toezeggingen zijn gedaan door de Nederlandse overheid. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank evenmin reden om dit aan te nemen. 8. Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt met verweerder echter vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 8 augustus 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen. 8.1.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27927 text/xml public 2026-04-28T15:17:05 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-12 NL24.10306 en NL25.42945 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27927 text/html public 2026-04-28T15:16:43 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27927 Rechtbank Den Haag , 12-11-2025 / NL24.10306 en NL25.42945 Derdelanders richtlijn tijdelijke bescherming (RTB) - verweerder mocht tijdelijke bescherming beëndigen - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.10306 en NL25.42945 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.J. de Boer), en de Minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de brief van 29 januari 2024 (NL24.10306) en het beroep tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit van 8 augustus 2025 (NL25.42945). 1.1. Verweerder heeft op 29 januari 2024 aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigt per 4 maart 2024. Op 8 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en bepaald dat hij binnen vier weken na 4 september 2025 Nederland dient te verlaten. 1.2. Verweerder heeft op 22 oktober 2025 op het beroep NL24.10306 gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en B. Hitchcock als tolk. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Van 25 augustus 2022 tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Op 26 augustus 2023 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming van rechtswege eindigt per 4 september 2023, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan derdelanders die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met hetzelfde besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Op 6 februari 2024 is het besluit van 26 augustus 2023 in hoger beroep vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). 3. Op 29 januari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigt per 4 maart 2024. Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze mededeling. 4. Met het nieuwe besluit van 8 augustus 2025 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd omdat hij niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Verweerder heeft daarbij geconcludeerd dat er geen sprake is van risico’s bij terugkeer naar Nigeria en dat er geen aanleiding bestaat om eiser te horen. Verder heeft verweerder overwogen dat er bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming van eiser geen ruimte bestaat voor een individuele belangenafweging. Eiser heeft tegen het besluit van 8 augustus 2025 beroep ingesteld (terugkeerbesluit). Wat vindt eiser in beroep? 5. Allereerst is de brief van 29 januari 2024 een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast is er in het geval van het beroep NL24.10306 weliswaar sprake van een termijnoverschrijding, maar deze is verschoonbaar. Bovendien heeft eiser procesbelang bij dit beroep. Verder kan aan eiser geen terugkeerbesluit worden opgelegd, nu eiser rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Eiser heeft namelijk beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming en zijn verzoek om een voorlopige voorziening is toegewezen. Daarnaast heeft de Nederlandse overheid in haar kamerbrief van 30 maart 2022 toegezegd dat de bescherming op iedereen van toepassing is die uit Oekraïne is gevlucht als gevolg van de inval van Rusland. De Afdeling heeft deze brief niet meegenomen in haar uitspraken. Verder mocht verweerder geen terugkeerbesluit opleggen zolang de bevriezingsmaatregel nog van kracht was, omdat dit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Ook heeft verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit geen geactualiseerde beoordeling verricht van de risico’s bij terugkeer naar Nigeria. Eiser loopt bij terugkeer naar Nigeria mogelijk gevaar, omdat hij een christen is en omdat hij is verwesterd. Het opleggen van het terugkeerbesluit is daarom in strijd met het refoulementverbod. Bovendien verzet artikel 8 van het EVRM zich tegen terugkeer naar Nigeria. Wat is het oordeel van de rechtbank? Het beroep NL24.10306 (verblijfsbeëindiging) 6. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de brief van 29 januari 2024 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. 6.1. Met betrekking tot eisers standpunt dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 2024 tot een onjuist oordeel is gekomen, heeft deze rechtbank in haar uitspraken van 27 maart 2024 geconcludeerd dat de conclusie van de Afdeling juist is. De Afdeling heeft geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van vreemdelingen zoals eiser op 4 maart 2024 van rechtswege is afgelopen, maar zij laat het aan verweerder om te bepalen in welke vorm hij dit aan de betreffende vreemdeling zal mededelen. Verweerder heeft ervoor gekozen om eiser op de hoogte te stellen van de beëindiging van het recht op tijdelijke bescherming door middel van een brief. Deze brief is niet op rechtsgevolgen gericht, maar is slechts van informatieve aard. De brief van 29 januari 2024 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het beroep gericht tegen de verblijfsbeëindiging om die reden niet-ontvankelijk verklaren. Nu dit beroep reeds niet-ontvankelijk is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking. Het beroep NL25.42945 (terugkeerbesluit) 7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder de aan hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft de kamerbrief van 30 maart 2022 waar eiser zich op beroept bij haar oordeel betrokken. Eisers standpunt dat deze brief niet is meegenomen is daarom onjuist. In de Afdelingsuitspraak van 17 januari 2024 is deze brief expliciet genoemd en is daarover een oordeel gegeven. In de Afdelingsuitspraken van 23 april 2025 wordt hiernaar verwezen en wordt geoordeeld dat er tot op heden geen reden is om tot een ander oordeel te komen dan dat er geen toezeggingen zijn gedaan door de Nederlandse overheid. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank evenmin reden om dit aan te nemen. 8. Uit de uitspraken van de Afdeling en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt met verweerder echter vast dat eiser geen rechtmatig verblijf had op 8 augustus 2025 en verweerder daarom bevoegd en verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen. 8.1.
Volledig
In de uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit opgeschort en bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op zijn beroep. Deze uitspraak betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar doet daarmee niet af aan de vaststelling dat eiser, met de beëindiging van de tijdelijke bescherming, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland. Verweerder is daarom bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet. 9. Het betoog dat het terugkeerbesluit niet mocht worden genomen, gelet op de bevriezingsmaatregel van de minister om de tijdelijke bescherming pas feitelijk vanaf 4 september 2025 te beëindigen, slaagt ook niet. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiser daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt echter niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat een betrokkene nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had. Dit is niet meer dan een (tijdelijke) opschorting. Gelet hierop, mocht verweerder dus een terugkeerbesluit opleggen en is dit niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. 10. Ten aanzien van eisers standpunt dat hij niet kan terugkeren naar Nigeria, overweegt de rechtbank tot slot uit het door eiser aangevoerde niet aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement bij terugkeer naar Nigeria. Indien eiser meent dat hij in aanmerking komt voor een asielvergunning, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen, waarin een diepergaand onderzoek naar eventuele asielmotieven kan worden verricht. Evenmin blijkt uit het door eiser gestelde afdoende dat artikel 8 van het EVRM zich tegen het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit verzet. Indien eiser meent dat artikel 8 van het EVRM zich verzet tegen uitzetting, dan kan hij een daartoe strekkende reguliere aanvraag indienen en kan in dat kader een nader onderzoek plaatsvinden. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep NL24.10306 (verblijfsbeëindiging) is niet-ontvankelijk. Het beroep NL25.42945 (terugkeerbesluit) is ongegrond. 12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep NL24.10306 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep NL25.42945 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 6 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:456. Kamerbrief Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 19 637, nr. 2907. Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RVS:2024:32. ECLI:NL:RBDHA:2024:4264 en ECLI:NL:RBDHA:2024:4265. ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 9.6. ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836. ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10.2. ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836, r.o. 4. Zie ECLI:NL:RVS:2025:1829. Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038. Rechtbank Den Haag, van 25 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18300, r.o. 10.2.
Volledig
In de uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van het eerder opgelegde terugkeerbesluit opgeschort en bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet totdat er uitspraak is gedaan op zijn beroep. Deze uitspraak betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar doet daarmee niet af aan de vaststelling dat eiser, met de beëindiging van de tijdelijke bescherming, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland. Verweerder is daarom bevoegd en verplicht om een terugkeerbesluit op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet. 9. Het betoog dat het terugkeerbesluit niet mocht worden genomen, gelet op de bevriezingsmaatregel van de minister om de tijdelijke bescherming pas feitelijk vanaf 4 september 2025 te beëindigen, slaagt ook niet. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling bevestigd dat de tijdelijke bescherming (van rechtswege) op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiser daarna nog gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt echter niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat een betrokkene nog feitelijk mag gebruikmaken van de rechten die hij onder de tijdelijke bescherming had. Dit is niet meer dan een (tijdelijke) opschorting. Gelet hierop, mocht verweerder dus een terugkeerbesluit opleggen en is dit niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. 10. Ten aanzien van eisers standpunt dat hij niet kan terugkeren naar Nigeria, overweegt de rechtbank tot slot uit het door eiser aangevoerde niet aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement bij terugkeer naar Nigeria. Indien eiser meent dat hij in aanmerking komt voor een asielvergunning, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen, waarin een diepergaand onderzoek naar eventuele asielmotieven kan worden verricht. Evenmin blijkt uit het door eiser gestelde afdoende dat artikel 8 van het EVRM zich tegen het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit verzet. Indien eiser meent dat artikel 8 van het EVRM zich verzet tegen uitzetting, dan kan hij een daartoe strekkende reguliere aanvraag indienen en kan in dat kader een nader onderzoek plaatsvinden. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep NL24.10306 (verblijfsbeëindiging) is niet-ontvankelijk. Het beroep NL25.42945 (terugkeerbesluit) is ongegrond. 12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep NL24.10306 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep NL25.42945 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 6 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:456. Kamerbrief Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 19 637, nr. 2907. Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RVS:2024:32. ECLI:NL:RBDHA:2024:4264 en ECLI:NL:RBDHA:2024:4265. ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 9.6. ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836. ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10.2. ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836, r.o. 4. Zie ECLI:NL:RVS:2025:1829. Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038. Rechtbank Den Haag, van 25 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18300, r.o. 10.2.