Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:27822
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,517 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27822 text/xml public 2026-04-14T15:59:43 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-10 NL25.44860 en NL25.44861 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27822 text/html public 2026-04-14T15:59:12 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27822 Rechtbank Den Haag , 10-11-2025 / NL25.44860 en NL25.44861 Asiel. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om eiser aan te merken als staatloos. Daarbij is niet gebleken dat de geloofwaardig bevonden discriminatie tot een gegronde vrees voor vervolging moet leiden. Ook is de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Beroep is ongegrond. Voorlopige voorziening afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.44860 en NL25.44861 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. A.C. Pool), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Erdal). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 3 juni 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991, heeft een onbekende nationaliteit en is van Palestijnse afkomst. Hij heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij te vrezen heeft voor de discriminatie die hij ervaart in Libanon vanwege zijn Palestijnse afkomst. Palestijnen worden daar namelijk achtergesteld, mishandeld en worden niet in bescherming genomen. Zo is eiser zelf ook een paar keer beroofd, is hem door oplichting geld afgenomen en is hij mishandeld. Een enkele keer is hij zelfs beschoten. Daarnaast zijn de omstandigheden in de vluchtelingenkampen daar erbarmelijk. Humanitaire organisaties zoals de UNWRA kunnen eiser niet helpen. Bij terugkeer vreest eiser wederom gediscrimineerd, mishandeld of zelfs gedood te worden. Het bestreden besluit 3. Verweerder acht het asielrelaas van eiser geloofwaardig, met uitzondering van eisers nationaliteit. Eiser heeft zijn nationaliteit namelijk niet onderbouwd met documenten en eisers onbekende nationaliteit kan ook niet omgezet worden naar staatloos. Daarnaast heeft eiser geen oprechte inspanning geleverd om zijn nationaliteit te staven. Zo is niet gebleken van een poging van eiser om zijn ontbrekende paspoort, waarmee hij het Schengengebied in is gereisd, over te laten komen en heeft eiser hierover wisselend verklaard. Het ontbreken daarvan is voor verweerder ook reden om de asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond. Daarbij kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd omdat hij door meerdere EU-landen is gereisd zonder asiel aan te vragen, hij zijn asielaanvraag in Cyprus niet af heeft gewacht en hij een vervalst identificerend document heeft overgelegd. De discriminatie die eiser heeft ervaren vanwege zijn Palestijnse afkomst, die wordt geloofd, is daarbij niet dusdanig ernstig dat sprake is geweest van vervolging in vluchtelingrechtelijke zin. Eveneens is niet gebleken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Libanon. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor twee jaar opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser te kwader trouw heeft gehandeld ten aanzien van het ontbrekende reisdocument , waardoor verweerder de aanvraag van eiser niet heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Daarbij is het ontbrekende reisdocument inmiddels aan verweerder gestuurd voor onderzoek. Verweerder wacht echter ten onrechte de onderzoeksresultaten hiervan niet af voor het nemen van een besluit, nu verweerder hier zoveel waarde aan hecht. Eiser was van zijn kant in de veronderstelling dat een kopie voldoende was, nu hem niet is gevraagd naar het origineel en zodoende kan hem niet worden tegengeworpen dat hij onvoldoende inspanningen zou hebben verricht. Verder heeft verweerder uit de overgelegde digitale UNRWA familiekaart en bijbehorende QR-code kunnen afleiden dat eiser wel degelijk bij de UNRWA geregistreerd staat, dus als staatloos kan worden aangemerkt en hem een asielvergunning moet worden verleend. Hierbij verwijst eiser naar de werkinstructie (WI) 2020/19 en de informatie van de UNRWA zelf. Eiser heeft het UNRWA werkgebied echter onvrijwillig verlaten, omdat zij hem geen hulp konden bieden. Daarnaast blijkt uit eisers verklaring dat de ondervonden discriminatie, waaronder bedreiging met een wapen en beschoten worden , wel degelijk als vervolging gezien kan worden. Wat is het oordeel van de rechtbank? Nationaliteit/staatloos 5. Eiser betoogt dat hij door verweerder aangemerkt moet worden als staatloos en dat hem, op grond van de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, een asielvergunning verleend moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daartoe echter geen aanleiding hoeven zien. Daartoe is het volgende redengevend. 5.1. Om een Palestijn uit Libanon als staatloos aan te merken, schrijft WI 2020/19 voor dat de vreemdelingen over de volgende documenten moeten beschikken: een Libanees reisdocument voor Palestijnen of een Libanese identiteitskaart voor Palestijnse vluchtelingen, een Libanese geboorteakte en UNRWA-documenten (bijvoorbeeld een UNRWA-familiekaart). Voorwaarde hierbij is dat het om originele documenten gaat die op echtheid kunnen worden beoordeeld, dan wel een origineel afgegeven print (zoals in het geval van een UNRWA Family Composition Printout). Weliswaar heeft eiser een geboorteakte overlegd welke echt is bevonden, maar dat geldt niet voor zijn identiteitskaart voor vluchtelingen. Hiervan is namelijk gebleken dat er wijzigingen zijn aangebracht in de rubriek ‘geloof’ van de kaart en gegevens mechanisch zijn verwijderd. De wijziging is niet voorzien van een waarmerk. Gelet hierop is niet gebleken dat eiser voldoet aan de voorwaarden om als staatloos te worden aangemerkt. De digitale familiekaart wordt overigens in WI 2020/19 geheel niet genoemd als mogelijk (controleerbaar) bewijsmiddel. Het later alsnog overgelegde paspoort van eiser heeft voor verweerder niet tot een ander oordeel hoeven leiden. Hoewel Bureau Documenten in hun verklaring van onderzoek positief is over de echtheid hiervan, hebben zij niets kunnen zeggen over de opmaak en afgifte hiervan. 5.2. Daar komt bij dat om als staatloze te kunnen vallen onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, de vreemdeling tot (kort) voor de asielaanvraag hulp moet hebben gekregen dan wel ingeroepen moet hebben bij de UNRWA en dit buiten zijn wil om is gestopt of dat hij gedwongen is vertrokken. Enkel een registratie bij de UNRWA is derhalve onvoldoende. Eiser heeft hierover verklaard als kind wel hulp te hebben gekregen in de vorm van zorg en onderwijs, maar daarbuiten hij zich niet kan herinneren enige hulp van de UNRWA te hebben gekregen. Hij geeft hierbij zelfs aan dat zij hem geen enkele hulp kunnen bieden. Ook zijn achtergebleven gezins- en familieleden ontvangen volgens hem momenteel geen bijstand of bescherming van de UNRWA.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27822 text/xml public 2026-04-14T15:59:43 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-10 NL25.44860 en NL25.44861 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27822 text/html public 2026-04-14T15:59:12 2026-04-14 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27822 Rechtbank Den Haag , 10-11-2025 / NL25.44860 en NL25.44861 Asiel. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om eiser aan te merken als staatloos. Daarbij is niet gebleken dat de geloofwaardig bevonden discriminatie tot een gegronde vrees voor vervolging moet leiden. Ook is de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Beroep is ongegrond. Voorlopige voorziening afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.44860 en NL25.44861 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. A.C. Pool), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Erdal). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 3 juni 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991, heeft een onbekende nationaliteit en is van Palestijnse afkomst. Hij heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij te vrezen heeft voor de discriminatie die hij ervaart in Libanon vanwege zijn Palestijnse afkomst. Palestijnen worden daar namelijk achtergesteld, mishandeld en worden niet in bescherming genomen. Zo is eiser zelf ook een paar keer beroofd, is hem door oplichting geld afgenomen en is hij mishandeld. Een enkele keer is hij zelfs beschoten. Daarnaast zijn de omstandigheden in de vluchtelingenkampen daar erbarmelijk. Humanitaire organisaties zoals de UNWRA kunnen eiser niet helpen. Bij terugkeer vreest eiser wederom gediscrimineerd, mishandeld of zelfs gedood te worden. Het bestreden besluit 3. Verweerder acht het asielrelaas van eiser geloofwaardig, met uitzondering van eisers nationaliteit. Eiser heeft zijn nationaliteit namelijk niet onderbouwd met documenten en eisers onbekende nationaliteit kan ook niet omgezet worden naar staatloos. Daarnaast heeft eiser geen oprechte inspanning geleverd om zijn nationaliteit te staven. Zo is niet gebleken van een poging van eiser om zijn ontbrekende paspoort, waarmee hij het Schengengebied in is gereisd, over te laten komen en heeft eiser hierover wisselend verklaard. Het ontbreken daarvan is voor verweerder ook reden om de asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond. Daarbij kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd omdat hij door meerdere EU-landen is gereisd zonder asiel aan te vragen, hij zijn asielaanvraag in Cyprus niet af heeft gewacht en hij een vervalst identificerend document heeft overgelegd. De discriminatie die eiser heeft ervaren vanwege zijn Palestijnse afkomst, die wordt geloofd, is daarbij niet dusdanig ernstig dat sprake is geweest van vervolging in vluchtelingrechtelijke zin. Eveneens is niet gebleken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Libanon. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor twee jaar opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser te kwader trouw heeft gehandeld ten aanzien van het ontbrekende reisdocument , waardoor verweerder de aanvraag van eiser niet heeft kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Daarbij is het ontbrekende reisdocument inmiddels aan verweerder gestuurd voor onderzoek. Verweerder wacht echter ten onrechte de onderzoeksresultaten hiervan niet af voor het nemen van een besluit, nu verweerder hier zoveel waarde aan hecht. Eiser was van zijn kant in de veronderstelling dat een kopie voldoende was, nu hem niet is gevraagd naar het origineel en zodoende kan hem niet worden tegengeworpen dat hij onvoldoende inspanningen zou hebben verricht. Verder heeft verweerder uit de overgelegde digitale UNRWA familiekaart en bijbehorende QR-code kunnen afleiden dat eiser wel degelijk bij de UNRWA geregistreerd staat, dus als staatloos kan worden aangemerkt en hem een asielvergunning moet worden verleend. Hierbij verwijst eiser naar de werkinstructie (WI) 2020/19 en de informatie van de UNRWA zelf. Eiser heeft het UNRWA werkgebied echter onvrijwillig verlaten, omdat zij hem geen hulp konden bieden. Daarnaast blijkt uit eisers verklaring dat de ondervonden discriminatie, waaronder bedreiging met een wapen en beschoten worden , wel degelijk als vervolging gezien kan worden. Wat is het oordeel van de rechtbank? Nationaliteit/staatloos 5. Eiser betoogt dat hij door verweerder aangemerkt moet worden als staatloos en dat hem, op grond van de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, een asielvergunning verleend moet worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daartoe echter geen aanleiding hoeven zien. Daartoe is het volgende redengevend. 5.1. Om een Palestijn uit Libanon als staatloos aan te merken, schrijft WI 2020/19 voor dat de vreemdelingen over de volgende documenten moeten beschikken: een Libanees reisdocument voor Palestijnen of een Libanese identiteitskaart voor Palestijnse vluchtelingen, een Libanese geboorteakte en UNRWA-documenten (bijvoorbeeld een UNRWA-familiekaart). Voorwaarde hierbij is dat het om originele documenten gaat die op echtheid kunnen worden beoordeeld, dan wel een origineel afgegeven print (zoals in het geval van een UNRWA Family Composition Printout). Weliswaar heeft eiser een geboorteakte overlegd welke echt is bevonden, maar dat geldt niet voor zijn identiteitskaart voor vluchtelingen. Hiervan is namelijk gebleken dat er wijzigingen zijn aangebracht in de rubriek ‘geloof’ van de kaart en gegevens mechanisch zijn verwijderd. De wijziging is niet voorzien van een waarmerk. Gelet hierop is niet gebleken dat eiser voldoet aan de voorwaarden om als staatloos te worden aangemerkt. De digitale familiekaart wordt overigens in WI 2020/19 geheel niet genoemd als mogelijk (controleerbaar) bewijsmiddel. Het later alsnog overgelegde paspoort van eiser heeft voor verweerder niet tot een ander oordeel hoeven leiden. Hoewel Bureau Documenten in hun verklaring van onderzoek positief is over de echtheid hiervan, hebben zij niets kunnen zeggen over de opmaak en afgifte hiervan. 5.2. Daar komt bij dat om als staatloze te kunnen vallen onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag, de vreemdeling tot (kort) voor de asielaanvraag hulp moet hebben gekregen dan wel ingeroepen moet hebben bij de UNRWA en dit buiten zijn wil om is gestopt of dat hij gedwongen is vertrokken. Enkel een registratie bij de UNRWA is derhalve onvoldoende. Eiser heeft hierover verklaard als kind wel hulp te hebben gekregen in de vorm van zorg en onderwijs, maar daarbuiten hij zich niet kan herinneren enige hulp van de UNRWA te hebben gekregen. Hij geeft hierbij zelfs aan dat zij hem geen enkele hulp kunnen bieden. Ook zijn achtergebleven gezins- en familieleden ontvangen volgens hem momenteel geen bijstand of bescherming van de UNRWA.
Volledig
Dit leidt er toe dat, zelfs al zou op basis van de digitale familiekaart aangenomen worden dat eiser bij de UNRWA geregistreerd staat, dit onvoldoende is om onder de uitsluitingsgrond te vallen, nu uit eisers verklaring niet blijkt dat hij de hulp of bescherming van de UNRWA heeft genoten dan wel ingeroepen. Discriminatie 6. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat de geloofwaardig bevonden discriminatie die eiser heeft verklaard te hebben ervaren, niet tot de conclusie leidt dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Zo heeft eiser kunnen werken en heeft hij toegang gehad tot onderwijs. En hoewel niet kosteloos, heeft eiser medische zorg kunnen verkrijgen. Verder is niet aannemelijk geworden dat de berovingen die eiser heeft meegemaakt te maken hebben met zijn Palestijnse afkomst, nu hij heeft verklaard dat dit ook Libanezen overkomt. Zijn reden om uit Libanon te vertrekken naar Dubai zag daarnaast op de slechte economische situatie in Libanon. Bovendien is eiser meermaals naar Libanon teruggekeerd. Zo is eiser in september 2015 naar Cyprus gegaan en heeft daar asiel aangevraagd, maar is hij na vier maanden vrijwillig teruggekeerd naar Libanon zonder die asielaanvraag af te wachten. Ongeveer zeven jaar later is eiser naar Turkije gegaan. Hij is toen weer teruggekeerd naar Libanon na het aflopen van zijn visum. Als zijn omstandigheden in Libanon inderdaad zo erg zouden zijn geweest als eiser nu stelt, had het in de lijn der verwachtingen gelegen dat hij de uitkomst van zijn eerdere asielaanvraag had afgewacht dan wel niet telkens was teruggekeerd. Van een zeer ernstige vorm van repressie is niet gebleken. Eiser heeft bovendien niet nader onderbouwd waarom de discriminatie die hij heeft ervaren als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag gezien moet worden. Kennelijk ongegrond 7. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is in het aanmeldgehoor van 20 juli 2023 gewezen op het belang van documenten om zijn aanvraag te onderbouwen en hij heeft hierin aangegeven dat hij zijn paspoort naar Nederland zou laten opsturen. Daar heeft eiser ruim een jaar de tijd voor gehad, hetgeen verweerder eiser tegen heeft mogen werpen. Dat eiser inmiddels alsnog zijn paspoort heeft overgelegd neemt niet weg dat eiser dit gedurende de asielprocedure heeft nagelaten, ondanks dat hij hiervan op de hoogte was en hier voldoende tijd voor heeft gehad. Verweerder heeft dit kunnen zien als het opzettelijk achterhouden van identiteitsdocumenten. Conclusie en gevolgen 8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verwezen wordt naar Kamerstuk 34 088, nr. 6 van vergaderjaar 2014-2015, pag. 18 en naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, van 23 oktober 2015, zaaknummer AWB 15/17490 (uitspraak niet gepubliceerd), onder r.o. 7. Verslag aanmeldgehoor Dublin, pag. 4. United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East. Pag. 12. Verwezen wordt naar de pagina ‘Family Registration eCard’ op www.unrwa.org. Verslag nader gehoor, pag. 16 en 17. Verslag nader gehoor, pag. 18. Verslag nader gehoor, pag. 17. Verslag nader gehoor, pag. 18. Verslag nader gehoor, pag. 17. Verslag nader gehoor, pag. 17. Verslag aanmeldgehoor, pag. 6 en 7 en verslag nader gehoor, pag. 5. Verslag aanmeldgehoor, pag. 7 en verslag nader gehoor, pag. 6. Verslag aanmeldgehoor, pag. 5.
Volledig
Dit leidt er toe dat, zelfs al zou op basis van de digitale familiekaart aangenomen worden dat eiser bij de UNRWA geregistreerd staat, dit onvoldoende is om onder de uitsluitingsgrond te vallen, nu uit eisers verklaring niet blijkt dat hij de hulp of bescherming van de UNRWA heeft genoten dan wel ingeroepen. Discriminatie 6. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat de geloofwaardig bevonden discriminatie die eiser heeft verklaard te hebben ervaren, niet tot de conclusie leidt dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Zo heeft eiser kunnen werken en heeft hij toegang gehad tot onderwijs. En hoewel niet kosteloos, heeft eiser medische zorg kunnen verkrijgen. Verder is niet aannemelijk geworden dat de berovingen die eiser heeft meegemaakt te maken hebben met zijn Palestijnse afkomst, nu hij heeft verklaard dat dit ook Libanezen overkomt. Zijn reden om uit Libanon te vertrekken naar Dubai zag daarnaast op de slechte economische situatie in Libanon. Bovendien is eiser meermaals naar Libanon teruggekeerd. Zo is eiser in september 2015 naar Cyprus gegaan en heeft daar asiel aangevraagd, maar is hij na vier maanden vrijwillig teruggekeerd naar Libanon zonder die asielaanvraag af te wachten. Ongeveer zeven jaar later is eiser naar Turkije gegaan. Hij is toen weer teruggekeerd naar Libanon na het aflopen van zijn visum. Als zijn omstandigheden in Libanon inderdaad zo erg zouden zijn geweest als eiser nu stelt, had het in de lijn der verwachtingen gelegen dat hij de uitkomst van zijn eerdere asielaanvraag had afgewacht dan wel niet telkens was teruggekeerd. Van een zeer ernstige vorm van repressie is niet gebleken. Eiser heeft bovendien niet nader onderbouwd waarom de discriminatie die hij heeft ervaren als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag gezien moet worden. Kennelijk ongegrond 7. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is in het aanmeldgehoor van 20 juli 2023 gewezen op het belang van documenten om zijn aanvraag te onderbouwen en hij heeft hierin aangegeven dat hij zijn paspoort naar Nederland zou laten opsturen. Daar heeft eiser ruim een jaar de tijd voor gehad, hetgeen verweerder eiser tegen heeft mogen werpen. Dat eiser inmiddels alsnog zijn paspoort heeft overgelegd neemt niet weg dat eiser dit gedurende de asielprocedure heeft nagelaten, ondanks dat hij hiervan op de hoogte was en hier voldoende tijd voor heeft gehad. Verweerder heeft dit kunnen zien als het opzettelijk achterhouden van identiteitsdocumenten. Conclusie en gevolgen 8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Verwezen wordt naar Kamerstuk 34 088, nr. 6 van vergaderjaar 2014-2015, pag. 18 en naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch, van 23 oktober 2015, zaaknummer AWB 15/17490 (uitspraak niet gepubliceerd), onder r.o. 7. Verslag aanmeldgehoor Dublin, pag. 4. United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East. Pag. 12. Verwezen wordt naar de pagina ‘Family Registration eCard’ op www.unrwa.org. Verslag nader gehoor, pag. 16 en 17. Verslag nader gehoor, pag. 18. Verslag nader gehoor, pag. 17. Verslag nader gehoor, pag. 18. Verslag nader gehoor, pag. 17. Verslag nader gehoor, pag. 17. Verslag aanmeldgehoor, pag. 6 en 7 en verslag nader gehoor, pag. 5. Verslag aanmeldgehoor, pag. 7 en verslag nader gehoor, pag. 6. Verslag aanmeldgehoor, pag. 5.