Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:2782
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,961 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27940
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres]
, V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1978. Zij heeft op 7 januari 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
1.1.
Op 1 november 2022 heeft de minister een voornemen uitgebracht, waarop eiseres op 27 november 2022 heeft gereageerd met een zienswijze. Op 30 januari 2023 heeft de minister een besluit genomen.
1.2.
Het besluit van 30 januari 2023 is op 20 september 2023 ingetrokken.
1.3.
Op 27 maart 2024 heeft de minister een nieuw voornemen uitgebracht. Hierop heeft eiseres gereageerd doormiddel van een zienswijze, op 15 mei 2024.
1.4.
De minister heeft met het bestreden besluit van 20 juni 2024 de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Hiertegen is eiseres in beroep gegaan en ze heeft verzocht om een voorlopige voorziening.
1.5.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft beroep op 24 januari 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep1, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en I. Abdel Gabar als tolk.
1 Zaak NL24.27941.
1.7.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk 2 weken later uitspraak te doen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiseres heeft verklaard dat zij Zimbabwe heeft verlaten vanwege familiebezoek in Nederland. Zij heeft een visum gekregen om haar zus te bezoeken, en haar diploma uitreiking bij te wonen. Eiseres heeft verklaard dat zij in Zimbabwe met regelmaat fysiek en verbaal werd mishandeld door haar echtgenoot, haar zoon leed hier ook onder. Vlak voor haar vertrek heeft zij een scheiding aangevraagd. Bij aankomst in Nederland besefte zij dat zij niet meer terug kon keren. Zij vreest dat haar (inmiddels) ex-man haar zal vermoorden als zij terugkeert naar Zimbabwe. Ook vreest zij voor haar ex-schoonfamilie, die invloedrijke posities bekleedt.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Mishandelingen door haar (ex-)man.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide elementen geloofwaardig worden geacht. Dat eiseres bij terugkeer naar Zimbabwe vreest vermoord te worden door haar ex- man wordt echter niet aannemelijk geacht. De vrees van eiseres voor haar ex-schoonfamilie wordt eveneens niet aannemelijk geacht.
Volledigheid van het dossier
6. Eiseres voert aan dat het dossier ten tijde van het indienen van de zienswijze ten onrechte niet geheel beschikbaar was. Dit is in strijd met het verdedigingsbeginsel.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister heeft ter zitting toegelicht dat het dossier altijd volledig digitaal beschikbaar wordt gesteld, maar dat er een enkele keer iets mis kan gaan in de digitale omgeving. Normaal gesproken neemt (een gemachtigde van) een vreemdeling dan contact op met de minister, zodat het hersteld kan worden. De gemachtigde van eiseres heeft dit tijdens de zitting ook bevestigd, maar volgens haar komt het geregeld voor dat er iets mis is met toegang tot het digitale dossier en zij wil in deze zaak duidelijk maken dat zij het zat is dat zij hierover steeds contact moet opnemen met de minister. De rechtbank is echter van oordeel dat het op de weg van eiseres lag om dit ook in dit geval wel te doen. In dat geval had de minister immers geweten van het probleem in de digitale omgeving en had de minister dit kunnen oplossen. Dat er regelmatig problemen zijn met de digitale omgeving, is de rechtbank niet gebleken. Verder stelt de rechtbank vast dat het voornemen dateert van 27 maart 2024 en het bestreden besluit van 20 juni 2024. In die tijd had eiseres toegang kunnen vragen tot stukken. Ook heeft eiseres de mogelijkheid een aanvullende zienswijze in te dienen en uitstel te vragen voor het indienen van de zienswijze,
als zij daarvoor meer tijd nodig heeft door de digitale problemen. Eiseres heeft dit niet gedaan. Zij heeft een zienswijze ingediend. De minister hoefde onder deze omstandigheden niet erop bedacht te zijn dat er iets mis was met de toegang tot het dossier en de vereiste zorgvuldige voorbereiding van het besluit. Eiseres heeft bovendien niet toegelicht welke stukken ontbraken en wat zij in de zienswijze had willen aanvoeren, maar wat nu niet kon vanwege het ontbreken van toegang tot stukken in het digitaal dossier. Daarbij komt dat eiseres in haar beroepschrift en ter zitting haar bezwaren tegen het bestreden besluit heeft kunnen aanvoeren en toelichten, zodat ook aannemelijk is dat zij niet is geraakt in haar verdediging. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor ex-schoonfamilie
7. Eiseres voert aan dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op de vrees voor de ex-schoonfamilie. In deze procedure is de minister in het voornemen niet ingegaan op de vrees voor de ex-schoonfamilie, waardoor eiseres in de zienswijze hierop niet in is gegaan. In de vorige zienswijze is eiseres echter wel ingegaan op de vrees voor de ex-schoonfamilie. De minister had deze vorige zienswijze ook moeten betrekken bij het nemen van het bestreden besluit.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat, anders dan eiseres stelt, de minister in het voornemen wel is ingegaan op de vrees van eiseres voor haar ex-schoonfamilie. De minister heeft zich in het voornemen op het standpunt gesteld dat deze vrees niet-aannemelijk is. Eiseres heeft in de zienswijze hierop niet gereageerd. Zij heeft op geen enkele wijze betoogt dat de vrees voor haar ex-schoonfamilie wel geloofwaardig is of anderszins opmerkingen gemaakt over haar ex-familie of wat de minister in het voornemen daarover heeft geschreven. De minister heeft in het bestreden besluit daarom terecht overwogen dat eiseres niet ingaat op de uitleg in het voornemen over de aannemelijkheid van haar vrees voor haar ex-schoonfamilie en dat dit daarom niet meer ter discussie staat. Als eiseres het niet eens was met de inhoud van het voornemen over de ex-schoonfamilie, dan had zij dit in de zienswijze moeten aangeven. In dat geval had de minister daarop moeten ingaan in het bestreden besluit. Eiseres is in de zienswijze echter in het geheel niet ingegaan op de ex-schoonfamilie. De minister hoefde in het bestreden besluit niet uit eigen beweging nader te motiveren waarom de vrees voor de ex-schoonfamilie niet aannemelijk wordt bevonden.
7.2.
Voor zover eiseres bedoelt dat de minister bij het bestreden besluit had moeten betrekken wat zij over haar ex-schoonfamilie heeft geschreven in haar zienswijze van 22 november 2022 naar aanleiding van het voornemen van 1 november 2022, volgt de rechtbank dit niet. De minister heeft immers op 27 maart 2024 een nieuw voornemen uitgebracht en eiseres heeft de mogelijkheid gehad om op de inhoud van dat voornemen te reageren. De minister hoefde niet de zienswijze van 22 november 2022 te betrekken bij het bestreden besluit, aangezien die zienswijze ziet op een voornemen dat niet aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor ex-man
8. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Zimbabwe heeft te vrezen voor haar ex- man. Zij kan in Zimbabwe geen bescherming krijgen tegen huiselijk geweld. Bescherming is alleen een papieren werkelijkheid, omdat het wordt gezien als een privé aangelegenheid. Haar ex-man bleef in het huis wonen en woont er mogelijk nog steeds. Over haar scheiding heeft ze verklaard dat dit niet kan worden afgerond vanwege een formeel punt. Er is geen reden om aan haar verklaring te twijfelen. Ook heeft het contactverbod in praktijk geen
waarde.2 Eiseres wijst verder op corruptie van politie en overheid.3 Vlak voor de zitting heeft eiseres een schermafbeelding van een gesprek en een foto op WhatsApp overgelegd die zij via haar moeder heeft ontvangen, waaruit volgens eiseres blijkt dat een man naar haar op zoek is. Dit is volgens eiseres de beheerder van de woning van haar ex-man. Hieruit blijkt dus dat haar ex-man nog steeds naar haar op zoek is.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres haar vrees voor haar ex-man bij terugkeer naar Zimbabwe niet aannemelijk heeft gemaakt. Weliswaar heeft de minister geloofwaardig geacht dat eiseres is mishandeld door haar ex-man, maar de minister heeft terecht erop gewezen dat de ex-man akkoord is gegaan met de scheiding, hij een contactverbod heeft gekregen en niet is gebleken dat eiseres na het contactverbod nog problemen heeft gehad met haar ex-man. Dit heeft eiseres ook zelf verklaard4. Verder heeft de ex-man haar geholpen met de aanvraag van het visum en is hij kennelijk ermee akkoord gegaan dat zij met hun zoon naar Nederland ging.
Conclusie
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen asielvergunning voor bepaalde tijd krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 februari 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.