Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:27761
Civiel recht
Kort geding
7,084 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27761 text/xml public 2026-04-03T13:38:09 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-16 C/09/694352 / KG ZA 25-1106 Uitspraak Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27761 text/html public 2026-04-03T13:37:38 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27761 Rechtbank Den Haag , 16-12-2025 / C/09/694352 / KG ZA 25-1106 Kort geding. Vordering tot ontruiming afgewezen. Onvoldoende grond voor ontruiming in kort geding, vooruitlopend op een definitief oordeel in een bodemprocedure. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/694352 / KG ZA 25-1106 Vonnis in kort geding van 16 december 2025 in de zaak van Woonstichting Stek te Hillegom, eiseres, advocaat mr. Y.F. Rijswijk te Rotterdam, tegen: [naam] , handelend onder de naam Zaya Consultancy te Geertruidenberg, in de hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van de heer [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. D.A. IJpelaar te Den Haag. Partijen worden hierna aangeduid als ‘Stek’, ‘de bewindvoerder’ en ‘ [gedaagde] ’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met daarbij en daarna overgelegde producties 1 tot en met 31; - de door de bewindvoerder overgelegde producties 1 en 2. 1.2. Op 2 december 2025 is de mondelinge behandeling gehouden. Hierbij zijn door de bewindvoerder pleitnotities overgelegd. 1.3. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Stek verhuurt sinds 15 januari 2008 de woning aan de [adres] (hierna: de woning) aan [gedaagde] . 2.2. Sinds 13 april 2016 zijn de (toekomstige) goederen van [gedaagde] onder bewind gesteld. Op 8 mei 2024 is de voormalig bewindvoerder als zodanig ontslagen en is de bewindvoerder benoemd tot bewindvoerder. 2.3. Op 16 februari 2022 heeft Stek een brief gestuurd aan [gedaagde] , waarin zij er op wees dat mensen vanuit de woonomgeving van [gedaagde] hebben laten weten dat zij klachten ervaren van geluidsoverlast van harde muziek, van stankoverlast van roken en van spullen die in de algemene hal worden geplaatst die daar niet horen. In de brief staat dat doel van de brief is om [gedaagde] te informeren over de klachten en hem de gelegenheid te geven de situatie te verbeteren. 2.4. In september 2023 is er contact geweest tussen Stek en [gedaagde] over spullen die op zijn balkon en in de (gemeenschappelijke) galerij stonden. Hierover is een gesprek geweest en Stek heeft hierover op 4, 18, en 20 september 2023 en 2 oktober 2023 brieven verstuurd. 2.5. Begin maart 2024 heeft [gedaagde] geen medewerking verleend aan de installatie door Stek van rookmelders in de woning. 2.6. Bij brief van Stek van 19 maart 2024 is [gedaagde] uitgenodigd voor een gesprek op kantoor van Stek, om meerdere meldingen van overlast die ‘in de afgelopen maanden’ zijn binnengekomen en het gebruik van de algemene ruimte bij de voordeur van [gedaagde] waar ‘in de afgelopen maanden’ contact over is geweest tussen Stek en [gedaagde] te bespreken en daarover afspraken te maken. [gedaagde] is niet verschenen op het gesprek. 2.7. In een e-mail van 1 juni 2024 heeft [gedaagde] aan Stek laten weten dat hij tijdelijk ‘een lage wat lange kast in de binnentuin/patio tegen de muur’ heeft gezet. In de e-mail staat ook nog het volgende: “Ik heb eerlijk gezegd omtrent mijn huidige situatie. Psychische problemen momenteel ook geen zin en behoefte in bemoeienis of uitspraken van een aantal buren die zich ook niet aan de regels en voorschriften houden omtrent veilig wonen. Ik hoor het wel wanneer er problemen of iets in die trant is. Overleg en samenspraak heb ik het liefst via jullie lopen. ” 2.8. Op 19 december 2024 heeft Stek een e-mail van de politie ontvangen naar aanleiding van een bezoek van de politie aan de woning. In de e-mail is de volgende mutatie met Stek gedeeld: ‘Op 19-12-2024 op huisbezoek geweest. Voor de voordeur lag een matras in de hal. De woning lag bezaaid met spullen. De kattenbak zat vol en was vies. De kat had wel water en voer, maar niet het juiste voer. De kat kreeg noedels met komkommer te eten. Kat was zeer mager en verloor regelmatig zijn evenwicht. Geen daglicht in de woning. Het verhaal uitgelegd. Meneer is zeer onvoorspelbaar. Kat is in bes1ag genomen met toestemming van OVJ (…).’ 2.9. Per brief van 10 januari 2025 is [gedaagde] uitgenodigd voor een gesprek op kantoor van Stek op 17 januari 2025 over de onder 2.8 omschreven mutatie van de politie. [gedaagde] is niet op de afspraak verschenen. 2.10. Op 15 januari 2025 is de politie nogmaals in de woning geweest, omdat er zorgen waren over [gedaagde] , die ‘geen gehoor gaf’ . Het slot van de woning is open geboord om binnen te kunnen komen. Over dit incident heeft de politie onder meer als volgt gerapporteerd: ‘Wij, RAPP’s, zagen dat er een matras de in onhygiënische toestand was en tegen de deur lag, waardoor deze deels geblokkeerd was.’ [gedaagde] was niet in de woning, maar kwam bij de woning aan toen de politie ter plaatse was. Hij leek op dat moment onder invloed van alcohol. 2.11. Bij brief van 17 januari 2025 heeft Stek een gedragsaanwijzing aan [gedaagde] gestuurd. Blijkens de tekst van de gedragsaanwijzing is uitgangspunt dat deze een bijlage is bij de huurovereenkomst en door verhuurder en huurder wordt ondertekend. Omdat [gedaagde] niet op de afspraak van 17 januari 2025 is verschenen, heeft hij de gedragsaanwijzing niet ondertekend en is deze eenzijdig opgelegd. Voor zover nu van belang staat er het volgende in de gedragsaanwijzing: ‘(…) - Conform de algemene huurvoorwaarden en artikel 7:213 BW dient u zich als goed huurder te gedragen en het gehuurde te onderhouden zoals een goed huurder betaamt. U schiet tekort in de nakoming van uw verplichtingen uit de huurovereenkomst. U moet vanaf nu die verplichtingen nakomen. en komen het volgende overeen: Woongedrag Huurder veroorzaakt geen overlast, in welke vorm dan ook, aan zijn omwonenden en aan de verhuurder. Huurder draagt zorg voor het schoonhouden van de woning en herstellen van eventuele gebreken door eigen schade. Huurder (en zijn bezoek) heeft geen bezittingen in de vorm van (hard)drugs of andere middelen. Als verhuurder zijn wij genoodzaakt onderstaande afspraken te maken met huurder; - Huurder veroorzaakt geen overlast. Huurder zal zorgdragen dat bezoekers geen overlast veroorzaken. Huurder is verantwoordelijk voor zijn bezoek. - Huurder zal geen overlast veroorzaken in de vorm van harde muziek. - Huurder zal geen overlast veroorzaken in de vorm van schreeuwen. - Huurder zal geen overlast veroorzaken in de vorm van het houden van huisdieren. - Huurder zal zorg dragen voor huisdieren die op bezoek zijn. Wanneer dit niet het geval is, kan verhuurder hierop acteren. - Huurder zal er zorg voor dragen dat bezoekers zich gedragen naar onze huurvoorwaarden. - Huurder zal geen harddrugs of andere verdovende middelen in huis hebben. - Huurder zal zorgdragen dat zijn bezoek geen van bovenstaande zaken en middelen in huis brengt. Overige afspraken Huurder staat huisbezoeken van verhuurder en andere instanties toe, indien dat relevant is in het kader van de naleving van de gemaakte afspraken. - Verhuurder zal minimaal 1 evaluatiemoment inplannen met huurder. (maatwerk) Consequenties bij niet nakomen afspraken Indien huurder zich niet aan het bovenstaande (dan wel aan het bepaalde in de huurovereenkomst en huurvoorwaarden) houdt of onaanvaardbaar gedrag vertoont, zaken of middelen zoals beschreven in deze aanwijzing in huis haalt of overlast veroorzaakt, zal verhuurder overwegen om een gerechtelijke procedure tegen huurder te starten waarin ontbinding van de huurovereenkomst wordt gevorderd. (…)’ 2.12. Op maandag 17 februari 2025 heeft de politie aan Stek laten weten dat zij bij de woning van [gedaagde] was geweest naar aanleiding van een melding van overlast. De meldster had lange tijd last van geschreeuw uit de woning van [gedaagde] . Bij aankomst van de politie was het rustig en was er niets te horen.
Volledig
[gedaagde] deed na een poosje open, er was geen indicatie van onder invloed zijn en na een waarschuwing is de politie weer vertrokken. 2.13. Begin 2025 hadden drie onderburen van [gedaagde] last van lekkage in hun woning. De oorzaak van de lekkage lag in de woning van [gedaagde] , maar hij weigerde mee te werken aan herstel van de lekkage. Bij dagvaarding van 13 maart 2025 heeft Stek een kort geding ten overstaan van de kantonrechter aanhangig gemaakt tegen de bewindvoerder. Stek vorderde medewerking aan onderzoek naar de lekkage en aan werkzaamheden om de lekkage te verhelpen, bij gebreke waarvan de woning tijdelijk zou moeten worden ontruimd voor de duur van het onderzoek naar de lekkage en eventuele werkzaamheden om de lekkage te verhelpen. De bewindvoerder is niet verschenen in het kort geding en bij vonnis van de kantonrechter van 1 april 2025 zijn de vorderingen toegewezen. 2.14. Omdat [gedaagde] ook na het vonnis van de kantonrechter medewerking weigerde, heeft Stek de woning met behulp van de deurwaarder en de politie op 30 april 2025 tijdelijk ontruimd om werkzaamheden uit te kunnen voeren. Stek trof de woning in overvolle en vervuilde staat aan. 2.15. Op 30 september 2025 is op verzoek van [gedaagde] een door Stek ingeschakelde elektricien in de woning geweest, om een storing te verhelpen. De elektricien heeft aan Stek laten weten dat de woning helemaal volstaat met rotzooi. De elektricien kon de storing niet verhelpen, omdat hij daarvoor toegang moest hebben tot de berging, hetgeen [gedaagde] weigerde. 2.16. Op 14 oktober 2025 heeft een omwonende via een online formulier de volgende melding bij Stek gedaan: “Graag wil ik een melding doen over mijn bovenbuurman aan de [adres] . Ik maak me zorgen over zijn gedrag en voel me momenteel niet veilig in mijn woning. Gebeurtenis op 13 oktober 2025: Gisteravond stond mijn bovenbuurman ( [gedaagde] , wonend direct boven mij) plotseling hard op mijn voordeur te bonzen, Hij riep meerdere keren dat hij wist dat ik thuis was en noemde daarbij de naam [.…]. Omdat ik niemand verwachtte en zijn toon dreigend was, heb ik de deur niet geopend. Hij bleef echter doorgaan met schreeuwen en schelden, waaronder grove beledigingen ("kankerhoer"), en riep dat ik naar buiten moest komen omdat hij mij zou "pakken". Ik heb aangegeven dat hij zich vergiste in de persoon, maar hij bleef volhouden dat ik "altijd hetzelfde gezeik veroorzaak", Op dat moment heb ik de politie gebeld. Terwijl ik aan het bellen was, bleef hij nog enige tijd voor mijn deur staan. Gelukkig kwamen twee medebewoners (een buurvrouw en buurman uit het gebouw) naar mijn gang toe, nadat zij via de bewonersapp waren geïnformeerd over de situatie. Toen zij verschenen, is [gedaagde] weggegaan. Kort daarna arriveerde de politie. Zij gaven aan dat ook mijn bovenbuurman had gebeld, waardoor ze al onderweg waren. Ik heb mijn verhaal aan de agenten gedaan. Zij bevestigden dat de man verward overkwam, maar omdat hij op dat moment rustig was, konden zij niet meer doen dan een melding registreren. Achtergrond: De bovenbuurman vertoont al langere tijd verward gedrag. Hij schreeuwt regelmatig midden in de nacht, praat of lacht hysterisch terwijl hij alleen is, en staat soms bij de verkeerde deur te kloppen (ook bij mijn deur). Er komen ook regelmatig onbekende personen bij hem over de vloer die zich verdacht gedragen, Eerder is er sprake geweest van lekkage waarvoor, via de rechter, zijn woning moest worden betreden. De politie adviseerde mij om van deze situatie melding te maken bij Stek én bij het meldpunt zorg en overlast/GGZ, omdat het gedrag al langere tijd aanhoudt en nu ook dreigend is geworden. Verzoek: Graag ontvang ik een terugkoppeling over welke stappen Stek kan ondernemen om deze overlast- en veiligheidsproblemen aan te pakken. Ik hoop dat er samen met zorginstanties naar een structurele oplossing kan worden gekeken, zodat de veiligheid en leefbaarheid in het gebouw kunnen worden gewaarborgd. (…) Ik woon hier sinds [..], vanwege een lekkage. Die is door Stek zelf opgepakt, aangezien ze niet in zijn woning mochten. Daar werd goed naar gehandeld en hoefde ik geen melding voor te maken. Ik hoor hem soms wel schreeuwen en hij of "vrienden" van hem staan wel eens voor de verkeerde deur. Dat is vervelend, maar nog niet het melden waard. Maar nu word ik voor mijn deur bedreigd dat is een ander verhaal. (…)” In de melding staat verder dat de overlast is begonnen op 31 januari 2025, met een frequentie van twee wekelijks, vaak ’s nachts, een uur per keer en dat de overlast per periode verschilt, maar de laatste week steeds meer is. 2.17. Op 24 oktober 2025 heeft Stek namens een omwonende van een sociaal makelaar een e-mail ontvangen over door [gedaagde] veroorzaakte overlast. Namens de omwonende wordt gemeld dat [gedaagde] regelmatig onder invloed is, dat sprake is van luidruchtig gedrag op verschillende tijdstippen, harde muziek en lawaai vanuit de woning, onrust door bezoekers die ook onder invloed zijn en een gevoel van onveiligheid in en rondom haar woning. De omwonende ervaart veel stress van de situatie en ze voelt zich niet meer veilig in haar eigen woning. 2.18. Op 27 oktober 2025 heeft een omwonende telefonisch bij Stek gemeld dat zij in het weekend wederom overlast van [gedaagde] heeft ervaren en dat zij aangifte heeft gedaan bij de politie. 2.19. Bij brief van 27 oktober 2025 aan de bewindvoerder heeft Stek laten weten dat zij de huurrelatie met [gedaagde] wil beëindigen, omdat hij zich al geruime tijd niet aan zijn verplichtingen als verhuurder houdt. Stek heeft aankondigt dat de huurovereenkomst binnen één week na dagtekening van de brief moet worden opgezegd, waarbij een opzegtermijn van maximaal één maand in acht mag worden genomen. Stek wijst erop dat zij een kort geding zal starten als de huurovereenkomst niet wordt opgezegd. Op deze brief is door de bewindvoerder niet gereageerd. [gedaagde] zelf heeft in reactie op de brief per bericht van 30 oktober 2025 laten weten dat er geen huuropzegging zal volgen en dat hij naar zijn mening geen overlast heeft veroorzaakt. Hij stelt dat hij zelf dagelijks en stelselmatig is lastig gevallen. 2.20. Op 3 november 2025 omstreeks 23.00 uur heeft een omwonende via een online formulier bij Stek gemeld dat [gedaagde] in zijn woning aan het schelden is. De betreffende omwonende schrijft dat hij de laatste tijd voor de zekerheid met oordoppen slaapt. In de melding staat verder dat de overlast is begonnen op 30 oktober 2025, met een wekelijkse frequentie en dat de overlast ’s avonds en ’s nachts plaatsvindt. 2.21. Op 18 november 2025 heeft de politie een bestuurlijke rapportage aan Stek verstrekt. In de rapportage staat dat [gedaagde] voor overlast in zijn directe woonomgeving zorgt en er staan relevante incidenten / meldingen genoemd, te beginnen op 8 maart 2024. Voor 8 maart 2024 heeft de politie geen overlastmeldingen geregistreerd met betrekking tot het adres van de woning. In de rapportage staan meldingen met betrekking tot de onder 2.8, 2.12, 2.14, 2.16 en 2.18 omschreven gebeurtenissen. Daarnaast staat er nog het volgende in: 21 oktober 2025: een medewerker van de politie heeft contact gezocht met een maatschappelijk werker van de organisatie ‘voor ieder 1’. De maatschappelijk werker heeft aangegeven dat het slechter gaat met [gedaagde] en dat er hulpverlening voor [gedaagde] loopt van de Brijder en de GGZ. [gedaagde] heeft op 6 oktober 2025, 2 oktober 2025, 29 september 2025, 27 september 2025 en 20 september 2024 zelf meldingen gedaan bij de politie. De strekking van die meldingen was dat hij in de omgeving van zijn woning lastig gevallen / bedreigd wordt. [gedaagde] komt bij die meldingen telkens verward over en hij leek regelmatig onder invloed te verkeren. Op 23 september 2024 heeft een medewerker gesproken met een buurtbewoner die aangaf veel overlast van [gedaagde] te ervaren. Er zou veel sprake zijn van nachtelijk bezoek en een ‘blow lucht’ als [gedaagde] bezoek heeft. Een melding van geluidsoverlast op 8 maart 2024 omstreeks 23.30 uur. De geluidsoverlast is ook door de politie ter plaatse geconstateerd.
Volledig
[gedaagde] leek zwaar onder invloed en kreeg een waarschuwing en een ‘gele kaart’ voor geluidsoverlast. 2.22. Op 1 december 2025 heeft een omwonende telefonisch bij Stek gemeld dat zij die nacht weer veel geluidsoverlast had van [gedaagde] , die ‘alles bij elkaar’ schreeuwde. Hierover is de politie gebeld, die ook is gekomen. 3 Het geschil 3.1. Stek vordert – zakelijk weergegeven – de bewindvoerder, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde] , te veroordelen: I. om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, althans op een door de voorzieningenrechter te bepalen datum, de woning te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken voor zover deze laatste niet het eigendom zijn van Stek, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Stek te stellen, II. met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van de procedure. 3.2. Daartoe voert Stek – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] schiet op meerdere punten tekort in de nakoming van de verplichtingen die hij heeft op grond van de huurovereenkomst. Hij gebruikt de woning als opslagplaats voor spullen en afval, hij stalt spullen in de gemeenschappelijke ruimten, hij werkt niet mee aan het uitvoeren van dringende werkzaamheden en hij veroorzaakt overlast, niet alleen geluidsoverlast maar ook overlast door het bedreigen van buren. De tekortkomingen van [gedaagde] zijn volgens Stek zowel gezamenlijk als afzonderlijk van voldoende gewicht om de huurovereenkomst te ontbinden. De voorzieningenrechter kan in dit kort geding een voorschot nemen op de uitkomst van een bodemprocedure door de gevorderde ontruiming toe te wijzen, omdat het ervoor moet worden gehouden dat in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zullen worden toegewezen. Gelet op de onhoudbare overlastsituatie voor omwonenden – die in angst leven – kan de uitkomst van een bodemprocedure niet worden afgewacht. En daarbij komt dat er geen enkele verbetering in de situatie te verwachten valt. Daarnaast is er een spoedeisend belang omdat voorkomen moet worden dat [gedaagde] zijn overlastgevende gedrag voortzet en een keer daadwerkelijk een omwonende iets aan zal doen. Stek is verantwoordelijk voor de veiligheid van de omwonenden en zowel omwonenden, politie als zorgverleners omschrijven [gedaagde] als verward en zeggen dat hij steeds verder afglijdt. Bovendien moet Stek aan de omwonenden, die tevens haar huurders zijn, gebrekloos huurgenot bieden. Daarbij past niet dat zij worden geconfronteerd met overlast. Stek is op grond van de Woningwet ook verplicht bij te dragen aan de leefbaarheid in buurten en wijken waar haar woongelegenheden zich bevinden. In dit geval is de leefbaarheid in de portiek waar [gedaagde] woont ernstig aangetast door zijn overlastgevende gedrag. Tot slot geldt volgens Stek nog het spoedeisend belang van Stek om de woning op een zo kort mogelijke termijn te kunnen verhuren aan een huurder die zich wél goed gedraagt. 3.3. De bewindvoerder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Toewijzing van een vordering tot ontruiming heeft voor [gedaagde] onomkeerbare gevolgen. De gevorderde ontruiming grijpt diep in in het gebruiksrecht en de huurbescherming van de huurder. Mede daarom moet met een veroordeling tot ontruiming in kort geding, zoals door Stek gevorderd, terughoudend worden omgegaan. Zo’n vordering kan alleen worden toegewezen als in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter die over een vordering tot ontruiming moet oordelen ook tot toewijzing zal komen. Er moet bovendien sprake zijn van een zodanige ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht. Een ontruiming in kort geding, vooruitlopend op een definitief oordeel van de rechter in een (eventuele) bodemprocedure over de ontbinding van de huurovereenkomst, moet vanuit dat perspectief mede berusten op een belangenafweging en moet proportioneel zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan deze vereisten niet is voldaan. Voor dat oordeel is het volgende redengevend. 4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat [gedaagde] de woning al sinds 2008 huurt. Uit de door Stek ingenomen stellingen blijkt dat er bij haar voor het eerst in 2022 meldingen over [gedaagde] zijn binnen gekomen, terwijl bij de Politie pas vanaf begin 2024 meldingen zijn binnengekomen. Zoals de bewindvoerder terecht stelt is dus geen sprake van een huurder die vanaf aanvang van de huurovereenkomst of gedurende een groot deel van de looptijd van de huurovereenkomst overlast veroorzaakt. 4.3. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat het momenteel niet goed gaat met [gedaagde] . Hij kampt kennelijk met psychische problematiek en verslaving. Dit heeft ook gevolgen voor de wijze waarop [gedaagde] zijn verplichtingen op grond van de huurovereenkomst nakomt. Op grond van de door Stek overgelegde meldingen van buren en van de politie is voldoende aannemelijk dat sprake is geweest van geluidsoverlast veroorzaakt door [gedaagde] . [gedaagde] brengt hier tegenin dat hij ook geluidsoverlast van zijn buren ervaart en dat de woningen in het complex gehorig zijn. Hij betwist bovendien dat hij geluidsoverlast veroorzaakt die ontbinding van de huurovereenkomst – en daarop vooruitlopend ontruiming – rechtvaardigt. 4.4. De voorzieningenrechter is met [gedaagde] van oordeel dat binnen het bestek van dit kort geding niet kan worden vastgesteld of de door hem veroorzaakte geluidsoverlast van dien aard is dat deze een ontbinding van de huurovereenkomst en – vooruitlopend daarop – een ontruiming in kort geding rechtvaardigt. De meldingen van de omwonenden zijn anoniem en worden door [gedaagde] betwist. Door de politie is – blijkens de bestuurlijke rapportage – recent geen geluidsoverlast geconstateerd. De politie heeft alleen op 8 maart 2024 zelf geluidsoverlast vastgesteld. Daarnaast blijkt uit de bestuurlijke rapportage met betrekking tot geluidsoverlast dat [gedaagde] op 15 februari 2025 zelf heeft erkend dat hij ‘onrustig’ was geweest, toen de Politie bij de woning was naar aanleiding van een melding van geluidsoverlast. In de melding van 14 oktober 2025 is opgenomen dat de betreffende omwonende [gedaagde] soms wel hoort schreeuwen, maar dat dat niet het melden waard is. Al met al zijn de door Stek overgelegde meldingen van omwonenden en de bestuurlijke rapportage ontoereikend om te concluderen dat sprake is van zodanige door [gedaagde] veroorzaakte geluidsoverlast dat dit een ontruiming in kort geding rechtvaardigt. Naar de werkelijke aard van de geluidsoverlast is nader onderzoek nodig, wat binnen het bestek van een kort geding niet mogelijk is. 4.5. Stek heeft aan de gevorderde ontruiming ook ten grondslag gelegd dat sprake is van het bedreigen van omwonenden en dat zij op dat vlak een zero tolerance beleid voert. Ten aanzien van gedragingen die als bedreigingen kunnen worden aangemerkt is echter slechts gebleken van één incident. Dit betreft het incident op 13 oktober 2025, waarbij [gedaagde] in verwarde toestand op de deur van zijn onderbuurvrouw heeft gebonsd en heeft geschreeuwd en gescholden. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit voor de betrokken omwonende een ingrijpende situatie is geweest, maar een eenmalig incident (van herhaling is kennelijk geen sprake geweest) rechtvaardigt niet een verstrekkende maatregel van ontruiming. 4.6. Ten aanzien van de situatie in de woning van [gedaagde] en het gebruik van de gemeenschappelijke ruimtes door hem kan de voorzieningenrechter niet anders concluderen dan dat deze situatie al langere tijd speelt en dat Stek daar ook al geruime tijd mee bekend is. Zonder nadere, concrete toelichting op dit punt, die achterwege is gebleven, valt niet in te zien dat dit grondslag kan vormen voor toewijzing van de gevorderde ontruiming in kort geding.
Volledig
Hierbij neemt de voorzieningenrechter ook in aanmerking dat niet gebleken is dat momenteel nog sprake is van opslag van spullen in de gemeenschappelijke ruimtes door [gedaagde] , dat een WMO-aanvraag is ingediend om hem ondersteuning te bieden bij het opruimen van zijn woning en dat [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat hij zijn woning zelf al aan het opruimen is. 4.7. Dat op dit moment toegang tot de woning nodig is voor noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden heeft Stek niet gesteld, zodat ook dat geen grond kan zijn voor ontruiming. Bovendien zou voor uit te voeren werkzaamheden een tijdelijke ontruiming van de woning kunnen volstaan, als [gedaagde] inderdaad medewerking weigert. Stek stelt op zichzelf terecht dat van haar niet gevergd kan worden dat zij voor de uitvoering van dringende werkzaamheden telkens een rechtszaak moet starten om medewerking af te dwingen. Indien [gedaagde] herhaaldelijk geen medewerking verleent, is de geëigende weg om een bodemprocedure te starten strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst en kan het door Stek beoogde doel niet worden bereikt door (volledige) ontruiming in kort geding te vorderen. 4.8. Slotsom is dat alle feitelijke grondslagen die Stek aan de vordering tot ontruiming ten grondslag legt niet kunnen leiden tot toewijzing van die vordering, ook niet als die grondslagen in onderlinge samenhang worden bezien. Hierbij neemt de voorzieningenrechter uitdrukkelijk ook in aanmerking dat er volgens Stek al geruime tijd sprake is van een situatie die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, waarbij de buren ook al langere tijd overlast ervaren. Stek heeft niet onderbouwd waarom zij sinds het eerdere kort geding geen stappen heeft gezet om tot rechterlijke ontbinding van de huurovereenkomst te komen en waarom nu sprake is van een situatie waarin de uitkomst van een bodemprocedure niet meer kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter betrekt hierin ook uitdrukkelijk de belangen van [gedaagde] . Een ontruiming is in de praktijk veelal onomkeerbaar en [gedaagde] is – gelet op zijn psychische problematiek en verslaving kwetsbaar, waardoor een ontruiming voor hem uitermate nadelige gevolgen zal kunnen hebben. 4.9. Stek is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de bewindvoerder worden begroot op: - griffierecht € 90,00 - salaris advocaat € 1.107,00 - nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.375,00 4.10. Ter nadere toelichting op voormelde begroting wordt overwogen dat de bewindvoerder heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Een partij met een toevoeging betaalt een lager griffierecht. Gelet hierop wordt Stek veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht en vergoeding van het salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding. Ten slotte vallen onder de proceskosten ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel. In geval van betekening van het vonnis wordt een extra bedrag aan salaris toegekend. De explootkosten van de betekening van het vonnis komen in dit geval niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot bij een partij die op een toevoeging procedeert van rijkswege worden vergoed. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. wijst het door Stek gevorderde af; 5.2. veroordeelt Stek in de proceskosten van de bewindvoerder van € 1.375,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Stek niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Stek € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening. Dit vonnis is gewezen door mr. A.C Bordes en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025. idt Ten aanzien van de melding geluidsoverlast op 26 oktober 2025 staat in de bestuurlijke rapportage nog dat twee medewerkers van de politie geen overlast hebben geconstateerd toen zij ter plaatse kwamen.