Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:27731
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,639 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27731 text/xml public 2026-03-31T10:43:19 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-05 11932362 \ RL EXPL 25-19682 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27731 text/html public 2026-03-31T10:43:10 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27731 Rechtbank Den Haag , 05-12-2025 / 11932362 \ RL EXPL 25-19682 Loonvordering RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag SJ/c Zaaknummer: 11932362 \ RL EXPL 25-19682 Vonnis in kort geding van 5 december 2025 in de zaak van [eisende partij] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. L.H.W.J. Rutten, tegen [gedaagde partij] B.V. , te [plaats 1] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , procederend in persoon. 1 Waar gaat de zaak over? [eisende partij] en [gedaagde partij] zijn een arbeidsovereenkomst overeengekomen per 1 januari 2025 voor de duur van een jaar. [eisende partij] heeft sinds juni 2025 geen loon ontvangen van [gedaagde partij] en vordert betaling daarvan in dit kort geding. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 15 november 2025 met 7 producties, - de mondelinge behandeling van 21 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 3 De feiten 3.1. [eisende partij] is per 1 januari 2025 in dienst bij [gedaagde partij] als oproepkracht in de functie van leerling beveiliger tegen een uurloon van € 17,68 bruto exclusief 8% bruto vakantietoeslag. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 12 maanden wat betekent dat de laatste dag van het dienstverband 31 december 2025 is. 3.2. In de maanden januari tot en met juni heeft [eisende partij] werkzaamheden verricht via [bedrijfsnaam] , die functioneerde als opdrachtgever van [gedaagde partij] . Tot half mei werd zij ingezet bij PI [plaats 2] en daarna bij PI [plaats 3] . Hiernaast volgende zij ook een wettelijk verplichte opleiding. 3.3. 24 juni 2025 is de laatste dag dat [eisende partij] voor [bedrijfsnaam] heeft gewerkt. Op 25 juni 2025 heeft zij zich ziekgemeld bij [bedrijfsnaam] en kreeg zij van [bedrijfsnaam] te horen dat zij niet meer welkom was bij PI [plaats 3] . 3.4. Per 1 juli 2025 was zij weer beter, maar het is haar niet gelukt om na 25 juni 2025 nog in contact te komen met [bedrijfsnaam] dan wel [gedaagde partij] over het uitvoeren van werkzaamheden. 3.5. Op 21 juli 2025 heeft [eisende partij] een scooterongeluk gehad, op basis waarvan haar gemachtigde haar op 24 juli 2025 opnieuw heeft ziekgemeld bij [gedaagde partij] . 3.6. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] op 8 juni voor het laatst salaris uitgekeerd. Dit betrof loon voor [eisende partij] ’s werkzaamheden in de maand mei en 8% vakantietoeslag. 4 Het geschil 4.1. [eisende partij] vraagt bij voorlopige voorziening – samengevat – betaling van haar loon vanaf juni 2025 tot en met het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigt, met een wettelijke verhoging van 50%, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, de overige emolumenten en de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid en proceskosten. Ook vordert zij de salarisspecificaties over de maanden juni tot heden. 4.2. [eisende partij] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de door haar in juni gewerkte uren als achterstallig loon uitbetaald dienen te worden en dat zij vanaf 25 juni 2025 recht heeft op doorbetaling van het salaris op basis van het rechtsvermoeden dat de arbeidsomvang 32,74 uur per week bedraagt. Ter onderbouwing verwijst zij naar de wekelijkse urencontrole-overzichten van [bedrijfsnaam] van januari 2025 tot en met juni 2025. Vanwege haar arbeidsongeschiktheid van 25 juni 2025 tot en met 30 juni 2025 en van 21 juli 2025 tot heden, dient het loon over die periodes voor 70 % te worden doorbetaald. 4.3. [gedaagde partij] betwist dat zij na juni 2025 nog loon verschuldigd is. Partijen zijn een nulurencontract overeengekomen, wat betekent dat als [gedaagde partij] [eisende partij] niet inzet, zij [eisende partij] ook geen loon hoeft te betalen. Bovendien heeft [gedaagde partij] € 1.500 aan [bedrijfsnaam] moeten betalen voor [eisende partij] ’s opleiding, dat bedrag is ingehouden op het loon van juni 2025. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. De vorderingen in dit kort geding kunnen alleen worden toegewezen als [eisende partij] spoedeisend belang heeft. Bij een loonvordering, zoals in deze zaak aan de orde, volgt het spoedeisend belang uit de aard daarvan. [gedaagde partij] heeft dit ook niet betwist. 5.2. Verder is voor toewijzing van de vorderingen in dit kort geding vereist dat de aan die vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vorderingen in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zullen worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Niet uitbetaalde uren juni 5.3. Vaststaat dat [eisende partij] van 1 juni tot en met 24 juni 2025 72 uur aan werkzaamheden heeft verricht en dat zij daar niet voor is betaald. 5.4. Tussen partijen staat bovendien vast dat de opleiding die [eisende partij] volgt wettelijk verplicht is. Uit artikel 9.1 van de arbeidsovereenkomst volgt dat wettelijk verplichte scholing voor de werknemer kosteloos is. Dit betekent dat [gedaagde partij] deze kosten niet had mogen inhouden op het salaris van [eisende partij] . 5.5. Op grond van artikel 5 van de arbeidsovereenkomst is de loonvordering van [eisende partij] dan ook toewijsbaar voor zover die ziet op de door haar in juni gewerkte uren tegen een bedrag van € 17,68 bruto per uur. Dit komt neer op een bedrag van € 1.272,96 bruto, te vermeerderen met 8% bruto vakantiegeld. Betaling loon, vakantietoeslag en emolumenten vanaf 25 juni 2025 5.6. Vaststaat dat [eisende partij] en [gedaagde partij] een nulurencontract zijn overeengekomen en dat [eisende partij] sinds 25 juni 2025 niet meer is opgeroepen. In principe betekent een dergelijk contract dat [eisende partij] geen recht heeft om opgeroepen te worden, tenzij een structuur in de oproepen is ontstaan en/of de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt. Daarvan is in dit geval sprake. De door [eisende partij] gewerkte uren, de weinige variatie in het rooster en het structuur daarvan zijn door [gedaagde partij] onweersproken. [eisende partij] is echter bij de berekening van de arbeidsomvang uitgegaan van de periode 1 januari tot en met 24 juni 2025. Volgens artikel 7:610b BW dient te worden uitgegaan van het gemiddelde loon over de laatste drie maanden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere dan de wettelijke referteperiode. In het geval van [eisende partij] gaat het dus om 24 maart tot en met 24 juni 2025. Uit de door [eisende partij] ingediende urencontrole-overzichten blijkt dat zij over deze periode gemiddeld 122,33 uur per maand heeft gewerkt. Dit komt neer op een bruto loon van € 2.162,74 per maand. De kantonrechter wijst de vordering tot doorbetaling van het loon vanaf 25 juni 2025 voor deze arbeidsomvang in beginsel toe. 5.7. Over de periode 1 juli tot en met 20 juli was [eisende partij] beschikbaar voor het verrichten van werkzaamheden, want zij was weer beter, maar zij werd niet opgeroepen door [gedaagde partij] . Ook als een werknemer geen arbeid verricht, is de werkgever verplicht om het zogenaamde naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen. [gedaagde partij] ging er dus onterecht vanuit dat als [eisende partij] niet werkte, zij [eisende partij] ook niet hoefde te betalen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27731 text/xml public 2026-04-07T11:23:29 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-05 11932362 \ RL EXPL 25-19682 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl VAAN-AR-Updates.nl 2026-0514 AR-Updates.nl 2026-0514 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27731 text/html public 2026-03-31T10:43:10 2026-03-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27731 Rechtbank Den Haag , 05-12-2025 / 11932362 \ RL EXPL 25-19682 Loonvordering RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag SJ/c Zaaknummer: 11932362 \ RL EXPL 25-19682 Vonnis in kort geding van 5 december 2025 in de zaak van [eisende partij] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. L.H.W.J. Rutten, tegen [gedaagde partij] B.V. , te [plaats 1] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , procederend in persoon. 1 Waar gaat de zaak over? [eisende partij] en [gedaagde partij] zijn een arbeidsovereenkomst overeengekomen per 1 januari 2025 voor de duur van een jaar. [eisende partij] heeft sinds juni 2025 geen loon ontvangen van [gedaagde partij] en vordert betaling daarvan in dit kort geding. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 15 november 2025 met 7 producties, - de mondelinge behandeling van 21 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 3 De feiten 3.1. [eisende partij] is per 1 januari 2025 in dienst bij [gedaagde partij] als oproepkracht in de functie van leerling beveiliger tegen een uurloon van € 17,68 bruto exclusief 8% bruto vakantietoeslag. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van 12 maanden wat betekent dat de laatste dag van het dienstverband 31 december 2025 is. 3.2. In de maanden januari tot en met juni heeft [eisende partij] werkzaamheden verricht via [bedrijfsnaam] , die functioneerde als opdrachtgever van [gedaagde partij] . Tot half mei werd zij ingezet bij PI [plaats 2] en daarna bij PI [plaats 3] . Hiernaast volgende zij ook een wettelijk verplichte opleiding. 3.3. 24 juni 2025 is de laatste dag dat [eisende partij] voor [bedrijfsnaam] heeft gewerkt. Op 25 juni 2025 heeft zij zich ziekgemeld bij [bedrijfsnaam] en kreeg zij van [bedrijfsnaam] te horen dat zij niet meer welkom was bij PI [plaats 3] . 3.4. Per 1 juli 2025 was zij weer beter, maar het is haar niet gelukt om na 25 juni 2025 nog in contact te komen met [bedrijfsnaam] dan wel [gedaagde partij] over het uitvoeren van werkzaamheden. 3.5. Op 21 juli 2025 heeft [eisende partij] een scooterongeluk gehad, op basis waarvan haar gemachtigde haar op 24 juli 2025 opnieuw heeft ziekgemeld bij [gedaagde partij] . 3.6. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] op 8 juni voor het laatst salaris uitgekeerd. Dit betrof loon voor [eisende partij] ’s werkzaamheden in de maand mei en 8% vakantietoeslag. 4 Het geschil 4.1. [eisende partij] vraagt bij voorlopige voorziening – samengevat – betaling van haar loon vanaf juni 2025 tot en met het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigt, met een wettelijke verhoging van 50%, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, de overige emolumenten en de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid en proceskosten. Ook vordert zij de salarisspecificaties over de maanden juni tot heden. 4.2. [eisende partij] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de door haar in juni gewerkte uren als achterstallig loon uitbetaald dienen te worden en dat zij vanaf 25 juni 2025 recht heeft op doorbetaling van het salaris op basis van het rechtsvermoeden dat de arbeidsomvang 32,74 uur per week bedraagt. Ter onderbouwing verwijst zij naar de wekelijkse urencontrole-overzichten van [bedrijfsnaam] van januari 2025 tot en met juni 2025. Vanwege haar arbeidsongeschiktheid van 25 juni 2025 tot en met 30 juni 2025 en van 21 juli 2025 tot heden, dient het loon over die periodes voor 70 % te worden doorbetaald. 4.3. [gedaagde partij] betwist dat zij na juni 2025 nog loon verschuldigd is. Partijen zijn een nulurencontract overeengekomen, wat betekent dat als [gedaagde partij] [eisende partij] niet inzet, zij [eisende partij] ook geen loon hoeft te betalen. Bovendien heeft [gedaagde partij] € 1.500 aan [bedrijfsnaam] moeten betalen voor [eisende partij] ’s opleiding, dat bedrag is ingehouden op het loon van juni 2025. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. De vorderingen in dit kort geding kunnen alleen worden toegewezen als [eisende partij] spoedeisend belang heeft. Bij een loonvordering, zoals in deze zaak aan de orde, volgt het spoedeisend belang uit de aard daarvan. [gedaagde partij] heeft dit ook niet betwist. 5.2. Verder is voor toewijzing van de vorderingen in dit kort geding vereist dat de aan die vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vorderingen in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zullen worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Niet uitbetaalde uren juni 5.3. Vaststaat dat [eisende partij] van 1 juni tot en met 24 juni 2025 72 uur aan werkzaamheden heeft verricht en dat zij daar niet voor is betaald. 5.4. Tussen partijen staat bovendien vast dat de opleiding die [eisende partij] volgt wettelijk verplicht is. Uit artikel 9.1 van de arbeidsovereenkomst volgt dat wettelijk verplichte scholing voor de werknemer kosteloos is. Dit betekent dat [gedaagde partij] deze kosten niet had mogen inhouden op het salaris van [eisende partij] . 5.5. Op grond van artikel 5 van de arbeidsovereenkomst is de loonvordering van [eisende partij] dan ook toewijsbaar voor zover die ziet op de door haar in juni gewerkte uren tegen een bedrag van € 17,68 bruto per uur. Dit komt neer op een bedrag van € 1.272,96 bruto, te vermeerderen met 8% bruto vakantiegeld. Betaling loon, vakantietoeslag en emolumenten vanaf 25 juni 2025 5.6. Vaststaat dat [eisende partij] en [gedaagde partij] een nulurencontract zijn overeengekomen en dat [eisende partij] sinds 25 juni 2025 niet meer is opgeroepen. In principe betekent een dergelijk contract dat [eisende partij] geen recht heeft om opgeroepen te worden, tenzij een structuur in de oproepen is ontstaan en/of de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt. Daarvan is in dit geval sprake. De door [eisende partij] gewerkte uren, de weinige variatie in het rooster en het structuur daarvan zijn door [gedaagde partij] onweersproken. [eisende partij] is echter bij de berekening van de arbeidsomvang uitgegaan van de periode 1 januari tot en met 24 juni 2025. Volgens artikel 7:610b BW dient te worden uitgegaan van het gemiddelde loon over de laatste drie maanden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om uit te gaan van een andere dan de wettelijke referteperiode. In het geval van [eisende partij] gaat het dus om 24 maart tot en met 24 juni 2025. Uit de door [eisende partij] ingediende urencontrole-overzichten blijkt dat zij over deze periode gemiddeld 122,33 uur per maand heeft gewerkt. Dit komt neer op een bruto loon van € 2.162,74 per maand. De kantonrechter wijst de vordering tot doorbetaling van het loon vanaf 25 juni 2025 voor deze arbeidsomvang in beginsel toe. 5.7. Over de periode 1 juli tot en met 20 juli was [eisende partij] beschikbaar voor het verrichten van werkzaamheden, want zij was weer beter, maar zij werd niet opgeroepen door [gedaagde partij] . Ook als een werknemer geen arbeid verricht, is de werkgever verplicht om het zogenaamde naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen. [gedaagde partij] ging er dus onterecht vanuit dat als [eisende partij] niet werkte, zij [eisende partij] ook niet hoefde te betalen.
Volledig
Omdat er sprake is van een rechtsvermoeden van een arbeidsomvang van 122,33 uur per maand, en BSH de stellingen die daaraan te grondslag liggen onbetwist heeft gelaten, moet [gedaagde partij] het loon op basis van die arbeidsomvang aan [eisende partij] uitkeren, ook al heeft zij geen werkzaamheden verricht. Dit betekent dat van 1 tot en met 20 juli 2025 een bedrag van € 2.162,74 / 31 x 20 = € 1.395,32 aan bruto loon, te vermeerderen met 8% bruto vakantiegeld toewijsbaar is. 5.8. Over de periode 25 juni tot en met 30 juni 2025 en de periode vanaf 21 juli 2025 tot op heden is [eisende partij] arbeidsongeschikt. Ook als een werknemer ziek is, behoudt de werknemer recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Dit betekent dat een bedrag van maximaal 70% aan loon toewijsbaar is voor die periodes op basis van de voornoemde arbeidsomvang. In juni gaat het dan om € 2.162,74 / 30 x 6 = € 432,55 x 70% = € 302,78 bruto loon. In juli om € 2.162,74 / 31 x 11 = € 767,42 x 70% = € 537,20 bruto loon. Vanaf augustus tot het einde van de arbeidsovereenkomst om € 2.162,74 x 70% = € 1.513,92 bruto loon per maand voor zolang [eisende partij] arbeidsongeschikt is. Al deze bedragen te vermeerderen met 8% bruto vakantiegeld. Het gevorderde toekomstig loon wordt daarmee toegewezen zolang de arbeidsovereenkomst duurt en de loonbetalingsverplichting geldt. Reden hiervoor is dat er gegronde vrees is dat [gedaagde partij] het loon van [eisende partij] niet zal betalen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] namelijk aangegeven voornemens te zijn de BV te liquideren. 5.9. Wat de overige emolumenten betreft geldt dat [gedaagde partij] deze ook aan [eisende partij] dient te voldoen vanaf 21 juli 2025, zoals gevorderd en niet betwist. De periode dat [eisende partij] afgelopen zomer op vakantie is geweest, dient wel van de door haar opgebouwde vakantiedagen afgehaald te worden. Salarisspecificaties 5.10. Omdat de loonvorderingen worden toegewezen, dient [gedaagde partij] [eisende partij] ook bruto/netto salarisspecificaties over de maanden juni tot en met december 2025 te verstrekken. [eisende partij] heeft de gevorderde dwangsom niet nader onderbouwd, waardoor deze wordt afgewezen. Wettelijke verhoging, wettelijke rente, BIK en proceskosten 5.11. De door [eisende partij] gevorderde wettelijke verhoging zal als onbetwist worden toegewezen over het toewijsbare achterstallige loon. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval, waarbij [gedaagde partij] ervan overtuigd was niets meer aan [eisende partij] verschuldigd te zijn vanwege het nulurencontract, aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 25%. 5.12. De wettelijke rente is tevens onbetwist toewijsbaar vanaf de verschuldigdheid van de respectieve loontermijnen tot de voldoening daarvan. 5.13. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan. 5.14. [gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 149,02 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 814,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.355,02 6 De beslissing De kantonrechter 6.1. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen: een bedrag van € 1.272,96 aan bruto loon over de periode 1 juni tot en met 24 juni 2025, een bedrag van € 302,78 aan bruto loon over de periode 25 juni tot en met 30 juni 2025, een bedrag van € 1.395,32 aan bruto loon over de periode 1 juli tot en met 20 juli 2025, een bedrag van € 537,20 aan bruto loon over de periode 22 juli tot en met 31 juli 2025, en vanaf augustus 2025 tot en met het einde van de arbeidsovereenkomst een bedrag van € 1.513,92 aan bruto loon per maand voor zolang [eisende partij] arbeidsongeschikt is, dan wel een bedrag van € 2.162,74 aan bruto loon per maand vanaf het moment dat zij weer arbeidsgeschikt is; alle bedragen te vermeerderen met 8% bruto vakantiegeld en over de maanden juli tot en met november 2025 te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de verschuldigdheid van de respectieve loontermijnen, tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] de overige emolumenten te betalen vanaf 21 juli 2025 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, 6.3. veroordeelt [gedaagde partij] om binnen 10 werkdagen na de betekening van het vonnis aan [eisende partij] deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties te verstrekken over de maanden juni tot en met heden, 6.4. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.355,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.6. weigert de gevraagde voorziening voor het overige. Dit vonnis is gewezen door mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
Volledig
Omdat er sprake is van een rechtsvermoeden van een arbeidsomvang van 122,33 uur per maand, en BSH de stellingen die daaraan te grondslag liggen onbetwist heeft gelaten, moet [gedaagde partij] het loon op basis van die arbeidsomvang aan [eisende partij] uitkeren, ook al heeft zij geen werkzaamheden verricht. Dit betekent dat van 1 tot en met 20 juli 2025 een bedrag van € 2.162,74 / 31 x 20 = € 1.395,32 aan bruto loon, te vermeerderen met 8% bruto vakantiegeld toewijsbaar is. 5.8. Over de periode 25 juni tot en met 30 juni 2025 en de periode vanaf 21 juli 2025 tot op heden is [eisende partij] arbeidsongeschikt. Ook als een werknemer ziek is, behoudt de werknemer recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Dit betekent dat een bedrag van maximaal 70% aan loon toewijsbaar is voor die periodes op basis van de voornoemde arbeidsomvang. In juni gaat het dan om € 2.162,74 / 30 x 6 = € 432,55 x 70% = € 302,78 bruto loon. In juli om € 2.162,74 / 31 x 11 = € 767,42 x 70% = € 537,20 bruto loon. Vanaf augustus tot het einde van de arbeidsovereenkomst om € 2.162,74 x 70% = € 1.513,92 bruto loon per maand voor zolang [eisende partij] arbeidsongeschikt is. Al deze bedragen te vermeerderen met 8% bruto vakantiegeld. Het gevorderde toekomstig loon wordt daarmee toegewezen zolang de arbeidsovereenkomst duurt en de loonbetalingsverplichting geldt. Reden hiervoor is dat er gegronde vrees is dat [gedaagde partij] het loon van [eisende partij] niet zal betalen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde partij] namelijk aangegeven voornemens te zijn de BV te liquideren. 5.9. Wat de overige emolumenten betreft geldt dat [gedaagde partij] deze ook aan [eisende partij] dient te voldoen vanaf 21 juli 2025, zoals gevorderd en niet betwist. De periode dat [eisende partij] afgelopen zomer op vakantie is geweest, dient wel van de door haar opgebouwde vakantiedagen afgehaald te worden. Salarisspecificaties 5.10. Omdat de loonvorderingen worden toegewezen, dient [gedaagde partij] [eisende partij] ook bruto/netto salarisspecificaties over de maanden juni tot en met december 2025 te verstrekken. [eisende partij] heeft de gevorderde dwangsom niet nader onderbouwd, waardoor deze wordt afgewezen. Wettelijke verhoging, wettelijke rente, BIK en proceskosten 5.11. De door [eisende partij] gevorderde wettelijke verhoging zal als onbetwist worden toegewezen over het toewijsbare achterstallige loon. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval, waarbij [gedaagde partij] ervan overtuigd was niets meer aan [eisende partij] verschuldigd te zijn vanwege het nulurencontract, aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 25%. 5.12. De wettelijke rente is tevens onbetwist toewijsbaar vanaf de verschuldigdheid van de respectieve loontermijnen tot de voldoening daarvan. 5.13. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan. 5.14. [gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 149,02 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 814,00 - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.355,02 6 De beslissing De kantonrechter 6.1. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen: een bedrag van € 1.272,96 aan bruto loon over de periode 1 juni tot en met 24 juni 2025, een bedrag van € 302,78 aan bruto loon over de periode 25 juni tot en met 30 juni 2025, een bedrag van € 1.395,32 aan bruto loon over de periode 1 juli tot en met 20 juli 2025, een bedrag van € 537,20 aan bruto loon over de periode 22 juli tot en met 31 juli 2025, en vanaf augustus 2025 tot en met het einde van de arbeidsovereenkomst een bedrag van € 1.513,92 aan bruto loon per maand voor zolang [eisende partij] arbeidsongeschikt is, dan wel een bedrag van € 2.162,74 aan bruto loon per maand vanaf het moment dat zij weer arbeidsgeschikt is; alle bedragen te vermeerderen met 8% bruto vakantiegeld en over de maanden juli tot en met november 2025 te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de verschuldigdheid van de respectieve loontermijnen, tot de dag van volledige betaling, 6.2. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] de overige emolumenten te betalen vanaf 21 juli 2025 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, 6.3. veroordeelt [gedaagde partij] om binnen 10 werkdagen na de betekening van het vonnis aan [eisende partij] deugdelijke bruto/netto salarisspecificaties te verstrekken over de maanden juni tot en met heden, 6.4. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.355,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.6. weigert de gevraagde voorziening voor het overige. Dit vonnis is gewezen door mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.