Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:27718
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
24,200 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:27718 text/xml public 2026-03-24T15:23:08 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-24 674176 / 24-894 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Tussenuitspraak NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27718 text/html public 2026-03-24T15:22:30 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27718 Rechtbank Den Haag , 24-12-2025 / 674176 / 24-894 Tussenvonnis. Belemmeringenwet Privaatrecht. Schadebegroting. Zoveel mogelijk concrete schadeberekening; voordeelsverrekening. BP kent geen bepaling als art. 50 lid 4 Onteigeningswet zodat proceskosten berekend moeten worden op grond van het gewone regime van de artikelen 237 e.v. Rv en 6:96 BW. RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/674176 / HA ZA 24-894 Vonnis van 24 december 2025 in de zaak van BEDRIJVENSCHAP HARNASCHPOLDER , te Schipluiden, eisende partij, hierna te noemen: het Bedrijvenschap, advocaat: mr. J.S. Procee, tegen TENNET TSO B.V. , te Arnhem, gedaagde partij, hierna te noemen: TenneT, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans. 1 Samenvatting 1.1. Deze procedure draait om de vergoeding die het Bedrijvenschap toekomt voor de schade die zij lijdt door de gedoogbeschikking die inhoudt dat het de aanleg en instandhouding van de 380 kV-hoogspanningslijn tussen Wateringen en Zoetermeer van TenneT op en boven zijn percelen moet gedogen. 1.2. Het Bedrijvenschap stelt dat zijn plannen voor de realisatie van een hoogwaardig bedrijventerrein in de Harnaschpolder door de gedoogbeschikking niet konden worden uitgevoerd, en dat het voor een alternatieve en schadebeperkende uitvoering van deze plannen een aantal woningen heeft moeten onteigenen. TenneT meent dat de oorspronkelijke plannen van het Bedrijvenschap om andere redenen dan de gedoogbeschikking niet realiseerbaar waren en dat onteigening van de woningen ter beperking van de schade niet nodig was. 1.3. Voordat hij deze zaak naar de meervoudige kamer van Team Handel verwees, heeft de kantonrechter drie deskundigen benoemd om de door het Bedrijvenschap geleden schade te begroten. De drie deskundigen hebben inmiddels een gezamenlijk rapport en een aanvullende notitie opgesteld, waarop partijen gefaseerd hebben gereageerd. 1.4. In dit tussenvonnis neemt de rechtbank een groot deel van de bevindingen van de deskundigen over, waaronder de uitgangspunten van een zoveel mogelijk concrete schadeberekening, het verrekenen van de voordelen van het vervallen van de 150 kV-verbinding en de gemiddelde marktconforme grondprijs. Anders dan de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat 25% van de kosten voor amotie van de woningen aan de Harnaskade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is voornemens de deskundigen op dit punt om een aanvullend advies te vragen; partijen mogen zich over dit voornemen uitlaten. Ten aanzien van de schade vanwege de niet gerealiseerde uitgifte van grond volgt de rechtbank de deskundigen niet op het punt van de aftrek voor het rendabel exploiteren van DHG-fase2; de rechtbank overweegt om de deskundigen te vragen een nieuwe berekening op andere uitgangspunten te maken. Ook acht de rechtbank het debat over de watercompensatie en de verrekening daarvan onvoldragen. Over beide punten kunnen partijen zich eerst nog uitlaten. Verder is de rechtbank van oordeel dat bij het vervallen van de 150 kV-verbinding geen 30.000 m2 maar 25.000 m2 uitgeefbare grond vrijkwam, zodat het te verrekenen voordeel navenant lager uitvalt. Ook gaat de rechtbank uit van een andere peildatum vanaf welk moment het voordeel genoten is. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de Belemmeringenwet Privaatrecht geen bepaling als artikel 50 lid 4 Onteigeningswet kent, zodat de proceskosten berekend moeten worden op basis van het gewone regime van de artikelen 6:96 BW en 237 e.v. Rv. Daarmee komt de rechtbank op de volgende voorlopige schadebegroting: [italic gearceerd is anders dan deskundigen] Waardevermindering gronden met dubbelbestemming € 3.539.401,50 Schade vanwege niet gerealiseerde uitgifte van grond € PM Waardevermindering wegens vervallen reclamemast € 882.445,00 Kosten amotie woningen Harnaschkade (20%) € PM Redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW € 240.201,20 Af: Voordeelverrekening vervallen 150 kV-verbinding € 2.902.500,00 Totaal € PM De definitief vast te stellen schadebedragen zijn nog te vermeerderen met de wettelijke rente daarover volgens de systematiek als uiteengezet in Bijlage 4 bij de notitie van de deskundigen van 19 juni 2025, met uitzondering van de peildatum van het genoten voordeel, dat volgens de rechtbank pas per 27 juni 2017 is genoten. 2 Plan van behandeling 2.1. Dit vonnis is als volgt opgebouwd. 2.2. De rechtbank zal eerst beschrijven wat er sinds het vorige tussenvonnis is gebeurd (§3). Dan zal zij kort weergeven van welke feiten de rechtbank bij de beoordeling uitgaat (§4), welke vorderingen van het Bedrijvenschap zij moet beoordelen en welke verweren TenneT daartegen heeft gevoerd (§5). Vervolgens zal de rechtbank de bevindingen van de deskundigen kort weergeven en benoemen welke onderwerpen nog ter discussie staan (§6). Elk van de nog ter discussie staande onderwerpen zal de rechtbank in een aparte paragraaf bespreken (§7-12), evenals de renteberekening (§13) en de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en proceskosten die het Bedrijvenschap heeft gemaakt (§14). Het vonnis sluit af met de beslissing (§15). 3 De verdere procedure 3.1. Aan het procesdossier zijn sinds het tussenvonnis van 15 januari 2025 de volgende documenten toegevoegd: - akte van het Bedrijvenschap met producties 10-12 ingekomen op 30 april 2025, - akte van TenneT met producties ingekomen op 9 mei 2025, - akte van het Bedrijvenschap met producties ingekomen op 12 mei 2025, - de spreekaantekeningen van de advocaten voor de zitting van 22 mei 2025, - de akte van het Bedrijvenschap met producties van 12 juni 2025, - de akte van het Bedrijvenschap met producties van 18 juni 2025, - de akte van TenneT met productie van 18 juni 2025, - de notitie van de deskundigen met aanvullingen/ correcties op het deskundigenrapport ingekomen op 19 juni 2025 (de aanvullende notitie), - de brief van mr. Vermeulen van 25 juni 2025 met een aanvullende kostenopgaaf van deskundigen, - akte van het Bedrijvenschap met producties van 23 juli 2025, - de akte van TenneT met producties van 23 juli 2025, - het bezwaar van Tennet tegen de niet op voorhand besproken producties van het Bedrijvenschap bij de akte van 23 juli 2025, - de antwoordakte van TenneT van 17 september 2025. 3.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025. Partijen zijn verschenen, vergezeld van hun advocaten. Aanwezig waren ook de drie deskundigen. Partijen hebben hun standpunten over het deskundigenrapport kenbaar gemaakt aan de hand van spreekaantekeningen. De deskundigen hebben vervolgens vragen van partijen en de rechtbank beantwoord. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hebben op elkaar en de deskundigen kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. 3.3. Naar aanleiding van het gesprek ter zitting hebben de deskundigen hun rapport aangevuld met de aanvullende notitie, en hebben partijen aanvullende informatie ingediend. De notitie [architect] – waarnaar zowel partijen als de deskundigen in hun stukken hadden verwezen en die de rechtbank bij de nader ingediende stukken had verwacht – heeft de rechtbank zelf op de website van de Gemeente Midden-Delfland gevonden. Partijen hebben in de akten van 23 juli 2025 op al deze documenten mogen reageren. 3.4. Het Bedrijvenschap heeft bij de akte van 23 juli 2025 nadere producties gevoegd die niet al tijdens de mondelinge behandeling waren besproken; TenneT heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft het TenneT toegestaan bij akte op (alleen) deze producties te reageren; deze akte heeft TenneT op 17 september 2025 ingediend. 3.5. Ten slotte is de datum bepaald waarop dit vonnis wordt gewezen. 4 De feiten 4.1.
Volledig
Bij besluit van 28 augustus 2009 hebben de verantwoordelijke ministers op grond van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) een inpassingsplan vastgesteld (“Zuidring Wateringen-Zoetermeer (380 kV)”, hierna: het rijksinpassingsplan) waarin de planologische basis van het tracé is vastgesteld van een door TenneT aan te leggen 380 kV-hoogspanningslijn tussen Wateringen en Zoetermeer (hierna te noemen: de 380 kV-verbinding). De gronden in dit tracé kregen daarmee een (dubbel) bestemming leiding-Hoogspanningsverbinding II. Sindsdien gelden voor de percelen langs het tracé bouwbeperkingen, die (automatisch) doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen. In artikel 5 van het rijksinpassingsplan staat dat de aanleg van de 380 kV-verbinding ertoe leidt dat een deel van de bestaande 150 kV-verbinding in het gebied komt te vervallen. 4.2. Een deel van het tracé loopt over percelen in de gemeente Schipluiden die het Bedrijvenschap had aangekocht voor de ontwikkeling van het Bedrijventerrein Harnaschpolder. 4.3. Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de vestiging van een zakelijk recht voor de aanleg en instandhouding van de 380 kV-verbinding. 4.4. Op 24 februari 2011 heeft de minister van infrastructuur en milieu op verzoek van TenneT aan het Bedrijvenschap een gedoogbeschikking opgelegd op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: BP). Deze gedoogbeschikking verplicht het Bedrijvenschap de aanleg en instandhouding van de 380 kV-verbinding met bijkomende werken, in en boven de aan het Bedrijvenschap toebehorende onroerende zaken te gedogen. Op één van de percelen van het Bedrijvenschap is een hoogspanningsmast gerealiseerd; voor het overige deel ziet de gedoogplicht op de aanleg en instandhouding van hoogspanningskabels die over de percelen hangen. 4.5. De 380 kV-verbinding is in 2012 aangelegd en in 2013 in gebruik genomen. Verdere planologische achtergrond 4.6. Ten tijde van de gedoogbeschikking gold voor de percelen van het Bedrijvenschap het bestemmingsplan “Harnaschpolder Weteringzone”, vastgesteld door de raad van de gemeente Midden-Delfland op 29 maart 2005 en onherroepelijk geworden op 3 januari 2006. 4.7. Ter uitwerking van het bestemmingsplan “Harnaschpolder Weteringzone” heeft de raad van de gemeente Midden-Delfland op 7 juli 2009 het Uitwerkingsplan Harnaschpolder Weteringzone (hierna: het Uitwerkingsplan 2009) vastgesteld. De Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben dit uitwerkingsplan op 22 september 2009 goedgekeurd. TenneT heeft echter beroep ingesteld tegen dit uitwerkingsplan. Bij beschikking van 29 oktober 2010 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het Uitwerkingsplan 2009 vernietigd, omdat het geen rekening hield met het rijksinpassingsplan. 4.8. Bij besluit van 17 november 2015 heeft de raad van de gemeente Midden-Delfland het bestemmingsplan “Harnaschpolder-Zuid 2014” vastgesteld. Daarmee kwam het plangebied er als volgt uit te zien: 4.9. Bij besluit van 27 juni 2017 heeft de raad van de gemeente Midden-Delfland het bestemmingsplan “Harnaschpolder-Zuid 2014” en het gelijknamige exploitatieplan gewijzigd en geheel opnieuw vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet voor het voormalige glastuingebied Harnaschpolder Zuid in een bedrijventerrein van ongeveer 55 hectare dat hoofdzakelijk is bedoeld voor bedrijfsactiviteiten op het gebied van handel en transport, aangevuld met zakelijke dienstverleningsactiviteiten. Om de kosten te kunnen verhalen die gemoeid zijn met het bouwrijp maken van de gronden van het exploitatiegebied, is het exploitatieplan vastgesteld. Verschillende belanghebbenden hebben bezwaar- en vervolgens beroepschriften tegen het bestemmingsplan en het exploitatieplan ingediend. 4.10. Bij beschikking van 31 december 2018 heeft de Raad van State het bestemmingsplan “Harnaschpolder-Zuid 2014” (hierna: het Bestemmingsplan 2014) en het gelijknamige exploitatieplan van 27 juni 2017 bekrachtigd, waarmee deze plannen onherroepelijk zijn geworden. Ontwikkeling Bedrijventerrein Harnaschpolder 4.11. In 2012 en 2013 heeft de gemeente Midden-Delfland een planstudie laten uitvoeren door [architectenbureau]. Deze Planstudie Woud-Harnasch bestaat uit twee delen, een rapport van 24 september 2012 en een opvolgend rapport van 23 januari 2013, en vermeldt als doelstelling: Het ontwerpen van een haalbaar plan (in financieel en ruimtelijk opzicht) waarin de Tennet Hoogspanningsleiding aan de westzijde van het plangebied als gegeven is meegenomen (zie foto voorpagina). De foto op de voorpagina’s van de twee rapporten liet twee mastvoeten zien, met in de verte de volgende mast en de hoogspanningslijnen die ertussen hingen. 4.11.1. Het rapport van 24 september 2012 vermeldt onder meer het volgende: ANALYSE TENNET 380kV-leiding (gecombineerd met 150kV) is in aanbouw parallel aan A4-tracé. Dit heeft een aantal zones met beperkingen tot gevolg: • de zakelijke rechtzone is het meest westelijke gedeelte direct onder de hoogspanningsdraden. Deze zone is 27m breed aan weerszijden van het hart van de leiding (54m totaal). • De magnetisch veldzone (magnetische veldsterkte meer dan 0,4 microTesla) direct ten westen van de zakelijke rechtzone is maximaal 50m breed aan weerszijden van het hart van de leiding (100m in totaal). • Een oostelijke zone waar geen beperkingen gelden. (…) ANALYSE TENNET VRAGEN: • Kan de zakelijke rechtzone behoren tot uitgeefbaar gebied? • Mag er binnen de zakelijk rechtzone gebouwen gebouwd worden? • Zo ja, gelden hiervoor hoogtebeperkingen en gelden deze alleen voor de zone direct onder de leiding of voor de gehele zakelijke rechtzone? • Welke beperkingen brengen de magnetisch veldzone met zich mee? (…) ANALYSE PROGRAMMA Woud Harnasch fase I • representatieve kavels met grootte 2000-600m2 gericht op Harnaschdreef (maar niet direct vanaf Harnaschdreef ontsloten). • Totaal 4,2ha, waarvan 0,3 uitgegeven • Type bedrijven: Automotive, showroom, etc. Woud Harnasch fase 2 • bestaande & nieuwe woon-/werkkavels Woud Harnasch fase 3 • standaard bedrijven met grote ruimtebehoefte, kavelgrootte 10.000-40.000m2 • 12,9ha beschikbaar • type bedrijven: transport, logistiek, bedrijfopslag, groothandel, etc. VRAGEN: • Is de verdeling met 4,2ha voor (kleine) representatieve kavels en 12,9ha voor grote kavels ook bij een nieuw ontwerp de gewenste verdeling? • Of is er een andere verdeling wenselijk met meer of minder grotere/kleinere kavels? In het rapport van 24 september 2012 staat op bladzijde 14 een kaart met verworven en nog te verwerven kavels; de woningen aan de Harnaskade staan daarop aangegeven als “ te handhaven kavels ”. 4.11.2. Op 23 januari 2013 heeft [architectenbureau] haar analyse gepresenteerd aan de bewoners van de Harnaskade. In deze presentatie staat onder meer het volgende: ANALYSE WATER • De Harnaschwetering is een primaire watergang die het plangebied in een westelijk en oostelijk deel verdeelt. De watergang is in beheer bij Hoogheemraadschap Delfland. • De Harnaschwetering (peil 0,4 – NAP) is onderdeel van het Delflands boezemwatersysteem. Boezemwater is overtollig water uit een polderboezem dat verzameld wordt om uitgewaterd te worden. • De Harnaschwetering kent een beschermingszone van 11m aan weerszijden van de oever waarbinnen niet gebouwd mag worden. Ook het situeren van zwaardere dan de bestaande wegen binnen deze zone is vermoedelijk lastig. (…) ANALYSE LINTBEBOUWING • Cultuurhistorisch is de lintbebouwing langs de Harnaschwetering minder waardevol dan andere elementen in de omgeving. • Woningen tussen bedrijven vormen een weinig aantrekkelijk woonmilieu. Andersom zal de aanwezigheid van woningen negatief werken op het vestigingsklimaat voor bedrijven. • In de planstudie vormt de Harnaschwetering inclusief de bestaande woningen geen zwaar structurerend element (bij voorkeur wel boezemwatersysteem handhaven). ANALYSE TENNET De nieuwe 380kV hoogspanningsleiding is van invloed op een groot deel van het plangebied: ZAKELIJK RECHTZONE 27m breed aan weerszijden van het hart van de leiding(54m totaal). Dit gebied kan uitgegeven worden. MAGNEETVELDZONE 50m breed aan weerszijden van het hart van de leiding(100m in totaal).
Volledig
Dit gebied kan uitgegeven worden, maar gevoelige bestemmingen zijn niet toegestaan. MASTEN Rondom de masten ligt nu nog een werkterrein. Vermoedelijk speelt de toegankelijkheid van de masten een rol in de toekomst. HOOGTEBEPERKING Onder de draden kan gebouwd worden, maar geldt een hoogtebeperking. BRANDWEER De brandweer stelt vaak aanvullende eisen (bijv. sprinkler) aan bebouwing onder hoogspanningstracé i.v.m. beperkte blusmogelijkheden. 4.11.3. Ook in de presentatie van 23 januari 2013 staan de woningen aan de Harnaskade in de verwervingsanalyse aangegeven als “ te handhaven kavels ” (op bladzijde 21). De presentatie bevat echter planschetsen voor vijf scenario’s, sommige met meerdere varianten. In twee scenario’s zijn alle bestaande woonkavels verwijderd; in twee worden de bestaande woonkavels gedeeltelijk gehandhaafd en in één scenario worden alle bestaande woonkavels geheel gehandhaafd. 4.11.4. [architectenbureau] heeft de in de presentatie van 23 januari 2013 opgenomen scenario’s nader uitgewerkt; deze nadere scenario’s zijn op 22 oktober 2013 gepresenteerd aan de gemeenteraad van Midden-Delfland. De scenario’s met woningbouw werden door [architectenbureau] als niet of minder realistisch aangemerkt, vanwege de vele potentiële hinderbronnen rondom het plangebied (geluid van de Harnaschdreef; de magneetveldzone van de hoogspanningsverbinding; en geluid en luchtkwaliteit van de A4) en mogelijke conflicten tussen de functies wonen en bedrijven. 4.12. De planstudie van [architectenbureau] heeft geleid tot de brief van de gemeenteraad van Midden-Delfland van 14 november 2013 met de titel ‘Ontwikkeling Woud-Harnasch in bedrijventerrein HarnaschPolder’. In de brief staat onder meer het volgende: De verkoop van kavels in deelgebied Woud-Harnasch van het bedrijventerrein HarnaschPolder verloopt niet naar wens. Ook de vooruitzichten zijn slecht. Daarom hebben wij onderzocht welke mogelijkheden er zijn om dat te verbeteren. Daarvoor hebben wij een zestal mogelijke toekomstscenario’s voor het gebied opgesteld. Wij begrijpen dat alles wat er op dit moment gebeurt rondom Woud-Harnasch veel vragen bij u oproept. Daarom nemen wij u in dit document mee in de ontwikkeling en de weging van mogelijkheden en alternatieven. (…) Deelgebied Woud-Harnasch In de oorspronkelijke planvorming zou het deelgebied Woud-Harnasch ontwikkeld worden als een bedrijventerrein. Dit terrein zou aan weerszijden van een bestaand en uit te breiden woonlint langs de Harnaskade worden gebouwd. Om u een beeld te geven van de ligging van dit deelgebied binnen het bedrijventerrein hebben wij op pagina 9, bijlage 1 een overzichtstekening toegevoegd. Helaas stagneerde de afgelopen jaren de verkoop van kavels in Woud-Harnasch. Om u een beeld te geven van de situatie: De afgelopen jaren is er maar één bedrijfskavel verkocht in de bedrijvenstrook tussen de Harnaskade en Harnaschdreef (de zogenaamde automotive strook 1); Er zijn geen woonwerkkavels verkocht langs de Harnaskade; Er is nauwelijks interesse geweest voor de bedrijvenstrook tussen de snelweg A4 en de Harnaskade. Oorzaken tegenvallende verkoop Ontwerpbureau [architectenbureau] heeft in opdracht van het Bedrijvenschap onderzoek gedaan naar redenen voor deze tegenvallende verkoop. Het bureau kwam, zowel voor bedrijfskavels als voor woonwerk woningen, tot de volgende knelpunten: De directe ligging van een woonzone langs de Harnaskade tegen de bedrijfskavels; De onaantrekkelijkheid van het wonen in het bestaande lint tussen woningen en bedrijven; De beperkte breedte van de automotive strook, waardoor de kavels niet diep genoeg zijn om grote(re) bedrijfsgebouwen in te passen; De bereikbaarheid van de grote kavels in het gebied tussen de Harnaskade en de snelweg A4 voor vrachtwagens geeft een geluids(over)belasting voor de in de omgeving gelegen woningen; Aanwezigheid van de hoogspanningsmasten. Naast de analyse van [architectenbureau] heeft het Bedrijvenschap een tweede onderzoek laten uitvoeren. Het vastgoedadviesbureau [adviesbureau 1] maakte een inventarisatie op basis van verkennende gesprekken met potentiële bedrijven en een grondprijsonderzoek. Uit de gesprekken bleek dat er met name interesse is voor grote kavels met een goede ontsluiting buiten de invloedsfeer van woningen. De inventarisatie van [adviesbureau 1] sluit aan bij de analyse van [architectenbureau]. Scenario’s Op basis van deze twee onderzoeken heeft [architectenbureau] een studie verricht naar de mogelijke oplossingen. Deze studie heeft geleid tot zes mogelijk toekomstige scenario’s voor Woud Harnasch. De scenario’s zijn in een drietal denkrichtingen in te delen. De eerste denkrichting is alleen gericht op bedrijven, de tweede denkrichting op de combinatie tussen woningen en bedrijven en de derde denkrichting is gericht op alleen woningbouw. (…) SAMENVATTEND Samenvattend kunnen we voor de diverse scenario’s het volgende concluderen: Invulling Technisch Financieel Scenario 1 Woningen/bedrijven Investeringsbereidheid ondernemers laag Waarde woningen Harnaskade daalt Mogelijk overlast € 24,0 miljoen negatief Scenario 2 Bedrijven Amoveren Harnaskade Grootschalige transport/logistiek € 15,0 miljoen negatief Scenario 3 A Woningen Hinderbronnen Provinciaal beleid X B Woningen/bedrijven Veel infrastructuur Woningen in nabijheid van bedrijvigheid € 31,7 miljoen negatief Scenario 4 A Harnaschdreef verleggen Harnaschdreef direct achter woningen Geluidsoverlast Verleggen infrastructuur € 29,7 miljoen negatief B Water verleggen Minder grote kavels / minder uitgeefbaar € 26,2 miljoen negatief Scenario 5 Nieuwe hoofdontsluitingsweg Gebruik zakelijk rechtzone Aanbrengen extra infrastructuur € 24,2 miljoen negatief Scenario 6 “Oude” situatie Alleen Harnaskade; geen grond voor bedrijven en extra woningen Risico op planschade € 36,1 miljoen negatief 5 Het geschil 5.1. Het Bedrijvenschap heeft bij dagvaarding van 22 februari 2016 gevorderd om TenneT, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van (kort gezegd): € 24.820.000 aan schadevergoeding; wettelijke rente over het gevorderde bedrag vanaf de gedoogbeschikking tot het in deze zaak te wijzen vonnis; de deskundigenkosten, gemaakt voor het adviseren van het Bedrijvenschap, het opstellen van het schaderapport en het voeren van deze procedure; een voorschot van de kosten van door de rechtbank ingeschakelde deskundigen; de kosten van door de rechtbank ingeschakelde deskundigen; de juridische kosten van het voeren van deze procedure; en de kosten van dit geding, alle posten vermeerderd met de wettelijke rente, te berekenen vanaf de relevante momenten dat zij voldaan moesten zijn. 5.2. Het Bedrijvenschap voert aan dat zij de ontwikkeling van haar bedrijventerrein ter plaatse als gevolg van de 380kV-verbinding moest aanpassen, waardoor zij onder meer een nadeliger grondexploitatie had. Zij baseert deze vorderingen op het uitgangspunt dat – kort gezegd – de schadeloosstelling op grond van artikel 14 BP net als de schadeloosstelling op grond van de Onteigeningswet een volledige schadeloosstelling betreft, waarbij de schade abstract wordt begroot op basis van één vaste peildatum. Het Bedrijvenschap verwijst ter onderbouwing naar het rapport van [adviesbureau 2]. 5.3. TenneT voert verweer; het Bedrijvenschap heeft volgens haar nauwelijks schade geleden als gevolg van de 380 kV-verbinding. TenneT concludeert tot niet-ontvankelijkheid althans afwijzing van de vorderingen van het Bedrijvenschap, met veroordeling van het Bedrijvenschap in de kosten van deze procedure. 5.4. Kort gezegd meent TenneT dat de schade zoveel mogelijk concreet moet worden begroot op grond van de bepalingen van de BP en (dus) niet op basis van een vaste peildatum. Kort gezegd meent TenneT dat het Bedrijvenschap zich goed heeft aangepast aan de gedoogplicht en dat de schade alleen bestaat uit aanpassingskosten, die TenneT begroot op € 100.000. 5.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 6 Het deskundigenbericht (met aanvullende notitie) De gevolgde procedure 6.1.
Volledig
De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis van 5 augustus 2021 op voorstel van partijen ir. S.C.H. van den Berg, mr. S.G. van Hoogmoed en mr. J.R. Vermeulen tot deskundigen benoemd, om antwoord te geven op de volgende vraag: “Wat is de omvang van de op basis van artikel 14 BP aan het Bedrijvenschap toekomende volledige schadeloosstelling vanwege het opleggen van de gedoogplicht d.d. 24 februari 2011 voor de aanleg, aanwezigheid en instandhouding van de hoogspanningsverbinding?” De kantonrechter heeft de deskundigen gevraagd daarbij rekening te houden met het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019. 6.2. In overleg met partijen heeft op 26 november 2021 een bijeenkomst plaatsgevonden van partijen, hun adviseurs en de deskundigen. Beide partijen hebben hun standpunt op de door de deskundigen te beantwoorden vraag toegelicht. Aansluitend hebben de deskundigen, in aanwezigheid van partijen en hun adviseurs, de percelen waarop de gedoogplicht is gevestigd en de directe omgeving opgenomen. 6.3. Na de bespreking en opname van 26 november 2021 hebben partijen schriftelijk op elkaars standpunten gereageerd en hebben zij de deskundigen op hun verzoek nadere stukken en informatie toegezonden. In deze stukken hebben partijen hun eerdere stellingen aangepast aan het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019, dat pas gewezen is nadat de conclusie van dupliek al was genomen. 6.4. De deskundigen hebben op 27 februari 2023 een conceptdeskundigenbericht aan partijen gezonden. Partijen hebben schriftelijk op dit concept gereageerd, waarna het Bedrijvenschap de gelegenheid heeft gekregen om schriftelijk te reageren op de reactie van TenneT op het rapport dat bij de reactie van het Bedrijvenschap was gevoegd. 6.5. De deskundigen hebben het deskundigenbericht op 15 mei 2024 bij de griffie gedeponeerd; partijen hebben vervolgens conclusies na deskundigenbericht genomen. Deze conclusies zijn de eerste processtukken waarin partijen hun eerdere stellingen hebben aangepast aan het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019. 6.6. Partijen hebben hun standpunten over de bevindingen van de deskundigen tijdens de mondelinge behandeling van 22 mei 2025 nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, en de rechtbank heeft de deskundigen nadere vragen gesteld. De deskundigen hebben hun bevindingen naar aanleiding daarvan nader toegelicht. 6.7. Naar aanleiding van de opmerkingen van partijen hebben de deskundigen aanleiding gezien hun rapport op onderdelen aan te passen; deze aanpassingen hebben zij neergelegd in de aanvullende notitie van 19 juni 2025. 6.8. Partijen hebben bij akten van 23 juli 2025 op de aanvullende notitie van de deskundigen gereageerd. De conclusie van de deskundigen 6.9. De deskundigen komen, na heroverweging op grond van de argumenten van partijen, in hun aanvullende notitie tot de bevinding dat het Bedrijvenschap recht heeft op de volgende schadeloosstelling: Waardevermindering gronden met dubbelbestemming € 3.539.401,50 Schade vanwege niet gerealiseerde uitgifte van grond € 2.857.226,13 Waardevermindering wegens vervallen reclamemast € 882.445,00 Af: Voordeelverrekening vervallen 150 kV-verbinding € 4.252.500,00 Totaal € 3.026.572,63 te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de diverse schadeposten, zoals nader omschreven in Bijlage 4 van de aanvullende notitie van 19 juni 2025. 6.10. De belangrijkste onderdelen van de schadebegroting die ter discussie staan, zijn: de door de deskundigen gekozen uitgangspunten dat de schade niet abstract en met een vaste peildatum moet worden berekend, maar dat per schadepost concreet moet worden beoordeeld welke schade op welk moment is geleden; de aanname van de deskundigen dat geen sprake is van een causaal verband tussen de oplegging van de gedoogplicht en de verwerving van de woningen aan de Harnaskade; de aanname dat het Bedrijvenschap schade lijdt door het vervallen van een reclamezuil; e berekening van de waardevermindering van de percelen van het Bedrijvenschap; de berekening van de exploitatieschade bij de uitgifte van grond; het in aanmerking te nemen voordeel dat het Bedrijvenschap geniet door de opheffing van de bestaande 150 kV-verbinding elders in het plangebied. 6.11. De rechtbank gaat hierna afzonderlijk op deze punten in, inclusief de stellingen die partijen erover hebben ingenomen en de (nadere) toelichting die de deskundigen erop hebben gegeven. De rechtbank bespreekt de onderwerpen in de volgorde waarin de deskundigen ze hebben behandeld in het oorspronkelijke deskundigenrapport. 7 De beoordeling: uitgangspunten schadeberekening Volledige schadevergoeding 7.1. Nadat de dagvaarding, conclusie van antwoord en de conclusies van repliek en dupliek in deze procedure zijn ingediend, heeft de Hoge Raad op 21 juni 2019 een arrest gewezen over de reikwijdte van de schadevergoedingsplicht van de BP. In dit arrest overweegt de Hoge Raad onder meer het volgende: 3.2. (…) De BP voorziet in een recht op volledige vergoeding van de schade veroorzaakt door de aanleg en instandhouding van een werk dat ingevolge art. 1 BP door de rechthebbende moet worden gedoogd. Daaronder valt ook de schade bestaande in waardevermindering van de percelen waarop het werk betrekking heeft.[ ] Er is geen grond om hierbij de schade veroorzaakt door de maatregel die het werk planologisch mogelijk heeft gemaakt, buiten beschouwing te laten. De BP biedt voor een dergelijke benadering geen aanknopingspunt. In dit geval houdt de planologische maatregel (het rijksinpassingsplan) rechtstreeks verband met de daarop gebaseerde gedoogbeschikking en de aanleg en instandhouding van het werk in de zin van de BP. Het rijksinpassingsplan biedt immers slechts de juridisch-planologische basis voor de uit te voeren werken. Uit de regeling voor vergoeding van planschade in de Wro volgt niet dat deze schade uitsluitend langs de weg van de art. 6.1 e.v. Wro kan worden vergoed. Voor gevallen als het onderhavige zou dat op gespannen voet staan met het in de BP verankerde beginsel van volledige schadevergoeding, nu de art. 6.1 e.v. Wro geen volledige schadevergoeding garanderen. De in art. 1 en 3 BP bedoelde schade die moet worden vergoed, omvat dan ook mede de waardevermindering van het perceel die reeds door het rijksinpassingsplan in het leven is geroepen. (…) 3.4.2 (…) Het hof heeft geoordeeld dat alleen de door de aanleg van het werk geleden schade (€ 3.635,--) in deze procedure voor vergoeding in aanmerking komt. Voor die schade heeft het hof terecht en op goede gronden aansluiting gezocht bij de bepalingen over wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding uit het BW.[ ] Nu de BP geen regeling omtrent de ingangsdatum van de wettelijke rente bevat, ligt het voor de hand om voor het ingangstijdstip van de wettelijke rente art. 6:83, aanhef en onder b, BW van overeenkomstige toepassing te achten. Deze bepaling brengt mee dat wettelijke rente over de schadevergoeding is verschuldigd vanaf het moment waarop de schade wordt geleden. Uitgaande van de vaststelling van het hof dat de aanleg van het werk plaatsvond in een periode van zeven weken vanaf 21 oktober 2012, kon het hof zonder schending van enige rechtsregel komen tot het oordeel dat de wettelijke rente verschuldigd was vanaf 14 november 2012 (halverwege de periode van zeven weken). 3.4.3 Onderdeel 4.2 gaat kennelijk ervan uit dat in het toegekende bedrag van € 3.635,-- een vergoeding voor waardevermindering van het perceel is begrepen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag, nu het hof, in navolging van de kantonrechter, geen schadeloosstelling wegens waardevermindering van het perceel heeft toegekend, ook niet ter vergoeding van schade als gevolg van de gedoogbeschikking (zie rov. 9 en 10 van het hof en rov. 4 en 5 van het eindvonnis van de kantonrechter). Het onderdeel kan dus niet tot cassatie leiden. In dit verband verdient opmerking dat ook over een schadeloosstelling wegens waardevermindering wettelijke rente is verschuldigd vanaf het moment dat de schade wordt geleden.
Volledig
Het onderdeel betoogt terecht dat het in een geval als het onderhavige niet voor de hand ligt dat schade wegens waardevermindering pas wordt geleden in de periode van aanleg van het werk. Zoals verzocht in rechtsoverweging 2.7 van het tussenvonnis van 20 februari 2021 hebben de deskundigen deze maatstaf gehanteerd bij de begroting van de schade; partijen hebben hun stellingen in de akten na deskundigenbericht daarop afgestemd. Zoveel mogelijk concrete schadevergoeding/ geen vaste peildatum voor alle schade 7.2. Het Bedrijvenschap is van mening dat de datum waarop de gedoogplicht is opgelegd als peildatum moet worden gehanteerd bij de berekening van haar schade, omdat alle schade uiteindelijk tot dit moment is te herleiden. Dit is ook het uitgangspunt geweest in het rapport van [adviesbureau 2], die de schade heeft begroot op basis van een vergelijking van grondexploitaties met en zonder gedoogplicht. 7.3. TenneT wijst erop dat de wet uitgaat van concrete schadeberekening, op basis van de regels van Afdeling 6.1.10 BW; zij is daarom van mening dat de schade zoveel mogelijk concreet moet worden berekend. Over het algemeen is TenneT het daarom eens met de (hierna weer te geven) uitgangspunten die de deskundigen hebben gehanteerd; alleen ten aanzien van de schade door de omzetting van standaard+ naar standaard percelen hebben de deskundigen volgens TenneT ten onrechte een abstracte berekeningsmethode gebruikt, en ten aanzien van de [projectnaam] III-gronden ten onrechte een hybride berekeningsmethode. 7.4. De deskundigen zijn in hun rapport uitgegaan van een zoveel mogelijk concrete schadeberekening, waarbij zij in het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019 bevestigd zien dat de oplegging van een gedoogplicht tot aanleg en instandhouding van een werk meerdere schaden kan veroorzaken die niet op hetzelfde tijdstip behoeven te ontstaan. Dit sluit aan bij staande jurisprudentie dat de gedoogplichtige steeds vergoeding kan vorderen, indien zich na verloop van tijd als gevolg van (de aanwezigheid van) het werk wederom schade voordoet. 7.5. De rechtbank leest het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019 op dezelfde wijze als de deskundigen en is daarom van oordeel dat de schade van het Bedrijvenschap zoveel mogelijk concreet moet worden berekend. Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende. 7.5.1. Concrete schadeberekening op basis van de bepalingen in Afdeling 6.1.10 BW is in het burgerlijk recht het uitgangspunt. 7.5.2. Met artikel 6:97 BW heeft de wetgever evenwel beoogd een wettelijke basis te geven aan abstracte en andere wijzen van schadebegroting. Abstracte schadebegroting is niet zozeer een rechtsregel, maar een hulpmiddel dat de rechter mag inzetten in gevallen waarin het vaststellen van de werkelijke schade erg moeilijk of niet mogelijk is. Zo kan de rechter op praktische gronden en om redenen van billijkheid besluiten om van een of meer omstandigheden van het geval te abstraheren. In deze zaak moet de situatie met 380 kV-verbinding (de IST-situatie) worden vergeleken met een hypothetische situatie, namelijk die zonder 380 kV-verbinding op de percelen van het Bedrijvenschap (de SOLL-situatie). Omdat de SOLL-situatie zich niet echt heeft voorgedaan, moet op onderdelen wel met aannames en abstracties worden gewerkt. 7.5.3. De rechter heeft door artikel 6:97 BW dus een grote mate van vrijheid bij de begroting van schade en ook bij de keuze op welke wijze de begroting moet plaatsvinden. Hij is daarbij niet gebonden aan de gewone regels van stel- en bewijsplicht en aan de motivering van de schadebegroting worden ook geen hoge eisen gesteld. Wel moet de motivering voldoende inzicht geven in de aan de schadebegroting ten grondslag liggende gedachtegang, om deze zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. 7.5.4. De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat de waardevermindering van de op dat moment in eigendom van het Bedrijvenschap zijnde percelen en de schade vanwege het vervallen van de mogelijkheid tot realisatie van de geplande reclamemast intraden per datum van het gedoogbesluit en dus per die peildatum begroot moeten worden. Voor de overige posten, zoals de exploitatieschade bij gronduitgifte vanwege niet verworven gronden en de voordeelsverrekening vanwege het vervallen van de 150 kV-verbinding, was op 24 februari 2011 echter nog onvoldoende duidelijk of sprake was van schade (of voordeel) en zo ja, welke omvang die zou hebben. De deskundigen hebben dus op goede gronden niet een vaste peildatum gehanteerd voor álle schade en op dit punt ook niet het rapport van [adviesbureau 2] gevolgd. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Op de begroting van de afzonderlijke posten gaat de rechtbank hierna nader in. 8 De beoordeling: verwerving woningen Harnaskade 8.1. Het Bedrijvenschap vordert onder meer vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken om de woningen aan de Harnaskade te verwerven en te amoveren. Er bestaat volgens het Bedrijvenschap een eenduidig causaal verband tussen het aanleggen van de 380 kV-verbinding en de noodzaak om de woningen langs de Harnaskade te amoveren. 8.2. De deskundigen zien dat causale verband niet. Zij komen op basis van een vergelijking tussen de diverse plankaarten tot de conclusie dat (de plankaart van) het Uitwerkingsplan 2009 (de SOLL-situatie) geen of nauwelijks ruimte bood voor de diepe en brede kavels waarnaar in de markt vraag was. Die ruimte werd gecreëerd met (de plankaart bij) het Bestemmingsplan 2014, waarin de woningen langs de Harnaskade werden wegbestemd. Met de vaststelling van dit plan hebben het Bedrijvenschap en de gemeenteraad gekozen voor het minst verliesgevende scenario van de zes die [architectenbureau] had onderzocht: de bestemming van Woud-Harnasch tot monofunctioneel bedrijventerrein met kavels van circa 10 hectare groot, geschikt voor grote logistiek- en transportbedrijven. Hoewel de aanwezigheid van de hoogspanningsmasten wel wordt genoemd in het onderzoek van [architectenbureau], zijn de deskundigen tot de overtuiging gekomen dat ook in de SOLL-situatie zonder 380 kV-verbinding gekozen zou zijn voor de aanpassing van het oorspronkelijk plan voor het bedrijventerrein tot een monofunctioneel bedrijventerrein met diepe en brede kavels en amotie van de bestaande woningen aan de Harnaskade. Ook de overwegingen in het Bestemmingsplan 2014 wijzen volgens deskundigen in die richting. Daarom hebben de deskundigen de kosten voor verwerving en amotie (en voor het Bestemmingsplan 2014) niet in de schadebegroting meegenomen. 8.3. Ook TenneT meent dat de noodzaak tot verwerving van de woningen niet is toe te schrijven aan de gedoogplicht. Zij meent dat het Bedrijvenschap zich in 2013 door gewijzigde marktomstandigheden heeft moeten heroriënteren op de markt; volgens TenneT was dat de reden dat het Bedrijvenschap heeft gekozen voor een optimalisatie van het plangebied naar een monofunctioneel bedrijventerrein geschikt voor grootschalige distributie. Dit ging dus om bedrijven tot een hogere milieucategorie dan waarin in het moederplan “Harnaschpolder Weteringzone” en in het Uitwerkingsplan 2009 was voorzien, met grotere kavels. Daarvoor moesten de woningen aan beide kanten van de Harnaskade weg, ook omdat het commercieel aantrekkelijker was om bedrijfskavels aan te kunnen bieden ten aanzien waarvan geen rekening zou hoeven worden gehouden met nabijgelegen woningen. Als het alleen zou gaan om het opschuiven van het plangebied ten westen van de Harnaschwetering, dan had met verwerving van alleen die zijde van de kade kunnen worden volstaan. TenneT wijst er in dit verband ook op dat de draden van de 380 kV-verbinding op verzoek van het Bedrijvenschap extra hoog zijn gehangen, zodat onder de kabels kon worden gebouwd en de aanwezigheid van de verbinding de uitgiftegrens (bijna) niet beïnvloedt. De notitie van [architectenbureau] bevestigt dit: op pagina 17 staat dat de zakelijk rechtzone kan worden uitgegeven en dat onder de kabels kan worden gebouwd. In de notitie wordt uitgegaan van bedrijfsbebouwing die ruim onder de 15 meter blijft en van een uitgiftegrens die nagenoeg tot de mastvoet reikt.
Volledig
Tot slot wijst TenneT erop dat de bebouwing zoals die werkelijk onder het nieuwe bestemmingsplan door DHG is gerealiseerd een stramien kent van ongeveer 100 meter gebouwdiepte met 30 meter parkeer-/rangeerruimte; dat past binnen de resterende ruimte met handhaving van de woningen, de watergang en een overgangs-/groenzone. 8.4. Het Bedrijvenschap daarentegen stelt dat door de komst van de 380 kV-verbinding een belemmerde strook in het Bestemmingsplan 2014 werd opgenomen, waardoor de diepte van de in het Uitwerkingsplan 2009 voorziene bedrijfskavels van 150-170 meter zou terugzakken tot 120-140 meter. Volgens het Bedrijvenschap was er voor die minder flexibel uitgeefbare, ondiepere bedrijfskavels minder vraag in de markt, zodat zij als schadebeperkende maatregel de woningen heeft verworven om toch diepere en flexibel uitgeefbare kavels in de markt te kunnen zetten. De deskundigen hebben volgens het Bedrijvenschap niet onderkend dat de distributiecentra zoals die zijn gebouwd onder het Uitwerkingsplan 2009 als categorie niet bestonden; zij vielen onder de noemer groothandels (milieucategorie 2) of veemhuizen (milieucategorie 3). Het Uitwerkingsplan 2009 voorzag in gronden bestemd voor bedrijven uit milieucategorie 3, met een niet zelfstandig uitgeefbare strook aan de oostzijde, bij de woningen, bestemd tot milieucategorie 2 met daarbij een vrijstellingsbevoegdheid voor concrete initiatieven in milieucategorie 3, die qua milieubelasting gelijk te stellen zijn aan milieucategorie 2. Elders in het land is die vrijstellingsbevoegdheid zonder problemen gebruikt om distributiecentra mogelijk te maken; het Bedrijvenschap verwijst daartoe naar het [rapport] dat zij in het geding heeft gebracht. Milieucategorie 2 was dus alleen van toepassing op een smalle strook aan de zijde waar de woningen stonden; die strook werd niet apart verkocht en had ook aangewend kunnen worden voor minder belastende activiteiten zoals parkeren of lagere bebouwing. 8.5. De rechtbank is van oordeel dat 25% van de kosten voor de verwerving en amotie van de woningen aan de oplegging van de gedoogplicht en de aanwezigheid van de 380 kV-verbinding is toe te rekenen. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen. 8.5.1. De deskundigen constateren dat in de markt voor bedrijfskavels in (de omgeving van) de Harnaschpolder vooral vraag was naar grote bedrijfskavels voor logistieke dienstverlening. Deze constatering onderschrijft zowel het Bedrijvenschap als TenneT en ook de rechtbank gaat daar van uit. 8.5.2. Vast staat verder dat de komst van de 380 kV-verbinding beperkingen meebracht voor de percelen waarop zij werd geplaatst. Aan weerszijden van het hart van de leiding gelden voor een strook grond van 27 meter breed (dus 54 meter in totaal) bouwbeperkingen die er zonder de 380 kV-verbinding en de gedoogplicht niet zouden gelden; op deze strook mag ook slechts in overleg met de leidingbeheerder worden gebouwd. In de magneetveldzone van 50 meter aan weerszijden van het hart van de leiding (dus een strook van 100 meter breed in totaal) zijn gevoelige bestemmingen niet toegestaan. De komst van de 380 kV-verbinding met bijbehorende gedoogplicht had dus tot gevolg dat een strook grond op de percelen van het Bedrijvenschap minder flexibel was in te richten. 8.5.3. Met de deskundigen volgt de rechtbank niet de stelling van TenneT dat onder de kabels kon worden gebouwd en dat de aanwezigheid van de 380 kV-verbinding de uitgiftegrens (bijna) niet zou hebben beïnvloed. Naast de feitelijke en planologische beperkingen die de komst van de 380 kV-verbinding en de gedoogplicht meebrachten, constateren de deskundigen in §13.18 van hun rapport dat in de markt een sterke voorkeur bestaat om niet onder of naast hoogspanningsleidingen te bouwen. Vaak wordt grond waarover hoogspanningsleidingen lopen gebruikt als buitenterrein voor parkeren, groenvoorziening of opslag. De door TenneT aangedragen voorbeelden waar wel bebouwing onder leidingen staat zijn volgens de deskundigen incidenten, die vaak historisch zo zijn gegroeid. Dat er theoretisch veel mogelijk is onder de leidingen, zoals [bedrijfsnaam] in haar rapport schrijft, doet niet af aan het gegeven dat de markt dat in de praktijk niet wil. Ook vanwege deze feitelijk bestaande huiver was de strook grond rond de hoogspanningsverbinding dus minder flexibel in de markt te zetten dan (in de SOLL-situatie) zonder die verbinding het geval was geweest. 8.5.4. Door de 380 kV-verbinding en de gedoogplicht was een strook grond aan de A4-zijde van de percelen van het Bedrijvenschap dus minder flexibel in te richten. Het zonder belemmeringen te bebouwen deel van deze percelen werd hierdoor minder breed en diep dan de perceelbreedte waar op dat moment in de markt voor bedrijfskavels vraag naar was. Deze situatie bestond al op het moment dat [architectenbureau] de mogelijke scenario’s opstelde en daarover haar advies uitbracht en op het moment dat de gemeenteraad daarover moest besluiten. De rechtbank is van oordeel dat de deskundigen dit in hun advies onvoldoende hebben meegewogen waar zij aan het onderzoek van [architectenbureau] de conclusie ontlenen dat de bestaande woningen aan de Harnaskade ook zouden zijn geamoveerd als de 380 kV-verbinding niet was aangelegd en zij geen causaal verband aannemen tussen de komst van de 380kV-verbinding en de noodzaak tot amotie. 8.5.5. De rechtbank volgt de deskundigen niet op dit punt. [architectenbureau] heeft de SOLL-situatie niet onderzocht; de aanwezigheid van de 380 kV-verbinding was in hun onderzoek een gegeven. [architectenbureau] stelt bijvoorbeeld vast dat de 380kV-verbinding (in ieder geval) één van de oorzaken was van de tegenvallende verkoop van kavels in Woud-Harnasch, waardoor het Bedrijvenschap haar uitgiftestrategie moest aanpassen. 8.5.6. De [architectenbureau]-notitie is opgesteld vanwege de aanwezigheid van de 380 kV-verbinding en de tegenvallende marktvraag en diende ter onderbouwing van de keuzes van (de gemeente en) het Bedrijvenschap om – onder die omstandigheden – de schade zoveel mogelijk te beperken. 8.5.7. Uit de [architectenbureau]-notitie volgt dat het scenario waarin de woningen aan de Harnaskade werden gesloopt het minst verliesgevend was. Hadden het Bedrijvenschap en de gemeente een andere keuze gemaakt dan zouden ze met de ondiepe en minder flexibel inzetbare kavels hebben gezeten waar minder vraag naar was en zou de schade vermoedelijk nog groter zijn geweest. 8.5.8. De kosten van de verwerving en amotie waren dus een rechtstreeks gevolg van de keuze die het Bedrijvenschap moest maken als gevolg van zowel de aanwezigheid van de 380 kV-verbinding als de tegenvallende marktvraag. Er bestaat dus een verband tussen de aanwezigheid van de 380 kV-verbinding en de noodzaak tot amotie. De vraag in hoeverre de kosten van de verwerving en amotie kunnen worden toegerekend aan de 380 kV-verbinding moet worden beantwoord aan de hand van een weging van alle factoren die een rol hebben gespeeld bij de keuze van het Bedrijvenschap voor amotie. 8.5.9. De rechtbank volgt het Bedrijvenschap niet in het standpunt dat amotie van de woningen in de SOLL-situatie uitgesloten zou zijn geweest. In de eerste plaats is niet in geschil dat de tegenvallende marktvraag óók door andere factoren dan de 380kV- verbinding werd veroorzaakt en zich dus ook in de SOLL-situatie zou hebben voorgedaan. Ook dan had het Bedrijvenschap haar uitgiftestrategie moeten aanpassen en zou de verwachting zijn geweest dat de meest rendabele exploitatie van het gebied bereikt kon worden door het aanbieden van grote(re) kavels voor (categorie 3-)bedrijven. Met de deskundigen constateert de rechtbank dat het vrij in te richten deel van diezelfde percelen van het Bedrijvenschap met grote(re) kavels voor categorie 3 bedrijven ook zonder de komst van de 380 kV-verbinding en de gedoogplicht onder druk zou hebben gestaan door de aanwezigheid van de woningen aan de Harnaskade. Deze woningen zouden ook in de SOLL-situatie een bron van mogelijke hinder en conflicten tussen de functies wonen en bedrijvigheid hebben gevormd.
Volledig
Wat voor de marktvoorkeur ten aanzien van het bouwen onder hoogspanningsleidingen geldt, geldt ook voor de marktvoorkeur van grote bedrijven om niet dicht bij woningen te bouwen. Zelfs als het in theorie mogelijk was geweest om de hinder te beperken – en ondanks het feit dat de bewoners zich tot dan toe welwillend hadden opgesteld – maakte de nabijheid van de woningen (een deel van) de percelen van het Bedrijvenschap minder aantrekkelijk voor juist die bedrijven die het Bedrijvenschap wilde aantrekken met een unieke marktpropositie, zoals grootschalige logistieke bedrijven. 8.5.10. De deskundigen en TenneT zijn van mening dat het door de aanwezigheid van de woningen in de SOLL-situatie ook planologisch niet mogelijk was geweest om de percelen te gebruiken voor distributiecentra zoals die er uiteindelijk zijn gekomen, omdat deze centra in milieucategorie 3 vallen (in plaats van de ter plaatse toegestane milieucategorie 2). Het Bedrijvenschap betwist dit gemotiveerd. Op dit punt zijn er voor beide zienswijzen aanknopingspunten te vinden. Enerzijds wijst het Bedrijvenschap er terecht op dat artikel 3 lid 3 van het Uitwerkingsplan 2009 al voorzag in een vrijstellingsbevoegdheid, zodat de gemeente een vrijstelling zou moeten verlenen als aan de in het Uitwerkingsplan gestelde voorwaarden werd voldaan. Anderzijds wijzen de deskundigen en TenneT er op hun beurt terecht op dat een aantal distributiecentra die gebouwd zijn niet in milieucategorie 2 vallen, maar in milieucategorie 3 waarschijnlijk niet aan de vrijstellingseisen van het Uitwerkingsplan 2009 zouden hebben kunnen voldoen. De deskundigen achten het onwaarschijnlijk dat men de hinder en ruimtelijke uitstraling van dergelijke centra tot het niveau van milieucategorie 2 zou kunnen reduceren, ook met de in het [rapport] genoemde maatregelen. De rechtbank is van oordeel dat met name de eisen aan de milieubelasting en de eis dat geen onevenredige verkeerstoename zou zijn te verwachten het moeilijk maken de woningen te combineren met de exploitatie van grote distributiecentra. Juist rond woningen zou de gemeente waarschijnlijk streng toezien op de naleving van de vrijstellingseisen. Wanneer de woningen behouden waren, is het daarom aannemelijk dat voor de strook grond langs het woonlint de hoogtebeperking van milieucategorie 2 zou blijven gelden, wat de inrichtingsmogelijkheden van de bedrijfskavels zou beperken – althans dat die strook zich niet goed leende als bestemming voor hinder veroorzakende activiteiten als parkeren, manoeuvreren, laden en lossen, etc. van bijvoorbeeld grote vrachtwagens. Anderzijds sluit de rechtbank, in tegenstelling tot deskundigen, niet uit dat met gebruikmaking van de vrijstellingsbevoegdheid in het Uitwerkingsplan 2009 wel degelijk maatwerk had kunnen worden geboden voor deze strook grond, bijvoorbeeld met parkeergelegenheid voor personeel en lage gebouwen voor kantoorfuncties. Het Bedrijvenschap heeft er in dit verband ook terecht op gewezen dat het huidige gebruik door enkele bedrijven binnen categorie 2 valt en dat dit een indicatie is dat er wel degelijk vraag zou zijn geweest naar kavels zoals het Bedrijvenschap die onder het Uitwerkingsplan 2009 kon aanbieden. Het Bedrijvenschap stelt bovendien terecht dat investeerders daardoor niet zouden zijn afgeschrikt, omdat investeerders hun plannen afstemmen op de wensen van een ‘dedicated’ huurder. 8.5.11. Ook de bereikbaarheid van de kavels speelde een belangrijke rol bij de beslissing om de functies wonen en bedrijvigheid toch niet te willen vermengen; deze overweging stond los van de komst van de 380 kV-verbinding en de gedoogplicht. 8.5.12. Planologisch bezien is het verder onwaarschijnlijk dat de gemeenteraad op enig moment zou hebben besloten tot amotie van slechts één deel van het woonlint, mede gelet op de dan beperkte (leef)kwaliteit van het overblijvende deel van het woonlint. Met dat scenario houdt de rechtbank bij de toerekening daarom geen rekening. 8.5.13. Gelet op de destijds net afgeronde planologische besluitvorming rondom het Uitwerkingsplan 2009 waarin niets er op wees dat de woningen wegbestemd moesten worden, zouden in de SOLL-situatie goede argumenten nodig zijn geweest om de amotie planologisch mogelijk te maken en door te voeren . Dat zou een valide reden geweest kunnen zijn het Uitwerkingsplan 2009 niet aan te passen. 8.5.14. Het Bedrijvenschap heeft er verder terecht op gewezen dat in de SOLL-situatie een of enkele grotere percelen hadden kunnen worden uitgegeven. Ook TenneT wijst daarop. 8.5.15. Kortom, de rechtbank sluit niet uit dat het Bedrijvenschap in de SOLL-situatie haar uitgiftestrategie succesvol had kunnen aanpassen zonder de woningen te amoveren. Die kans dat aan te tonen is haar door het opleggen van de gedoogplicht ontnomen. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de belemmeringen die de komst van de 380 kV-verbinding en de gedoogplicht inhielden bij de beslissing tot verwerving van de woningen en amotie gewicht in de schaal hebben gelegd. Maar ook andere factoren, zoals de veranderende marktvraag, milieubelasting en verkeerstoename hebben bij die beslissing een grote rol gespeeld. De rechtbank ziet de komst van de 380 kV-verbinding en de gedoogplicht dus als één van meerdere factoren die uiteindelijk hebben geleid tot het besluit om de woningen aan de Harnaschkade te amoveren. De zwaarwegendheid van alle factoren tegen elkaar afwegend begroot de rechtbank het aandeel van de 380 kV-verbinding en de gedoogplicht op 25%. 8.5.16. Dit brengt mee dat in beginsel 25% van de met de verwerving en amotie gemoeide kosten van het Bedrijvenschap voor vergoeding in aanmerking komen. Hetzelfde geldt voor de kosten voor het Bestemmingsplan 2014. 8.5.17. Het Bedrijvenschap wijst er terecht op dat de kosten van verwerving en amotie zijn gemaakt om verdere schade te beperken. De verwerving en amotie was gelet daarop redelijk en uitgangspunt moet zijn dat de daarvoor gemaakte kosten redelijk zijn (artikel 6:96 lid 2 onder a BW). 8.5.18. Het partijdebat over dit deel van de schade is nog niet goed gevoerd; de deskundigen hebben zich hierover ook niet uitgelaten. Voor de beoordeling van deze schadepost zijn daarom nadere proceshandelingen nodig. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen zodat partijen zich over de voortzetting van de procedure (zo mogelijk eenstemmig) kunnen uitlaten. Daarbij geeft zij partijen alvast het volgende in overweging. 8.5.19. In de dagvaarding van 22 februari 2016 begrootte het Bedrijvenschap de met de verwerving en amotie van de woningen gemoeide schade op basis van een budgetraming op € 14,1 miljoen. Omdat de amotie inmiddels is afgerond en niet meer met stelposten hoeft te worden gewerkt, kan de rechtbank zich voorstellen dat partijen eerst willen proberen dit punt (geheel of gedeeltelijk) in onderling overleg af te handelen op basis van de nu beschikbare informatie. 8.5.20. Als partijen over deze schadepost niet (volledig) tot een minnelijke regeling kunnen komen, is de rechtbank voornemens om de deskundigen om een aanvullend advies te vragen op basis van de werkelijk voor de verwerving en amotie van de woningen gemaakte kosten. Partijen zouden vervolgens de gelegenheid krijgen om bij akten op dit aanvullende advies te reageren. Hetzelfde geldt voor de bestemmingsplankosten. 8.5.21. Denkbaar is dat partijen tussentijds hoger beroep willen instellen tegen dit beslispunt. Ook daarover kunnen partijen zich uitlaten. 9 De beoordeling: waardevermindering percelen Bedrijvenschap in 2011 9.1. Samengevat begroten de deskundigen de waardevermindering van de percelen in eigendom van het Bedrijvenschap als gevolg van de komst van de 380 kV-verbinding en het opleggen van de gedoogverplichting in 2011 als volgt: - standaard+ naar standaardkavels € 236.754,00 - waardevermindering wegens mastvoeten € 471.826,00 - waardevermindering gronden onder verbinding € 2.830.821,50 Totaal € 3.539.401,50 De rechtbank gaat hierna op elk van deze elementen nader in. Standaard+ naar standaard; vervallen zichtlocatie 9.2.
Volledig
In het conceptrapport hadden de deskundigen de waarde van alle langs de A4 gelegen percelen verminderd vanuit de gedachte dat deze de aanwezigheid van de 380 kV-verbinding geheel niet meer als standaard+ kon worden uitgegeven. Naar aanleiding van bezwaren van TenneT hebben de deskundigen dit punt van hun rapport herzien, in die zin dat zij de prijsvermindering alleen hebben berekend over die delen van de kavels die in de gedoogzone liggen. Volgens het Uitwerkingsplan 2009 kon daar gewerkt worden met hoogteaccenten tot 30 meter. De afwaardering van de delen buiten de gedoogzone hebben de deskundigen bij nader inzien herzien, omdat het verband met de aanwezigheid van 380 kV verbinding ontbreekt. De bouwhoogte op die percelen is in het Bestemmingsplan 2014 gesteld op 15 meter; die aanpassing was een eigen keuze van de gemeente en het Bedrijvenschap en werd niet ingegeven door de aanwezigheid van de 380 kV-verbinding. 9.3. Het Bedrijvenschap maakt bezwaar tegen deze aanpassing, omdat de meerwaarde van deze percelen niet zozeer in de bouwhoogte zou zitten, maar vooral in de zichtbaarheid vanaf de A4: aan noord- en zuidkant van de percelen had het verkeer goed zicht op de bebouwing. Door de komst van de 380 kV-verbinding verloren de kavels hun karakter als zichtlocatie, althans werd de kwaliteit ervan verminderd. De meerprijs van deze kavels concentreert zich langs A4 en geldt voor hele kavel, maar de reden voor die hogere (gemiddelde) uitgifteprijs is gelegen in het zicht op het bouwdeel vanaf de A4 dat door het ‘hoogteaccent’ werd vergroot. Het onderscheid dat de deskundigen in het uiteindelijke rapport maken tussen delen van de kavel binnen en buiten de gedoogzone is daarom onjuist. 9.4. TenneT is het grotendeels eens met de aangepaste berekening van de deskundigen; zij betoogt alleen dat de standaard+ kavels geen werkelijke meerwaarde vertegenwoordigden. Dit zou blijken uit het feit dat ook op de kavels waar dat mogelijk was, niet altijd hoogteaccenten zijn gebouwd. Verder veronderstellen de deskundigen dat er belangstellende kopers zouden zijn geweest; die zijn er in de praktijk volgens TenneT niet geweest. Ten aanzien van de kwalificatie als zichtlocatie voert TenneT aan dat het zicht op het bedrijventerrein vanaf de A4 wordt beperkt door een vrij fors talud met beplanting. Van een goede zichtlocatie is dus geen sprake, om andere redenen dan de aanwezigheid van de hoogspanningsverbinding. Het beperkte zicht dat er wel is, wordt niet belemmerd door de aanwezigheid van de lijnen. 9.5. De rechtbank is van oordeel dat de deskundigen in hun definitief deskundigenrapport goed hebben onderbouwd waarom de afwaardering voor standaard+ kavels alleen ziet op die delen van de kavels met dubbelbestemming in de gedoogzone, waar volgens het Uitwerkingsplan 2009 gewerkt kon worden met hoogteaccenten tot 30 meter. 9.6. Het Bedrijvenschap lijkt ervan uit te gaan dat het opleggen van de gedoogplicht in 2011 een hoogtebeperking tot 15 meter meebracht, ook voor de gronden buiten de gedoogzone; aan de andere kant benadrukt het Bedrijvenschap in de pleitnota dat de bouwhoogte buiten de gedoogzone in het Uitwerkingsplan 2009 al 15 meter was. Ook uit de eigen stellingen van het Bedrijvenschap vloeit dus voort dat de mogelijkheid om buiten de gedoogzone hoogteaccenten aan te brengen door de gedoogplicht niet is beïnvloed. Waarom de hoogteaccenten een grotere invloed op de gemiddelde prijs per m2 van de gehele kavel zouden hebben dan de deskundigen al hebben berekend door een hogere prijs voor de strook langs de A4 aan te houden, heeft het Bedrijvenschap onvoldoende toegelicht. 9.7. Ook het argument van TenneT over het zicht volgt de rechtbank niet. In alinea 13.9 van hun rapport hebben de deskundigen erop gewezen dat de vraag moet worden beantwoord of bij oplegging van de gedoogplicht in 2011 een waardevermindering intrad, uitgaand van de op dat moment bestaande bestemming en uitgiftemogelijkheden. In de situatie vóórdat de gedoogplicht werd opgelegd was sprake van twee als zichtlocatie aan te merken zones direct langs de A4 waar hoogteaccenten tot 30 meter waren toegestaan, en waarvan aannemelijk is dat er destijds gelet op de prijs gegadigden voor waren. Dat zich nadien geen belangstellenden hebben gemeld, doet aan die constatering niet af. De deskundigen merken daarover terecht op dat het bedrijventerrein ten tijde van het opleggen van de gedoogplicht in 2011 nog in ontwikkeling verkeerde en dat na het opleggen van de gedoogplicht reguliere uitgifte in de gedoogzone niet meer mogelijk was. De rechtbank passeert om die reden het standpunt van TenneT dat zich in de markt nooit een afslag zou hebben gemanifesteerd. 9.8. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de deskundigen de waardevermindering op de peildatum van 24 februari 2011 terecht en op goede gronden gerekend met – voor standaardkavels – een uitgifte prijs van € 269,00 ex btw per m2 grond en – voor standaard+ kavels – een uitgifteprijs van € 287 per m2. De deskundigen hebben aansluiting gezocht bij de uitgifteprijzen in 2011, deze aan de markt getoetst en marktconform bevonden. De rechtbank sluit zich daarbij aan en passeert om die reden de stellingen van het Bedrijvenschap dat van een andere systematiek had moeten worden uitgegaan. Waardevermindering wegens mastvoeten 9.9. De deskundigen zijn in hun definitief rapport naar aanleiding van het verweer van het Bedrijvenschap tot de bevinding gekomen dat de gronden onder de mastvoeten in het economisch verkeer geen waarde vertegenwoordigen. De rechtbank neemt het advies van de deskundigen over en maakt dit tot de hare. Het bezwaar van TenneT dat voor de onbruikbaarheid van gronden maar éénmaal compensatie kan worden toegekend, wordt hierna in randnummer 10.18 e.v. besproken. Waardevermindering gronden met dubbelbestemming 9.10. De deskundigen zijn er vanuit gegaan dat de waarde van de gronden van het Bedrijvenschap door de gedoogverplichting 50% in waarde zijn gedaald. Dit percentage is een schatting, gebaseerd op hun ervaring en situaties elders in het land, waaronder bedrijventerreinen in Zwolle en Schiedam en een voorbeeld in de Harnaschpolder in 2019. 9.11. Het Bedrijvenschap meent dat de deskundigen ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de drukkende invloed die de aanwezigheid van de 380 kV-verbinding heeft op de waarde van gronden van het Bedrijvenschap die buiten de gedoogzone zijn gelegen. Het Bedrijvenschap stelt dat mogelijk sprake is van negatieve gezondheidseffecten, die van belang kunnen zijn voor werknemers in kantoorruimten; de realisatie van gevoelige bestemmingen is in de magneetzone ook niet toegestaan. 9.12. TenneT maakt bezwaar tegen de geschatte waardevermindering omdat zij de gebruikte referentie-situaties onvoldoende vergelijkbaar vindt met de situatie in de Harnaschpolder, onder meer omdat de draden daar extra hoog zijn gehangen zodat eronder meer mogelijk is. 9.13. De rechtbank is van oordeel dat de deskundigen in hun rapport goed hebben onderbouwd waarom zij de waardevermindering van de gronden onder de hoogspanningsverbinding op 50% schatten en neemt dit oordeel over. Daarbij weegt de rechtbank het volgende mee. 9.13.1. De deskundigen hebben in reactie op de bezwaren van het Bedrijvenschap aangegeven dat zij in de markt voor bedrijfskavels geen relevant nadelig effect zien vanwege gevreesde gezondheidsnadelen door de nabijheid van een hoogspanningsverbinding. Ook hebben de deskundigen erop gewezen dat bedrijfs- en kantoorruimten niet als gevoelige bestemmingen worden aangemerkt. De door het Bedrijvenschap aangehaalde jurisprudentie ziet (alleen) op woonbestemmingen. Op deze nadere toelichting heeft het Bedrijvenschap niet meer gereageerd; de rechtbank gaat daarom aan de geuite bezwaren voorbij omdat ze onvoldoende zijn geconcretiseerd. 9.13.2. TenneT heeft weliswaar bezwaar gemaakt tegen de gebruikte referentiesituaties, maar heeft geen informatie ingebracht die beter bruikbaar is, terwijl dit gelet op de aard van haar onderneming (ten gunste waarvan vaker gedoogplichten worden opgelegd) wel van haar mocht worden verlangd.
Volledig
Verder rekent TenneT – zoals hiervoor al in 8.5.3 is overwogen – met theoretische exploitatiemogelijkheden die de hoger gehangen draden in de Harnaschpolder met zich meebrengen; de deskundigen hebben gemotiveerd aangegeven dat deze mogelijkheden in werkelijkheid door in de markt bestaande voorkeuren niet worden benut. 10 De beoordeling: exploitatieschade bij uitgifte grond 10.1. In de veronderstelde situatie dat geen gedoogplicht voor de 380 kV-verbinding zou zijn opgelegd, achten de deskundigen het voldoende aannemelijk dat het Bedrijvenschap in de periode na 2011 een aantal in het plangebied in of nabij de gedoogzone gelegen gronden van derden zou hebben verworven en vervolgens uitgegeven. Dit betreft gronden in eigendom van de Staat (Rijkswaterstaat, hierna RWS) en een particulier (hierna: de particulier). De deskundigen hebben voor iedere daadwerkelijke gronduitgifte in het plangebied beoordeeld of sprake is geweest van een dergelijke als gevolg van de gedoogplicht ‘gemiste exploitatie’, en hebben vervolgens beoordeeld welke schade als gevolg hiervan is opgetreden. Samengevat begroten de deskundigen de schade als gevolg van het niet verwerven en uitgeven van de gronden in de gedoogzone en de schade wegens verminderde opbrengst van [projectnaam] III als volgt: - Niet verwerven van gronden in de gedoogzone € 114.439,63 - Niet uitgeven van gronden in de gedoogzone € 855.175,00 - Verminderde opbrengst [projectnaam] III € 1.887.611,50 Totaal € 2.857.226,13 De peildatum voor deze schadeposten stellen de deskundigen gelijk aan de data waarop de desbetreffende uitgiften hebben plaatsgevonden, te weten: 6 oktober 2017 ([projectnaam] I+II), 20 mei 2019 (DHG) en 12 maart 2021 ([projectnaam] III). 10.2. De rechtbank gaat hierna afzonderlijk in op het niet verwerven en uitgeven van gronden in de gedoogzone in 2017 en 2019, en op de schade geleden bij de uitgifte van gronden aan [projectnaam] III in 2021. Niet verwerven en uitgeven gronden in gedoogzone 10.3. Het Bedrijvenschap kan zich niet in de herziene begroting van deze schadeposten vinden, onder meer vanwege de marktconforme uitgifteprijzen die de deskundigen hanteren voor de transacties in 2017 en 2019. De deskundigen zijn namelijk uitgegaan van € 260 per m2, wat lager is dan de marktconforme prijs van € 269 die zij hanteren voor een standaardkavel in 2011. Volgens het Bedrijvenschap vertaalt een marktconforme prijs van € 269 per m2 voor een standaardkavel in 2011 zich in een marktconforme prijs voor datzelfde kavel in 2019 van € 304,09 per m2, omdat niets erop wijst dat de markt voor grond met een bedrijfsbestemming in die periode was gestagneerd en zelfs verzwakt ten opzichte van de marktsituatie in 2011. Het Bedrijvenschap heeft rapporten en grafieken in het geding gebracht om haar standpunt te onderbouwen. De marktconforme grondprijs van € 261 per m2 is volgens het Bedrijvenschap ook niet te rijmen met de voordeelsverrekening die de deskundigen per 2015 hebben toegepast à € 270 per m2. Ook is het Bedrijvenschap van mening dat de deskundigen ten onrechte aannemen dat bij de uitgifte van de kavels [projectnaam] I+II een pionierskorting is verleend, en dat het Bedrijvenschap destijds al had moeten inzien dat delen van percelen 167 en 1503 rendabel geëxploiteerd konden worden als zij die voor de helft van de eerder aangehouden verwervingsprijs had aangekocht. Ten slotte kan het Bedrijvenschap zich ook niet vinden in de afslag voor watercompensatie; het meent dat het plan – dat planologisch mogelijk was gemaakt door het Uitwerkingsplan en waar de aankoop van de gronden van de particulier en RWS deel uitmaakte – voorzag in de aanleg van een bufferstrook tussen de bebouwing van de Harnaskade en de grond met een bedrijvenbestemming. Hierdoor bestond er geen verplichting meer om het dempen van de watergang op de gronden van de particulier en RWS elders binnen het plangebied te realiseren. 10.4. TenneT kan zich op dit punt verenigen met het advies van de deskundigen en de toelichting die zij daarop in de nadere notitie hebben gegeven. TenneT meent dat de door het Bedrijvenschap ingediende rapporten en grafieken ongeschikt zijn om betekenisvolle inzichten aan te ontlenen: zij berusten op transacties die in tijd te ver uiteenlopen, bestaan deels uit echte transacties en deels op waardebepalingen, berusten op transacties onder verschillende planologische regimes, en betreffen transacties voor aanzienlijk uiteenlopende grondoppervlaktes. Bij een grotere oppervlakte wordt doorgaans een lagere prijs per m2 betaald – wat volgens TenneT overigens ook volgt uit de door het Bedrijvenschap ingediende gegevens. 10.5. De deskundigen hebben tijdens de zitting en in hun nadere notitie toegelicht dat in 2011 en daarna in het algemeen sprake was van dalende uitgifteprijzen van bedrijfskavels, welke daling rond 2015/2016 weer gevolgd werd door een stijging. De deskundigen hebben twee grafieken en een overzicht aan hun notitie gehecht waaruit is op te maken dat de grondprijs op het gehele bedrijventerrein Harnaschpolder pas rond 2018/2019 weer het prijsniveau van 2011 had bereikt. De deskundigen wijzen erop dat als men de hypothetische situatie zonder 380 kV-verbinding met gedoogplicht berekent volgens deze methode – die gebaseerd is op alle informatie over de transacties van het Bedrijvenschap over de periode tussen 2011 en 2019 – men vervolgens niet enkele individuele transacties uit de opstelling kan halen om te zien of die van de gehanteerde uitgangspunten afwijken. Verder hebben de deskundigen erop gewezen dat de prijs per m2 bij grotere kavels gewoonlijk lager ligt dan bij kleinere kavels. 10.6. De rechtbank is van oordeel dat de in het definitieve rapport en de nadere notitie opgenomen berekening en onderbouwing op de meeste onderdelen goed zijn onderbouwd en overgenomen kunnen worden. Dat geldt niet voor de onderdelen watercompensatie en de aftrek wegens de mogelijke exploitatie van DHG-fase 2. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende. Marktconforme uitgifteprijzen 10.7. Anders dan het Bedrijvenschap lijkt aan te nemen, hebben de deskundigen hun berekening van de marktconforme uitgifteprijs in de periode 2017/2019 niet uitsluitend gebaseerd op de marktontwikkeling in de gemiddelde transactieprijs van industriepanden, maar ook op de marktontwikkeling in de uitgifteprijzen van bedrijfskavels. 10.8. Bovendien hebben de deskundigen de uitgifteprijzen van het gehele bedrijventerrein Harnaschpolder in hun berekeningen meegenomen en hebben zij ook aandacht besteed aan de aard van de transacties (zowel qua oppervlakte als soort bedrijvigheid). De deskundigen hebben ook toegelicht dat en waarom voor grotere kavels doorgaans een lagere vierkantemeterprijs wordt gehanteerd; het Bedrijvenschap heeft dit niet voldoende concreet weersproken. 10.9. De parallel die het Bedrijvenschap trekt met de marktconforme uitgifteprijs die de deskundigen voor de voordeelsverrekening hanteren, gaat niet op omdat de bij de voordeelsverrekening gehanteerde prijs op een ander type kavel ziet. 10.10. Het Bedrijvenschap heeft er in alinea 6.1.3 e.v. van haar akte na deskundigenbericht op gewezen dat de pionierskorting door de deskundigen is bedacht, maar niet door partijen is genoemd. Zij stelt dat in werkelijkheid ook geen korting is gegeven. De rechtbank is echter van oordeel dat het op de weg van het Bedrijvenschap had gelegen om na het deskundigenrapport en de daarin gemotiveerd berekende marktconforme prijs nader aan te geven op welke manier de komst van de 380 kV-verbinding met gedoogplicht de prijs van de kavels [projectnaam] I+II heeft gedrukt. Deze informatie ligt immers in haar sfeer. Nu het in de markt niet ongebruikelijk is om de eerste afnemers van kavels binnen een nieuw project een gunstiger prijs te geven omdat bedrijvigheid nieuwe bedrijvigheid aantrekt, is de rechtbank van oordeel dat de deskundigen bij gebrek aan nadere informatie tot hun begroting van de marktconforme prijs hebben kunnen komen. 10.11.
Volledig
Het Bedrijvenschap kan de redenering van de deskundigen niet volgen; zij meent dat de deskundigen er ten onrechte aan voorbijgaan dat de door haar gerealiseerde uitgifteprijzen lager zijn uitgevallen vanwege de 380 kV-verbinding en gaat hier in de akte van 23 juli 2025 opnieuw uitgebreid op in. Het Bedrijvenschap heeft bij de akte van 23 juli 2025 berekeningen van Ecorys overgelegd waaruit zou blijken dat de (genormaliseerde) gemiddelde uitgifteprijs in 2011 € 290 per m2 was, en in 2019 € 320, wat een stijging van 10,3% is. 10.12. Dit standpunt van het Bedrijvenschap volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan het advies van de deskundigen over de uitgifteprijzen 2011-2019, zoals weergegeven in randnummer 10.5, worden gevolgd. De rechtbank neemt dit advies over in haar oordeel. De door het Bedrijvenschap overgelegde analyses van Ecorys en Stec brengen de rechtbank niet op andere gedachten, mede gelet op de reactie daarop van TenneT in de akte van 17 september 2025. Watercompensatie 10.13. Ten aanzien van de watercompensatie op de percelen van de particulier en RWS hebben de deskundigen hun conceptadvies herzien in §14.12 en §14.16 van het definitieve rapport. Zij hebben nu de kosten van demping van bestaand water en graven van nieuw water meegenomen in hun berekeningen. In reactie hierop heeft het Bedrijvenschap in §4 van de akte na definitief deskundigenrapport gesteld dat in het Uitwerkingsplan 2009 en de keurvergunning van 6 februari 2006 al was voorzien in de aanleg van water in de bufferstrook tussen de bebouwing van de Harnaskade en de grond met een bedrijvenbestemming. Daarmee bestond er geen plicht meer om het dempen van de watergang op de gronden van de particulier en RWS elders te compenseren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het Bedrijvenschap hier nogmaals op gewezen. 10.14. De deskundigen hebben ter zitting voorgesteld hierover het Waterschap te raadplegen. TenneT heeft niet inhoudelijk op dit punt gereageerd. 10.15. Naar het oordeel van de rechtbank is het debat op dit punt niet voldragen. De rechtbank neemt zich voor het Bedrijvenschap in de gelegenheid te stellen om haar standpunten over de watercompensatie aan de hand van het Uitwerkingsplan 2009 en de keurvergunning 2006 nader toe te lichten, waarna TenneT en (zo nodig) de deskundigen om een reactie kan worden gevraagd. De rechtbank zal de procedure hiertoe naar de rol verwijzen. Aftrek schade voor het niet rendabel exploiteren DHG fase 2 10.16. In §14.13, 14.15 en 4.16 van het definitieve deskundigenrapport herzien de deskundigen hun conceptadvies ten aanzien van de schade voor het niet rendabel kunnen exploiteren van delen van percelen 167 en 1503 (DHG fase 2). Zij adviseren nu dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt het negatief verschil tussen het te behalen uitgifteresultaat zonder en met de gedoogplicht. 10.17. In §4.2 van de akte na deskundigenbericht betwist het Bedrijvenschap gemotiveerd dat zij destijds al had moeten inzien dat zij onverminderd rendabele delen van de gronden van RWS en de particulier had kunnen verwerven en uitgeven. Volgens het Bedrijvenschap hebben de deskundigen dan ook ten onrechte een bedrag van € 446.225 in mindering gebracht. Het Bedrijvenschap heeft indertijd – mede vanwege de grote onduidelijkheden over de belemmeringen vanwege de gedoogplicht – besloten om af te zien van verwerving van (delen van) de gronden van RWS en de particulier. Die keuze heeft het Bedrijvenschap gemaakt met het oog op beperking van haar schade en het is niet redelijk haar er op af te rekenen dat dit achteraf (mogelijk) niet de optimale keuze is geweest. De deskundigen hebben niet onderbouwd waarom het Bedrijvenschap destijds al had moeten inzien dat verwerving rendabel had kunnen zijn. Daarnaast gaan de deskundigen er ten onrechte vanuit dat het Bedrijvenschap de gronden voor 50 % van de complexwaarde van € 70 had kunnen verwerven. Een redelijk denkend en handelend verkoper zouden daarmee niet akkoord zijn gegaan. In een onteigeningsprocedure zouden de particulier en RWS de complexwaarde van € 70 m2 voor hun gronden hebben gekregen. 10.18. Het Bedrijvenschap heeft voor deze punten van kritiek opnieuw aandacht gevraagd tijdens de mondelinge behandeling. De deskundigen zijn bij hun standpunt gebleven. 10.19. De rechtbank volgt het advies van deskundigen niet. Mede gelet op de onduidelijkheden over de belemmeringen vanwege de gedoogplicht, het tot dan toe berekende negatieve exploitatieresultaat en het gegeven dat het Bedrijvenschap haar schade moest beperken, kan het Bedrijvenschap in redelijkheid niet worden verweten of toegerekend dat zij heeft afgezien van verwerving van deze delen van de grond voor exploitatie. De rechtbank is van oordeel dat de deskundigen te gemakkelijk veronderstellen dat het Bedrijvenschap de percelen voor 50% van de complexwaarde van RWS en de particulier had kunnen verwerven. Aansluiten bij de complexwaarde (onteigeningswaarde) ligt meer in de rede. De rechtbank is voornemens de deskundigen te vragen om met deze uitgangspunten een nieuwe berekening te maken. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich daar eerst over uit te laten. Met dat doel zal de procedure naar de rol worden verwezen. Exploitatieschade bij uitgifte gronden [projectnaam] III 10.20. De deskundigen hebben de uitgangspunten voor de berekening ten aanzien van de [projectnaam] III-gronden aangepast naar aanleiding van de akte na deskundigenbericht van TenneT, omdat zij het bij nader inzien inderdaad meer voor de hand vinden liggen om deze schade als per 12 maart 2021 geleden exploitatieschade te begroten en niet als een waardevermindering die al in 2011 is opgetreden. Ook hebben de deskundigen naar aanleiding van de akte van TenneT onderkend dat bij de normalisatie van de uitgifteprijs in Bijlage 4 bij hun rapport met een onjuiste oppervlakte van de [projectnaam] III-gronden was gerekend, omdat de restoppervlakte van Perceel Q1922 (868 m2) ten onrechte buiten beschouwing was gelaten. Het gewijzigde uitgangspunt dat de schade bij de verkoop van de [projectnaam] III-gronden niet als waardevermindering in 2011 maar als exploitatieschade in 2021 moet worden begroot, bracht mee dat de deskundigen voor deze gronden een marktconforme prijs zonder 360 kV-verbinding moesten vaststellen. Daarvoor hebben zij aansluiting gezocht bij de andere uitgiften door het Bedrijvenschap in of rond 2021, zoals kenbaar uit productie 11 van de Akte na deskundigenrapport van het Bedrijvenschap. Deze kavels zijn echter qua vorm, ligging, oppervlakte, bebouwingspercentage en ontsluiting meer courant dan de [projectnaam] III-kavels. Een en ander overziend stellen de deskundigen de marktconforme uitgifteprijs in 2021 zonder de 380 kV-verbinding op € 285 per m2, zodat zij deze schade als volgt begroten: Paardekoper - fase 3 (2021) Totale oppervlakte uitgifte 44.188 m2 Onder dubbelbestemming (zonder mastvoet) 8.285 m2 Mastvoet 1.000 Overblijvende perceel Q 1922 868 m2 Niet onder dubbel 34.035 m2 Totale koopsom € 9.205.890,00 Waarde per m2 € 208,33 Genormaliseerd: 34.035 € 238,42 9.153 € 119,21 1.000 € - € 9.205.890,00 Schade onder dubbelbestemming Uitgifte zonder 380 10.153 € 285,00 € 2.893.605,00 Uitgifte met 380 (mastvoet) 1.000 € - € - Uitgifte met 380 (overig) 9.153 € 119,21 € 1.091.145,27 € 1.802.459,73 Vergoed in 2011 9.153 € 134,50 € 1.231.078,50 Vergoed in 2011 1.000 € 269,00 € 269.000,00 € 302.381,23 Schade buiten dubbelbestemming Zonder 380 34.035 € 285,00 € 9.699.975,00 Met 380 34.035 € 238,42 € 8.114.744,73 € 1.585.230,27 TOTAAL € 1.887.611,50 De genormaliseerde uitgifteprijs in 2021 hebben de deskundigen toegelicht in Bijlage 5 en hun nadere notitie. 10.21. Het Bedrijvenschap kan de redenering van de deskundigen niet volgen; zij meent dat de deskundigen er ten onrechte aan voorbijgaan dat de door haar gerealiseerde uitgifteprijzen lager zijn uitgevallen vanwege de 380 kV-verbinding.
Volledig
Daarbij snapt het Bedrijvenschap niet dat de deskundigen vasthouden aan hun redenering dat de marktconforme prijs in 2011 € 269 was en in 2019 € 260; de CBS-index die de deskundigen als bijlage 1 bij hun rapport hebben gevoegd, geeft een stijging van 5% aan en geen daling van 4%. Overigens ziet de CBS-index op industriepanden en niet op de uitgifte op grond voor bedrijfsdoeleinden, zodat het Bedrijvenschap de CBS-index in deze zaak sowieso geen goede indicator vindt. Bovendien kan men volgens het Bedrijvenschap niet enerzijds stellen dat de gerealiseerde uitgifteprijs voor [projectnaam] III wel negatief is beïnvloed door de aanwezigheid van de 380 kV-verbinding, maar de uitgifteprijzen voor [projectnaam] I+II en DHG niet. De transacties van het Bedrijvenschap zelf die de deskundigen in de regressieanalyse over de periode 2011-2019 hebben betrokken, bevatten ook een statistische uitbijter met een afwijkend hoge vierkantemeterprijs (de Eneco-transactie à € 340 per m2); deze transactie hadden de deskundigen moeten verwijderen. Daarentegen hebben zij ten onrechte de DC Berkel-uitgifte uit 2015 van € 311 per m2 niet meegenomen. Het Bedrijvenschap heeft berekeningen van Ecorys overgelegd waaruit zou blijken dat de (genormaliseerde) gemiddelde uitgifteprijs in 2011 € 290 per m2 was, en in 2019 € 320, wat een stijging van 10,3% is. 10.22. Hoewel het schadebedrag hoger uitvalt, kan TenneT zich in de herziene berekeningsmethode van deze post vinden, nadat de deskundigen in alinea 13 van hun nadere notitie de dubbeltelling ten aanzien van een restoppervlakte van 868m2 op perceel Q1922 hebben gecorrigeerd. TenneT meent echter dat de deskundigen ten onrechte de 640 m2 van perceel Q1922 in de schadepost hebben meegenomen die ook al voor 50% is afgewaardeerd op grond van de aanwezigheid van een mastvoet. TenneT heeft hier in haar akte na deskundigenrapport op gewezen. In de akte van 13 juli 2025 werkt TenneT de afwaardering uit voor de correctie van deze 640 m2 op € 190.899. Volgens TenneT bedraagt de exploitatieschade voor [projectnaam] III daarom niet de door de deskundigen berekende € 1.887.611,50 maar € 1.696.713. 10.23. De rechtbank is van oordeel dat de deskundigen de wijze van begroten van dit onderdeel van hun nadere advies goed hebben onderbouwd en neemt dit over met in begrip van de correctie door deskundigen van de dubbeltelling ten aanzien van een restoppervlakte van 868m2 op perceel Q1922. Op deze correctie heeft het Bedrijvenschap in de akte van 23 juli 2023 ook niet meer gereageerd. Wel stelt de rechtbank vast dat de deskundigen zich in hun definitieve rapport en de nadere notitie niet hebben uitgelaten over een afwaardering voor de 640 m2 van perceel Q1922. Vooralsnog komt de rechtbank de door TenneT berekende correctie terecht voor. Omdat TenneT deze correctie pas in haar akte van 13 juli 2025 heeft voorgerekend, zal de rechtbank het Bedrijvenschap in de gelegenheid stellen daarop te reageren, alvorens over deze voorgestelde correctie te beslissen. 10.24. Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende. De waardevermindering van het perceel vanwege de gedoogplicht voor onder meer de mastvoet betreft schade die per 2011 is ingetreden. De hier te beoordelen schade betreft exploitatieschade die nadien is geleden; het feit dat de waarde van de grond is verminderd, staat aan het lijden van nadere exploitatieschade niet in de weg. 10.25. Door de herziene benadering van deze post als in 2021 geleden exploitatieschade hebben de deskundigen alleen in en rond 2021 voltrokken transacties als referentie gehanteerd. Daarmee zijn de door het Bedrijvenschap aangevoerde bezwaren over de wel en niet meegenomen transacties uit de periode 2015-2019 voor deze schadepost niet meer relevant. 11 Vervallen reclamemast 11.1. In het bestemmingsplan Harnaschpolder Weteringzone (2005) en het Uitwerkingsplan Harnaschpolder Weteringzone (2009) was in de zuidwestpunt van het perceel Schipluiden Q1799 (later: Q166) een reclamemast van maximaal 25 meter hoog voorzien. De deskundigen komen tot het oordeel dat deze mogelijkheid door de oplegging van de gedoogplicht en de daarmee verbonden beperkingen is komen te vervallen. Als gevolg hiervan is volgens de deskundigen per 24 februari 2011 sprake geweest van een waardevermindering van het betreffende perceel. De deskundigen hebben de waardevermindering van het perceel berekend door eerst de toekomstige opbrengsten van verhuur c.q. uitgifte in opstal van de ondergrond van de mast contant te maken naar de veronderstelde oprichtingsdatum in 2013, aan de hand van referentie-objecten. Daarmee is de waarde per 2013 inzichtelijk. Vervolgens is die waarde vanuit 2013 over twee jaar contant gemaakt naar de peildatum in februari 2011. Tot slot is de restwaarde van het perceel in de situatie met gedoogplicht beoordeeld. Zo zijn de deskundigen gekomen op een waardevermindering van (€ 899.257 - € 16.813 =) € 882.445. 11.2. Het Bedrijvenschap kan zich met deze berekening verenigen. 11.3. TenneT is van mening dat het Bedrijvenschap geen schade heeft geleden door het vervallen van de reclamemast, omdat nadien in Harnaschpolder-Oost de Bauhaus-reclamemast is gerealiseerd en in latere planologische documenten slechts één reclamemast voor algemene commerciële doeleinden is voorzien. Verder heeft TenneT bezwaar tegen de referentieobjecten die de deskundigen bij de schadeberekening hebben gehanteerd. 11.4. De rechtbank maakt het oordeel van de deskundigen tot het hare. Naar aanleiding van de bezwaren van TenneT hebben de deskundigen namelijk onderzocht of de Bauhaus-mast als vervanging of compensatie is aan te merken, maar zij hebben hiervoor geen aanwijzingen gevonden. Ook merken de deskundigen op dat de afstand tussen de Bauhaus-mast en perceel Q166 (1,5 km) zo groot is dat dit onwaarschijnlijk is: beide masten kunnen functioneren zonder verlies van attentiewaarde. Verder hebben de deskundigen erop gewezen dat de latere planologische documenten alle zijn vastgesteld in de situatie met 380 kV-verbinding, zodat deze niets zeggen over de situatie zonder 380 kV-verbinding. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de bezwaren van TenneT. De waardevermindering per peildatum 24 februari 2011 voor het vervallen van de reclamemast is correct begroot op € 882.445. 12 De beoordeling: verrekening voordeel vervallen 150 kV-verbinding 12.1. Deskundigen wijzen erop dat onder meer uit de gedoogbeschikking zelf blijkt dat het te gedogen werk een combinatie vormt van een 380 kV-verbinding en een 150 kV-verbinding, waardoor de bestaande 150 kV-verbinding overbodig wordt. In het rijksinpassingsplan behoort het bestaande tracé van de 150 kV-verbinding tot het plangebied en wordt vermeld dat de beschermende bepalingen van de bestaande verbinding worden verwijderd omdat zij niet meer nodig zijn. In de schadebegroting hebben de deskundigen rekening gehouden met het voordeel dat het wegens de oprichting van de 380 kV-verbinding vervallen van de 150 kV-verbinding op zijn percelen het Bedrijvenschap heeft opgeleverd. Dit voordeel hebben de deskundigen – na herziening – begroot op € 4.252.500. Naar aanleiding van de akte na deskundigenbericht van TenneT hebben de deskundigen de door de 150 kV-verbinding belaste oppervlakte namelijk nogmaals opgemeten. In de berekening in de aanvullende notitie komen de deskundigen uit op een onder de 150 kV-verbinding gelegen oppervlakte van circa 24.000 m2 en een niet-bebouwbare overhoek van circa 6.000 m2. De gehele oppervlakte van 30.000 m2 kon na het vervallen van de 150 kV-verbinding – per peildatum 31 december 2013 – worden uitgegeven voor een marktconforme uitgifteprijs van € 270 m2; in totaal komt dit op € 8.100.000. De gronden zijn ook daadwerkelijk uitgegeven. Toen de 150 kV-verbinding er nog was, kon 1.500 m2 niet worden uitgegeven in verband met de mastvoet en de overige 28.500 m2 was uitgeefbaar tegen 50% van de marktconforme prijs (€ 270/2=) € 135 m2, dus voor een totaalbedrag van € 3.847.500. Het voordeel komt dan op (€ 8.100.000 - € 3.847.500 =) € 4.252.500. Vervallen 150 kV-verbinding in redelijkheid toe te rekenen aan komst 380 kV-verbinding 12.2.
Volledig
Het Bedrijvenschap is primair van mening dat voor voordeelsverrekening geen plaats is. Ten eerste omdat de 150 kV-verbinding pas is wegbestemd in het Bestemmingsplan 2014, dat pas is vastgesteld op 27 juni 2017. Het voordeel van de wegbestemming en het nadeel van de komst van de 380 kV-verbinding zijn afkomstig uit verschillende plannen, op verschillende momenten in de tijd; daardoor ontbreekt daartussen het vereiste conditio sine qua non-verband, aldus het Bedrijvenschap. Ten tweede vindt het Bedrijvenschap dat het voordeel haar in redelijkheid niet kan worden toegerekend, omdat het ontstane voordeel op de toevallige omstandigheid berust dat zij zowel gronden onder de 150 kV- als de 380 kV-verbinding bezit. Een grondeigenaar voor wie dat niet geldt, hoeft geen voordeel aan TenneT te vergoeden. 12.3. De rechtbank stelt vast dat in het rijksinpassingplan is bepaald dat als gevolg van de komst van de 380 kV-verbinding (een deel van) de 150 kV-verbinding ‘komt te vervallen’. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit het op grond van artikel 6:100 BW vereiste causale verband. Daaraan doet niet af dat de 150 kV-verbinding pas in een later plan is wegbestemd. Voor wat betreft de toerekening geldt het volgende. Partijen het erover eens zijn dat het besluit om de 150 kV-verbinding op de percelen van het Bedrijvenschap te laten vervallen ‘samenhangt’ met de komst van de 380 kV-verbinding. De rechtbank is van oordeel dat deze samenhang tussen het vervallen van de 150 kV-verbinding en de komst van de 380 kV-verbinding voldoende is om het vervallen van de 150 kV-verbinding op de percelen van het Bedrijvenschap aan te merken als een gevolg van de komst van de 380 kV-verbinding als bedoeld in artikel 6:98 BW. 12.4. Het feit dat een eigenaar die wel percelen onder de 380 kV-verbinding maar niet onder de 150 kV-verbinding niet met voordeelsverrekening wordt geconfronteerd, maakt niet dat het onredelijk is het genoten voordeel mee te nemen in de schadebegroting. Er is immers een concrete reden voor dit verschil. 12.5. De rechtbank kan zich in grote lijnen vinden in het herziene advies van de deskundigen, met uitzondering van de gekozen peildatum en de 5.000 m2 die verband hield met de waterberging. De rechtbank gaat eerst in op de uitgifteprijs, dan op de 5.000 m2 die verband hield met de waterberging en ten slotte op de wijze waarop de deskundigen de waardestijging van de grond hebben gewaardeerd. Uitgifteprijs 12.6. De rechtbank sluit zich aan bij een uitgifteprijs van € 270 waarmee de deskundigen hebben gerekend. De wijze waarop zij dit hebben gedaan is consistent, gebaseerd op referenties en sluit aan bij de werkwijze elders in hun advies, zie onder meer de werkwijze als omschreven in randnummer 10.5. De deskundigen zijn uitgegaan van een constante uitgifteprijs in de periode 2011 tot en met 2017. Die uitgifteprijs past ook bij de afwijkende peildatum die de rechtbank hierna zal vaststellen, omdat die peildatum binnen de genoemde periode valt. 12.7. De rechtbank gaat dus voorbij aan hetgeen TenneT hierover naar voren heeft gebracht. TenneT kan zich grotendeels in de herziene berekening van de deskundigen vinden, met dien verstande dat het te verrekenen voordeel volgens TenneT in totaal geen € 4.252.000 maar € 4.609.927,50 bedraagt. In de akte van 13 juli 2025 schrijft TenneT dat het genoten voordeel niet abstract maar concreet moet worden berekend, dus niet met een ‘normale uitgifteprijs’ van € 270 per m2 maar met de prijs die het Bedrijvenschap daadwerkelijk heeft ontvangen van Delta en Caprev, dus € 318 en € 265 per m2 (zie rapport [bedrijfsnaam] van 10 februari 2022, productie 2 bij de akte van 22 mei 2025). Dit betekent dat het Bedrijvenschap voor de 30.000 m2 meer geld heeft ontvangen, namelijk (14.395 m2 x € 265 van Caprev) + (€ 15.605 x € 318 van Delta) = € 8.745.885 i.p.v. de € 8.100.000 waar de deskundigen mee rekenen. De rechtbank volgt TenneT niet. Allereerst sluit de prijzen niet aan bij de peildatum die de rechtbank hierna vaststelt en ook zou de benadering van TenneT afbreuk doen aan de consistente lijn en uitgangspunten die de deskundigen hebben gehanteerd bij het begroten van de waardevermindering. De door TenneT gehanteerde aantallen m2 en cijfers worden ook niet, althans onvoldoende bevestigd door het rapport [bedrijfsnaam]. Geen 30.000 m2 maar 25.000 m2 vrijgevallen 12.8. Door de plicht om 5.000 m2 (van de 30.000 m2) waterberging aan te houden, kwam bij het vervallen van de 150 kV-verbinding volgens het Bedrijvenschap geen 30.000 m2 maar 25.000 m2 aan bruikbaar terrein beschikbaar. Als wel met 30.000 m2 wordt gerekend, moet bij de berekening van het voordeel in elk geval ook rekening worden gehouden met de kosten voor het dempen van de bestaande waterpartij, het slopen van de bestaande woning in de belaste strook en het realiseren van vervangend water elders. 12.9. Volgens de deskundigen zijn de extra kosten in verband met het dempen van de waterpartij en het slopen van de woning echter kosten die het Bedrijvenschap met of zonder de 150 kV-verbinding had moeten maken om tot uitgifte van de grond te kunnen komen. Omdat deze kosten in beide situaties gelijk zijn, hebben de deskundigen deze kosten bij het begroten van het voordeel buiten beschouwing gelaten. 12.10. Tennet heeft zich over dit punt niet uitgelaten. 12.11. De rechtbank is van oordeel dat bij de schadebegroting rekening moet worden gehouden met het voordeel dat het Bedrijvenschap heeft genoten door het vrijvallen van de gronden die door de 150 kV-verbinding waren belast. Echter, anders dan de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat het Bedrijvenschap door te wijzen op de Partiële herziening Harnaschpolder-Zuid (vastgesteld 24 september 2019) toereikend heeft onderbouwd dat van de 30.000 m2 grond die vrijkwam bij het vervallen van de 150 kV-verbinding, 5.000 m2 als waterberging fungeerde, dat het Bedrijvenschap verplicht was om de waterberging elders te realiseren en dat zij daarvoor elders uitgeefbare grond moest aanwenden. Per saldo heeft het Bedrijvenschap dus voor de 5.000 m2 waterberging onder de 150 kV-verbinding geen voordeel genoten, althans is het, in de zin van artikel 6:100 BW, niet redelijk om het vrijvallen van de waterberging in deze omstandigheden als een voordeel te verrekenen. Voor het overige sluit de rechtbank aan bij de herziene berekening van de deskundigen, en maakt die tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank het voordeel begroot op de waardestijging van de betrokken gronden van € 3.847.500 naar (25.000 m2 x € 270 = € 6.750.000), dus € 2.902.500. Peildatum genieten voordeel 12.12. Uit een mediabericht maken deskundigen op dat de sloop van de 150 kV-verbinding is gestart op 12 maart 2013. Bij gebreke van verdere gegevens hebben zij 31 december 2013 aangehouden als peildatum waarop het te verrekenen voordeel zich voor het Bedrijvenschap heeft voorgedaan. 12.13. Het Bedrijvenschap heeft er in de reactie op het concept-deskundigenrapport en weer bij akte na het herziene deskundigenbericht op gewezen dat het per 31 december 2013 nog niet over een voordeel beschikte, omdat de percelen op dat moment nog de bestemming ‘Water en Groenvoorzieningen” hadden. De percelen kregen pas een bedrijfsbestemming in het bestemmingsplan “Harnaschpolder Zuid 2014”, dat op 27 juni 2017 is vastgesteld. Op dat moment waren de percelen echter nog onverplicht bestemd als waterberging; dit is pas verholpen bij de partiële herziening van 24 september 2019. Het voordeel van het vervallen van de 150 kV-verbinding zou volgens het Bedrijvenschap dus op zijn vroegst pas per die datum kunnen worden ingeboekt. 12.14. TenneT heeft over de peildatum van deze post verder geen opmerkingen gemaakt. 12.15. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het te verrekenen voordeel in redelijkheid zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij het moment dat het voordeel daadwerkelijk is genoten, gelet ook op de consequenties voor de renteverrekening. Het voordeel is niet genoten op het moment waarop de 150 kV-verbinding feitelijk is verwijderd, omdat toen nog geen sprake was van onbelemmerde, uitgeefbare grond voor een bedrijfsbestemming.