Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:27566
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,043 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:27566 text/xml public 2026-02-27T11:25:26 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-04-17 AWB 24/10416 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27566 text/html public 2026-02-27T11:25:03 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27566 Rechtbank Den Haag , 17-04-2025 / AWB 24/10416 Verzoek om schadevergoeding ex. artikel 8:88 Awb - materiële schade: de gevraagde vergeoding voor het gederfde inkomen komt niet voor toewijzing in aanmerking. Het relativiteitsvereiste staat hieraan in de weg - immateriële schade: verweerder stelt terecht dat verzoeker geen documenten heeft overgelegd waaruit de immateriële schade blijkt - de rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/10416 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. J.S. Jordan), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb . 1.1. Verzoeker heeft verweerder op 1 juni 2024 aansprakelijk gesteld. Omdat verzoeker geen reactie van verweerder heeft ontvangen, heeft hij op 24 juni 2024 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij de rechtbank. 1.2. Verweerder heeft op 30 oktober 2024 met een verweerschrift op het verzoek om een schadevergoeding gereageerd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verzoeker. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1961 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Verzoeker heeft op 18 januari 2019 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Verweerder heeft deze aanvraag op 2 april 2019 afgewezen en de rechtbank heeft op 17 augustus 2020 het beroep hiertegen ongegrond verklaard. Op 23 april 2021 heeft de hoogste bestuursrechter het hoger beroep vervolgens gegrond verklaard, waarna verweerder een nieuw besluit moest nemen. Verweerder heeft op 17 maart 2022 het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, maar deze beschikking is op 15 november 2022 ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar op 2 december 2022 opnieuw ongegrond verklaard, maar aan verzoeker ambtshalve een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden verleend, geldig van 18 januari 2019 tot 18 januari 2024. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de door hem, als gevolg van verweerders besluitvorming, geleden schade. 3. Verweerder neemt wel aan dat sprake is van een aan hem toerekenbare onrechtmatige daad, maar concludeert dat verzoeker wat betreft de gestelde financiële schade niet heeft aangetoond dat is voldaan aan de relativiteitseis. Wat betreft de immateriële schade vindt verweerder dat verzoeker niet met stukken heeft aangetoond dat hij als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming psychische schade heeft geleden en dat het niet zo is dat de aard en de ernst van de normschending met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen voor verzoeker zo voor de hand liggen dat een aantasting van de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Verweerder concludeert dat verzoeker geen recht heeft op schadevergoeding. Wat vindt verzoeker in beroep? 4. Verzoeker vindt dat hij recht heeft op schadevergoeding, omdat hij in de periode tussen 18 januari 2019 en 2 december 2022 ten onrechte geen verblijfsrecht in Nederland gehad. Hierdoor heeft verzoeker materiële schade geleden, omdat de gemeente zijn bijstandsuitkering heeft stopgezet en hij geen recht had op zorgverzekering. Ook heeft verzoeker immateriële schade geleden, omdat hij lang in een voor hem onzekere situatie heeft verkeerd. Hij leefde continu in angst omdat hij kon worden uitgezet. Op zitting heeft verzoeker verduidelijkt dat hij verzoekt om een schadevergoeding van €80.000,- omdat de bestuursrechter in vreemdelingenzaken exclusief bevoegd is om schadevergoedingsverzoeken te behandelen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. 5.1. De rechtbank stelt voorop dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit. De bestuursrechter is bovendien bij uitsluiting bevoegd tot behandeling van een verzoek om schadevergoeding die een vreemdeling lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit ten aanzien van deze vreemdeling. De bestuursrechter zoekt bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding aansluiting bij het civiele schadevergoedingsrecht. De gestelde schade moet causaal verband houden met het onrechtmatige besluit. Dit causale verband is er niet als de schade ook zou zijn geleden als verweerder een rechtmatig besluit had genomen. Daarnaast moet beoordeeld worden of het relativiteitsbeginsel niet aan vergoeding van schade aan verzoeker in de weg staat. 5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 2 april 2019, waarin verzoekers aanvraag is afgewezen, onrechtmatig is en dat deze onrechtmatigheid toerekenbaar is aan verweerder. Materiële schade 5.3. De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde vergoeding voor het gederfde inkomen niet voor toewijzing in aanmerking komt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het relativiteitsvereiste hieraan in de weg staat, omdat de geschonden norm niet strekt tot het beschermen van het vermogensrechtelijke belang van verzoeker. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat de regels uit de Vreemdelingenwet 2000, op grond waarvan een vreemdeling recht heeft op een verblijfsvergunning, tot doel hebben om een recht op bestendig verblijf in Nederland te verlenen en niet strekken tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen van een vreemdeling. De Afdeling heeft deze rechtspraak recentelijk bevestigd. In de door verzoeker ingeroepen rechtspraak is geen grond gelegen om in deze zaak tot een andere conclusie te komen. Immateriële schade 5.4. De rechtbank overweegt dat van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde aantasting in persoon op andere wijze in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ingevolge rechtspraak van de Afdeling moet degene die zich hier op beroept, voldoende concrete gegevens aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is vereist dat naar objectieve maatstaven geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Verweerder stelt terecht dat verzoeker geen documenten heeft overgelegd waaruit de immateriële schade blijkt. Verzoeker heeft niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat en welke psychische schade is ontstaan door de onrechtmatige besluitvorming. Verweerder stelt zich bovendien terecht op het standpunt dat de aard en ernst van de normschending niet van dien aard zijn dat de nadelige gevolgen voor verzoeker zodanig voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon reeds daarom valt aan te nemen. Voor toekenning van immateriële schadevergoeding bestaat daarom evenmin aanleiding. 5.5. De rechtbank begrijpt dat het voor verzoeker, zoals hij op zitting ook heeft toegelicht, een onzekere en zware periode is geweest, maar gelet op het voorgaande maakt dat niet dat verzoeker voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toekenning van een schadevergoeding. Conclusie en gevolgen 6. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Verzoeker krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.