Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:27561
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,043 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:27561 text/xml public 2026-02-27T10:06:21 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-05-23 AWB 24/2797 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27561 text/html public 2026-02-27T10:05:42 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27561 Rechtbank Den Haag , 23-05-2025 / AWB 24/2797 Regulier - beroep tegen opleggen van het inreisverbod voor de duur van een jaar - procesbelang - beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 24/2797 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2025 in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. van Rosmalen), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het opleggen van een inreisverbod. 1.1. Met het bestreden besluit van 28 januari 2024 heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van een jaar opgelegd. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. De gemachtigde van verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen. 1.3. De rechtbank heeft het onderzoek dat ter zitting was gesloten, vervolgens heropend om verweerder de gelegenheid te geven om te reageren op een door eiser, na sluiting van het onderzoek, ingediend nader stuk. Verweerder heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en eiser heeft hierop nader gereageerd. 1.4. Met toestemming van partijen is van een tweede zitting afgezien en is het onderzoek op 21 mei 2025 gesloten. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Indiase nationaliteit. Eiser is van 3 oktober 2022 tot 3 oktober 2023 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’. Op 29 december 2023 is eiser teruggekeerd naar India en bij de uitreiscontrole heeft de Koninklijke Marechaussee eiser een terugkeerbesluit en een voornemen om een inreisverbod op te leggen uitgereikt. Verweerder heeft vervolgens vastgesteld dat eiser geen zienswijze heeft ingediend en heeft op 28 januari 2024 een inreisverbod voor de duur van één jaar opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser betoogt dat hij het Schengengebied binnen de redelijke termijn van twee jaar na afloop van zijn rechtmatig verblijf heeft verlaten en dat de oplegging van het inreisverbod daarom op grond van artikel 66a, tweede lid van de Vw in strijd is met artikel 6.5, eerste lid van het Vb in samenhang met artikel 3.82, eerste lid van het Vb. Op zitting heeft hij desgevraagd uitgelegd dat in artikel 6.5, eerste lid, van het Vb alleen wordt gesproken over de in artikel 3.82 van het Vb genoemde redelijke termijn en niet over de ingevolge artikel 3.82 van het Vb vereiste aanvraag om verlenging of wijziging. Volgens hem zou het niet logisch zijn om ook in artikel 6.5, eerste lid, van het Vb zo’n aanvraag te vereisen, omdat het niet voor de hand ligt om iemand een inreisverbod op te leggen terwijl er nog een verblijfsprocedure loopt. In andere vergelijkbare gevallen wordt, aldus eiser, geen inreisverbod opgelegd of wordt dit ingetrokken wanneer hierover wordt geklaagd. Bij brief van 8 april 2025 wijst eiser op twee concrete gevallen die volgens hem vergelijkbaar waren en waarbij verweerder het inreisverbod heeft ingetrokken. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Procesbelang 5. Verweerder is niet op zitting verschenen en heeft geen verweerschrift ingediend. Voor het eerst in haar brief van 29 april 2025 heeft verweerder aangegeven dat het procesbelang van eiser ontbreekt omdat de duur van het opgelegde inreisverbod inmiddels is verstreken. 5.1. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. In beginsel heeft iemand die opkomt tegen een besluit procesbelang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Nu eiser in dit geval heeft gewezen op het feit dat zijn inreisverbod nog geregistreerd staat, hij een schadevergoedingsprocedure overweegt en hij meent dat hij in zijn goede naam is aangetast door de oplegging van het inreisverbod, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat bij voorbaat vaststaat dat voor eiser ieder belang bij het beroep ontbreekt. Inreisverbod 6. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting geen verweerschrift ingediend. Op zitting heeft de gemachtigde van eiser te kennen gegeven dat verweerder in vergelijkbare zaken het besluit telkens kort voor zitting intrekt en dat hem niet duidelijk is waarom verweerder dat hier niet heeft gedaan. Omdat verweerder niet op zitting is verschenen, heeft zij niet op dit betoog kunnen reageren. Eiser heeft in zijn brief van 8 april 2025 vervolgens op twee concrete gevallen gewezen die volgens hem vergelijkbaar zijn met zijn zaak en waarbij verweerder uiteindelijk het inreisverbod heeft ingetrokken. Hij wijst erop dat in beide zaken vergelijkbare beroepsgronden zijn aangevoerd. De rechtbank heeft hier aanleiding in gezien om het onderzoek ter zitting te heropenen en verweerder gevraagd om op het betoog van eiser en zijn laatste brief te reageren. 7. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. In beginsel berust de bewijslast bij hem. Nu hij ter voldoening aan die bewijslast gevallen heeft genoemd die volgens hem gelijk of vergelijkbaar zijn met het zijne, lag het vervolgens op de weg van verweerder aannemelijk te maken dat deze gevallen niet gelijk of rechtens vergelijkbaar zijn. Dit heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft in haar brief van 29 april 2025 immers geen inhoudelijke reactie gegeven. Er is reeds daarom sprake van een motiveringsgebrek. Aan een beoordeling van wat overigens naar voren is gebracht komt de rechtbank om die reden niet toe. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. 9. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.267,50. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.267,50 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Vreemdelingenbesluit 2000. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3970. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke uiteenzetting van 6 mei 2025, met waarde € 907,- per punt, wegingsfactor 1. De rechtbank ziet geen aanleiding punten toe te kennen voor de brieven van 3 en 8 april 2025.