Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:27519
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,014 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:27519 text/xml public 2026-02-12T09:37:39 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-13 NL25.53857 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27519 text/html public 2026-02-12T09:37:26 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27519 Rechtbank Den Haag , 13-11-2025 / NL25.53857 Bewaring, eerste beroep, schadevergoeding, gegrond. uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53857 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik), en de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann). Procesverloop Bij besluit van 3 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De minister heeft op 7 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven en aan eiser een schadevergoeding toegezegd. De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank stelt vast dat de bewaring van eiser is opgeheven op 7 november 2025 en dat de minister aan eiser een bedrag van € 500,- aan schadevergoeding heeft toegezegd. Deze schadevergoeding bestaat uit 5 x € 100,- voor het verblijf in een huis van bewaring. 2. Eiser stelt dat het bedrag aan schadevergoeding onjuist is, dit moet volgens eiser € 560,- zijn. Eiser heeft twee dagen in een politiecel verbleven en daarna drie dagen in een huis van bewaring. Dit betekent dat de schadevergoeding als volgt opgebouwd moet zijn: 2 x € 130,- voor verblijf in een politiecel en 3 x € 100,- voor verblijf in een huis van bewaring. Dat komt uit op het bedrag van € 560,- 3. Ter zitting heeft de minister erkend dat het bedrag van € 500,- onjuist is, omdat eiser één dag heeft verbleven in een politiecel. De schadevergoeding wordt dan 1 x € 130,- + 4 x € 100,- = € 530,-. 4. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft van 3 november 2025 om 18.07 uur tot 4 november 2025 om 17.13 uur in een politiecel verbleven. Dit betekent dat eiser in totaal één dag in een politiecel heeft verbleven, de nachtrust wordt immers niet meegerekend. De schadevergoeding van eiser komt daarom neer op een bedrag van € 530,- (1 x 130,- + 4 x 100,-). De rechtbank zal de Staat veroordelen tot betaling van dit bedrag. 5. Verder veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 530,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 november 2025 Documentcode: [Documentcode] Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.