Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:27509
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,047 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:27509 text/xml public 2026-02-20T12:07:35 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-24 AWB - 24 _ 8061 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Proces-verbaal NL Den Haag Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27509 text/html public 2026-02-20T12:07:15 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27509 Rechtbank Den Haag , 24-12-2025 / AWB - 24 _ 8061 In geschil is of het bezwaar tegen de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting terecht niet-ontvankelijk isverklaard. Het beroep is ongegrond. Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 24/8061 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2025 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 1 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en de daarbij vastgestelde boetebeschikking. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Eiseres is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De griffier van de rechtbank heeft op 12 november 2025 om 15:31 uur in het digitaal dossier van eiseres de uitnodiging voor de zitting geplaatst. Op hetzelfde moment is hiervan een kennisgeving aan eiseres gezonden naar het door haar voor dit doel opgegeven e-mailadres. Gelet hierop is eiseres naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgenodigd en daarom heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting doorgang laten vinden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Eiseres staat sinds 6 november 2013 ingeschreven op een Nederlands adres in de Basisregistratie Personen. 2. Op 21 april 2023 is bij een controle geconstateerd dat eiseres met een Volvo XC-90 met het Poolse kenteken [kenteken] (de auto), gebruikmaakte van de openbare weg in Nederland, terwijl voor dit gebruik geen motorrijtuigenbelasting was voldaan. 3. Naar aanleiding van voormelde controle heeft verweerder met dagtekening 22 januari 2024 aan eiseres een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van € 7.034 opgelegd over de periode 14 juli 2020 tot en met 20 april 2023 (de naheffingsaanslag). Verweerder heeft daarbij een verzuimboete opgelegd van € 3.517 (de boetebeschikking). 4. Per brief van 27 mei 2024 heeft verweerder uitstel van betaling voor de naheffingsaanslag en de boetebeschikking verleend. 5. Op 6 juni 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking. Hierin heeft eiseres gereageerd op de brief van verweerder van 27 mei 2024 en onder meer aangegeven dat zij niet om uitstel van betaling heeft verzocht, maar dat zij het er niet mee eens is dat zij überhaupt moet betalen. 6. Op 9 juli 2024 heeft verweerder aangegeven dat het bezwaar van eiseres niet tijdig is ontvangen. Verweerder heeft een antwoordformulier meegestuurd voor de reden van de te late verzending van het bezwaar. 7. Op 12 juli 2024 heeft verweerder het door eiseres ingevulde antwoordformulier ontvangen, waarin eiseres schrijft dat zij het bezwaarschrift op 5 juni 2025 heeft verzonden en dus niet begrijpt waarom dat niet op tijd zou zijn, gelet op de datum 27 mei 2024 en de daarin gestelde termijn van 10 dagen. 8. Bij uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend. De naheffingsaanslag heeft verweerder wel ambtshalve verminderd tot € 2.584 en de boetebeschikking tot € 1.292, vanwege een verkorting van de naheffingsperiode (21 april 2022 tot en met 20 april 2023). 9. In geschil is allereerst of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zo nee, dan is in geschil of verweerder de naheffingsaanslag en de boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd. 10. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat zij de auto maar één keer heeft gebruikt om met spoed naar de huisarts te gaan. Eisers meent dat ze enkel motorrijtuigenbelasting is verschuldigd voor één kwartaal. 11. Verweerder stelt dat hij het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ontvangen en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. 12. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Een bezwaar is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het bezwaar (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 13. Als een bezwaar te laat is ingediend, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet-tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is, te weten als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. In dat geval laat het bestuursorgaan de niet-ontvankelijkverklaring achterwege. 14. Vast staat dat de naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn gedagtekend op 22 januari 2024. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden, zodat de termijn om bezwaar te maken eindigde op 4 maart 2024. Het bezwaar dateert van 6 juni 2024 en is dus niet tijdig ingediend. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat eiseres op 25 april 2025 een algemeen verzoek heeft ingediend voor een betalingsregeling voor alle openstaande belastingschulden. Dit verzoek kan daarom niet worden aangemerkt als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag en boetebeschikking, afgezien van het feit dat dat bezwaarschrift ook niet tijdig zou zijn ingediend. Eiseres heeft geen reden opgegeven voor de termijnoverschrijding van het bezwaar. De reactie in het antwoordformulier (onder 7) geeft in elk geval geen aanleiding voor het oordeel dat van eiseres in redelijkheid niet kon worden verwacht dat zij eerder bezwaar had gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen eiseres overigens nog heeft aangevoerd, behoeft geen behandeling meer. 15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard. 16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.G. Scholten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Plukaard, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). Artikel 6:7 van de Awb. Artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Artikel 6:9 van de Awb. Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.