Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:2739
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,998 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.3963
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
1.2
Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.3964. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, dit staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 28 oktober 2024 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 30 oktober 2024, op grond van artikel 18, eerste lid en onder d van de Dublinverordening aanvaard.
Verwijzing naar hetgeen eerder naar voren is gebracht
5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat in de eerste plaats wordt gewezen op hetgeen eerder in de zienswijze naar voren is gebracht, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als en beroepsgrond waar de rechtbank over moet oordelen. De minister is in het besluit ingegaan op hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht door eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen waarvan eiser in het beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of toereikend is niet bespreken.
Mocht de minister ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten aanzien van Duitsland niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de opvangcentra in Duitsland werd eiser door medebewoners onheus bejegend wegens zijn seksuele geaardheid. Wanneer eiser hierover klaagde, werd hij overgeplaatst naar een ander opvangcentrum. Echter, het laatste opvangcentrum waar eiser verbleef was voor hem permanent, waardoor eiser niet meer werd overgeplaatst. Ook in dit opvangcentrum werd eiser onheus bejegend. Door de voortdurende negatieve bejegening zijn bij eiser zowel psychische als lichamelijke klachten ontstaan. Eiser heeft zijn klachten gemeld bij de Duitse autoriteiten, maar heeft hiervoor geen medische bijstand gekregen. Eiser is van oordeel dat Duitsland door niet naar hem te luisteren, niet mee te werken aan overplaatsing en geen medische bijstand te verlenen, in strijd handelt met meerdere Europese richtlijnen, waaronder de Opvangrichtlijn. Eiser heeft zich over zijn situatie en problemen beklaagd bij de Duitse autoriteiten, maar dit heeft geen effect gehad. Volgens eiser kon en kan niet van hem worden verwacht dat hij zich had beklaagd bij andere dan wel hogere Duitse autoriteiten.
6.1
Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er in het algemeen vanuit gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
6.2
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Duitsland in het geval van eiser niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft zijn stellingen in zijn geheel niet onderbouwd en heeft ook anderzijds niet aangetoond dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem van Duitsland. Daarnaast dient eiser zich – mocht hij problemen ervaren – te wenden tot de (hogere) Duitse autoriteiten om daar zijn beklag te doen.
Moet de minister de asielaanvraag in behandeling nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening?
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat er voor de minister wel degelijk aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser betoogt hiertoe nogmaals hetgeen in r.o. 6 uiteengezet is.
7.1
Uitgaande van de terughoudende toets is de rechtbank van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers omstandigheden geen aanleiding vormen om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. Eiser heeft zijn stellingen niet onderbouwd. De minister heeft in de omstandigheden van eiser dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Conclusie
8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), onder overwegingen 91-93.