Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:27330
Rechtbank Den HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-8336 Zaaknummer: C/09/694114 Datum beschikking: 24 december 2025 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 5 november 2025 ingekomen verzoek van: [de vader] , de vader, wonende op een voor de rechtbank onbekend adres, advocaat: mr. A.L. Weterings in Oegstgeest, voorheen mr. J.H. Weermeijer-Patist. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M. Ferwerda in Amsterdam. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vader; het bericht van 10 november 2025, met bijlage, namens de vader; het bericht van 19 november 2025, met bijlage, namens de vader; de e-mail van 4 december 2025 namens de vader; het verweerschrift, met bijlagen, namens de moeder; het bericht van 5 december 2025, met bijlage, namens de moeder; het verslag van 9 december 2025 van de bijzondere curator; het bericht van 9 december 2025, met bijlagen, namens de vader. Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader met mr. A.L. Weterings als waarnemend advocaat, de moeder met mr. M.L. Spekschoor als waarnemend advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A.C. Olland. De behandeling op de zitting is aangehouden. Na de regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 4 december 2025 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd. De vader handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 december 2025 is mr. drs. A.M. Beijersbergen-Van Bosveld Heinsius benoemd als bijzondere curator over de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats 1] . De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden: Wat geeft [de minderjarige 1] zelf aan over een eventueel verblijf in [land] en een eventueel verblijf in Nederland? In hoeverre lijkt [de minderjarige 1] zich vrij te kunnen uiten? In hoeverre lijkt [de minderjarige 1] de gevolgen van het verblijf in [land] of het verblijf in Nederland te overzien? Wil [de minderjarige 1] met de rechter(s) spreken en zo ja, wenst [de minderjarige 1] dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn? De rechtbank verzoekt de bijzondere curator hierbij met [de minderjarige 1] te bespreken dat het gesprek mogelijk met drie rechters gevoerd gaat worden (waarbij er mogelijk twee rechters via een beeldscherm deelnemen). 5. Ziet de bijzondere curator aanleiding om het kindgesprek online te houden? 6. Is het nodig dat er een tolk aanwezig is bij het kindgesprek en zo ja, in welke taal (en indien van toepassing welk dialect)? 7. Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen? De minderjarige [de minderjarige 1] heeft ook zijn mening gegeven over het verzoek in een gesprek in raadkamer met de (kinder)rechters. De bijzondere curator was daarbij via een digitale verbinding aanwezig. Op 11 december 2025 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator en [naam 2] namens de Raad. Feiten De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ; [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2] , [geboorteland] . De ouders oefenen het ge Daarmee komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging van de kinderen naar Nederland ongeoorloofd is in de zin van artikel 3 van het Verdrag. Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag Op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank. Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de kinderen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn geworteld als bedoeld in artikel 12 lid 2 van het Verdrag. Dat betekent dat in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de kinderen moet volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag. De moeder stelt dat sprake is van de weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag. Voor zover de moeder zich ook heeft willen beroepen op berusting zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechtbank van oordeel dat uit de overgelegde appberichten niet kan worden afgeleid dat de vader heeft berust in een permanent verblijf van de kinderen in Nederland. Met betrekking tot de andere weigeringsgronden overweegt de rechtbank als volgt. Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, als de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich mee dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd. De rechtbank benadrukt hierbij dat, aangezien de moeder degene is die zich beroept op een uitzondering waardoor de kinderen niet (met haar) zouden hoeven terug te keren naar [land] , het op haar weg ligt om de onmogelijkheid van een terugkeer – vanwege het ernstig risico op lichamelijk of geestelijk gevaar dan wel het ontstaan van een ondragelijke toestand voor de kinderen – aan te tonen of op zijn minst aannemelijk te maken. De moeder heeft haar visie op de relatie met de vader en de omstandigheden voor en na de overbrenging in een relaas uiteengezet. Uit het verhaal van de moeder valt af te leiden dat sprake is geweest van een relatie die zij op een gegeven moment als intimiderend en onveilig is gaan ervaren. De ouders hebben duidelijk een andere visie op de wijze van opvoeding van de kinderen en de moeder kan zich niet vinden in de opvoedstijl van de vader. De moeder stelt dat [de minderjarige 1] door de wijze van opvoeding door de vader weerstand is gaan ervaren tegen contact met de vader en dat [de minderjarige 1] wordt blootgesteld aan een geestelijk gevaar als hij moet terugkeren naar [land] . Daarmee is volgens de moeder sprake van een ondragelijke toestand bij terugkeer. De rechtbank is van oordeel dat er niet zonder meer sprake van een ondragelijke toestand voor de kinderen wanneer zij zouden terugkeren naar [land] . De kinderen zouden namelijk worden teruggeleid naar het land [land] en niet per se naar de woning waar zij als gezin samenwoonden. Gelet op de wens van de moeder om de relatie niet langer te willen voortzetten en haar relaas over de relatie begrijpt de rechtbank dat zij niet terug wil naar de vader. De moeder heeft echter – gelet op de gemotiveerde betwisting van de vader – onvoldoende onderbouwd dat zij niet kan terugkeren naar [land] . De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij een situatie wil creëren waarin hij niet samenleeft met de moeder. Hij is bereid om zelf andere woonruimte Conclusie Nu geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag en ook niet gebleken is dat er sprake is van een van de overige in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de indiening van het verzoekschrift, moet op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] volgen. De rechtbank acht de terugkeer van de kinderen naar [land] niet in strijd met hun fundamentele rechten en overweegt dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de fundamentele rechten van de kinderen in [land] niet op dezelfde voet worden beschermd als in Nederland. Afgifte van de minderjarigen De vader heeft afgifte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan hem verzocht. De rechtbank zal daartoe - ondanks het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet - niet overgaan, nu zij dat niet in het belang van de kinderen acht. Zij zullen immers met de moeder terugkeren en het staat niet ter discussie dat de moeder altijd de meeste zorg voor de kinderen heeft gedragen. Bovendien is de strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst, zodat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. De rechtbank zal daarom minder toewijzen dan verzocht en de teruggeleiding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bevelen op de na te melden wijze, waarbij afgifte aan de vader pas aan de orde komt als de moeder niet zelf voor teruggeleiding zorgt en dan enkel met het doel de kinderen terug te geleiden naar [land] . Afwachting hoger beroep Op grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kunnen afwachten en zal het verzoek van de vader om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 12 januari 2026, zijnde de derde werkdag dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend. Kosten Op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet kan de rechtbank de moeder veroordelen tot betaling van de door de vader in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van de kinderen gemaakte kosten. De vader verzoekt de rechtbank om de moeder te veroordelen tot betaling van de proceskosten van de vader, zijnde € 176,- eigen bijdrage, plus het aan de rechtbank verschuldigde griffierecht van € 90,- en advocaatkosten van € 75,-. Daarnaast verzoekt de vader om de moeder te veroordelen tot betaling van de reiskosten die hij heeft moeten maken om de zittingen bij te wonen. De moeder vraagt het verzoek van de vader af te wijzen en anders de kostenveroordeling te matigen. Gezien de aard en de ernst van de zaak (de moeder is verantwoordelijk voor de ongeoorloofde overbrenging van de kinderen), zal de rechtbank de moeder veroordelen in de door de vader aangevoerde proceskosten van in totaal € 341,-. Voor de overige kosten zal de rechtbank in de kostenveroordeling enkel die kosten meenemen waaruit zonder meer blijkt wanneer en met welk doel de vader die heeft gemaakt. Alle overige kosten zal de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing afwijzen. Zo is bijvoorbeeld onduidelijk waarom de vader kosten heeft gemaakt voor een vlucht van [plaats 3] naar Amsterdam op 19 november 2025, terwijl hij reeds op 17 november 2025 naar Amsterdam was gevlogen voor - naar de rechtbank aanneemt - de regiezitting die op 18 november 2025 plaatsvond. Dat betekent dat de rechtbank de moeder