Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:27316
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-7870 (scheiding) en FA RK 25-1251 (verdeling) Zaaknummer: C/09/675115 (scheiding) en C/09/680510 (verdeling) Datum beschikking: 24 december 2025 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 29 oktober 2024 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, volgens de Basisregistratie Personen (BRP) wonende in Nederland, volgens eigen opgave wonende in Turkije, advocaat: mr. G. Koyak in Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] (voor het huwelijk: [de vrouw] ), de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. H. Uzumcu in Rijswijk. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, namens de man; het bericht van 7 november 2024, met bijlage, namens de man; het bericht van 20 december 2024, met bijlagen, namens de man; het bericht van 31 december 2024, met bijlage, namens de man; het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken, namens de vrouw, ingekomen op 16 januari 2025; het verweer tegen de zelfstandige verzoeken, met bijlagen, namens de man, ingekomen op 4 februari 2025; het bericht van 23 mei 2025 namens de man; de brief van 14 oktober 2025, met bijlagen, namens de man; de brief van 16 november 2025, met aanvullende zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de vrouw; het bericht van 19 november 2025 namens de vrouw; het bericht van 21 november 2025 namens de man. Op 26 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en tolk M. Ates, de vrouw met haar advocaat en tolk M.A. Budak, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Feiten De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2001 in [plaats] , [land] . Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ; [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats 2] , [land] . en van de inmiddels meerderjarige: [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2004 in [geboorteplaats 1] . De man, de vrouw en de kinderen hebben volgens de BRP in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. Volgens de man en de vrouw hebben zij beiden ook de Turkse nationaliteit. Verzoek en verweer Het verzoek van de man strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man; vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de vrouw en de kinderen omgang hebben op dagen in onderling overleg te bepalen; vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man; toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] ; althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie acht, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert verweer tegen de verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vrouw – na wijziging – zelfstandig om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; bepaling dat hetgeen in het ouderschapsplan is aangegeven zal gelden, dan wel op een door de rechtbank te bepalen wijze, al dan niet als aanpassing op bepaalde onderdelen van het ouderschapsplan; bepaling dat de man aan de vrouw een bedrag van € 2.000,- moet voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de overboeking tot de dag van algehele voldoening; primair : bepaling dat de man aan de vrouw een bedrag van € 902,30 moet voldoen en subsidiair : bepaling dat partijen ieder voor de onverdeelde helft draagplichtig zijn voor de schuld ad € 1.804,60; toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] ; althans een zodanige beschikking af te geven als de rechtbank in goede justitie acht, voo De kinderen verblijven al geruime tijd, volgens de BRP vanaf 2021, volledig in Turkije. In Turkije lopen er ook al procedures met betrekking tot de kinderen. De standpunten van partijen ten aanzien van de kinderen staan haaks op elkaar, zodat het voor de hand ligt dat de Turkse rechter hierover beslist. De Nederlandse rechter heeft in dit geval namelijk geen zicht op wat er in het belang van de kinderen is. De Turkse rechter heeft daar meer zicht op. Dit betekent dat de Nederlandse rechter ook op grond van artikel 10 HKBV 1996 niet bevoegd is om beslissingen over de kinderen te nemen. Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van en zorgregeling voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Huurrecht echtelijke woning Op de zitting hebben beide partijen hun verzoek ten aanzien van het huurrecht ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen. Afwikkeling huwelijksvermogensregime Op de zitting heeft de man zijn verzoek ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen. Regresvordering wegens huurachterstand De vrouw stelt dat partijen ter beëindiging van een geschil over een huurachterstand met hun verhuurder Stedelink op 12 november 2025 bij deze rechtbank een regeling zijn overeengekomen, op grond waarvan zij in totaal € 5.804,60 moeten betalen. De vrouw stelt dat zij al een bedrag van € 4.000,- heeft betaald, omdat de man weigerde zijn aandeel te betalen. Er resteert nog een schuld van € 1.804,60. De vrouw verwacht dat de man zijn deel hiervan ook niet zal betalen. Zij verzoekt te bepalen dat de man de helft van het totale bedrag aan haar moet betalen. De man geeft aan dat hij al anderhalf jaar niet meer in de huurwoning verblijft. Volgens de man is het onredelijk als hij de helft van de vordering moet betalen, omdat hij slechts op papier de huurder van de echtelijke woning is geweest. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn beiden huurder van de betreffende woning en hebben in die hoedanigheid samen een huurschuld laten oplopen. De rechtbank kan niet vaststellen of dit een schuld is die ziet op de periode voor of na de peildatum van 29 oktober 2024, de datum waarop het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank is ingediend. In ieder geval staat vast dat partijen recentelijk, op 12 november 2025, een schikking hebben getroffen, waarbij zij zijn overeengekomen dat in totaal een bedrag van € 5.804,60 aan de verhuurder zal worden voldaan. De rechtbank ziet in de onduidelijkheid over de gewone verblijfplaats van de man en de tegenstrijdige verklaringen daarover van de man onvoldoende aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de ontstane schuld. In deze overweging betrekt de rechtbank het feit dat in het proces-verbaal van overeenstemming beide partijen zijn opgenomen en niet alleen de vrouw. Niet in geschil is dat de vrouw inmiddels € 4.900,- aan de verhuurder heeft betaald en dat zij ook de resterende schuld aan Stedelink zal voldoen. De vrouw heeft daarom op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de man voor de helft van het door haar betaalde en nog te betalen bedrag aan de verhuurder. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man ter zake van de schuld aan de verhuurder, een bedrag van € 2.902,30 aan de vrouw moet betalen. Proceskosten Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld. Beslissing De rechtbank: * spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op 7 augustus 2001 in [plaats] , [land] ; * verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de verzoeken tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats en een zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ; [de min