Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-05-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:27274
Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/683376 / KG ZA 25-315 Vonnis in kort geding van 23 mei 2025 in de zaak van 1 [eiser 1] te [woonplaats 1] , 2. [eiser 2] te [woonplaats 2] , eisers, advocaat mr. C.U. Mons te Den Haag, tegen: HAAGSE MOSLIM-VERENIGING “NOEROEL ISLAM” te Den Haag, gedaagde, advocaten mr. L.A.C. van Lierop en mr. S. el Hadouchi te Den Haag. Eisers worden hierna gezamenlijk ‘ [eisers] c.s.’ en ieder voor zich ‘ [eiser 1] ’ en ´ [eiser 2] ´ genoemd. Gedaagde wordt hierna ´de Vereniging´ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 26 april 2025 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de op 9 mei 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door gedaagde pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. De Vereniging is in 1975 opgericht. Uit artikel 3 van de statuten van de Vereniging blijkt dat de Vereniging tot doel heeft het bevorderen van godsdienstige, culturele en sociale belangen van moslims en contacten met andere gelijksoortige nationale en internationale organen en instellingen, het bevorderen van de studie van de Islam, het prediken, verkondigen en verbreiden van de Islamitische leer, het oprichten en in standhouden van moskeeën, scholen, bibliotheken en bejaardencentra en het bevorderen van goede intergodsdienstige betrekkingen. 2.2. Artikel 13 van de statuten bepaalt: Het lidmaatschap gaat verloren door: 1. (…) c. opzegging namens de vereniging; d. royering (ontzetting). (…) 3. Opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging kan evenwel te allen tijde geschieden door het bestuur, met inachtneming van de opzeggingstermijn van ten minste één maand, wanneer het lid, na daartoe schriftelijk te zijn aangemaand, gedurende een tijdvak van twee achtereenvolgende maanden niet ten volle aan zijn geldelijke verplichtingen jegens de vereniging heeft voldaan. De opzegging door het bestuur kan onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg hebben, wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. De opzegging geschiedt steeds schriftelijk met opgave van de reden(en). 4. Leden wier gedrag in strijd is met deze statuten en de op grond daarvan vastgestelde reglementen kunnen door het bestuur of de Algemene ledenvergadering worden geroyeerd. 5. In geval van royement door het bestuur vereist die bestuursdaad op de eerstvolgende ledenvergadering de goedkeuring van de Algemene ledenvergadering. Blijft de goedkeuring achterwege of wordt de goedkeuring geweigerd dan wordt die bestuursdaad geacht nooit te zijn verricht. 6. Degenen ten aanzien van wie een besluit tot royement is genomen worden ten spoedigste hiervan schriftelijk en met opgaaf van reden(en) door het bestuur in kennis gesteld. 7. In geval van royement door het bestuur zijn de desbetreffende personen gerechtigd om binnen een maand nadat zij daarvan schriftelijk in kennis zijn gesteld, daartegen schriftelijk in verzet te komen bij de Algemene ledenvergadering die alsdan in hoogste instantie beslist. 8. Gedurende deze verzetsprocedure wordt de werking der royering opgeschort totdat omtrent in hoogste instantie finaal is beslist. 9. Tegen royement door de Algemene ledenvergadering is geen verzet mogelijk. Artikel 14 bepaalt: Het bestuur bestaat uit zeven of meer personen, met dien verstande, dat het bestuur steeds moet bestaan uit een oneven aantal personen. Het aantal bestuurders wordt vastgesteld door de Algemene ledenvergadering. De bestuurders worden door de Algemene ledenvergadering gekozen, welke verkiezing alleen leden der vereniging kan betreffen. (…) 4. De Algemene ledenvergadering kan een bestuurslid schorsen of ontslaan indien zij daartoe termen aanwezig acht. Voor een besluit daartoe is een meerderheid van stemmen nodig. (…) Naar aanleiding van recente bevindingen over verstrekte informatie met betrekking tot de door u opgestelde en uitgedeelde umrah-boek, heeft het bestuur besloten u met onmiddellijke ingang op non-actief te stellen. Deze maatregel is genomen naar aanleiding van zorgvuldig onderzoek waarbij de situatie helder in kaart is gebracht. (…)” 2.8. Op 15 december 2024 hebben [eiser 1] en [eiser 2] een gesprek gehad met het bestuur van de Vereniging. Partijen verschillen van mening over hetgeen toen is besproken. [eiser 1] en [eiser 2] menen dat hen in dat gesprek persoonlijk is verweten ‘kufr’ te hebben gepleegd. De Vereniging betwist dat maar stelt dat hen toen wel te verstaan is gegeven dat diverse passages uit de Umrah-gids als ‘kufr’ worden aangemerkt. 2.9. Op 15 december 2024 heeft [eiser 2] het bestuur van de Vereniging een brief geschreven waarin hij onder meer te kennen geeft dat hij na het gesprek met het bestuur begrijpt dat er op een theologisch punt een fout in de Umrah-gids staat, dat hij daarvoor berouw heeft getoond en dat het nooit zijn intentie is geweest om buiten de grenzen van de soennitische traditie te treden. 2.10. Op 21 december 2024 hebben [eiser 1] en [eiser 2] van het bestuur van de Vereniging (dat wil zeggen: van de overige zes bestuursleden) een brief ontvangen waarin hen beiden het lidmaatschap en de vrijwilligersfunctie is opgezegd, en voor [eiser 1] tevens de bestuursfunctie: (…) Aanleiding hiervoor is het door u uitgebrachte umrah boek en is reeds met u besproken d.d. 15 december 2024. Het umrah boek bevat uitspraken die buiten de Ahle Sunnah vallen, wat de reden is voor de genomen maatregelen. Gedurende het gesprek d.d. 15 december 2024 heeft u, met betrekking tot de inhoudelijke uitspraken opgenomen in het boek, uw fouten ingezien. Het bestuur heeft, na zorgvuldige afweging, besloten om de integriteit van de organisatie te waarborgen en de vereniging te beschermen. Het bestuur acht dit besluit noodzakelijk om de geloofwaardigheid van de vereniging te behouden. Volledigheidshalve meld ik u dat het bestuur kennis heeft genomen van de impact die de timing van de non-actiefstelling d.d. 2 december 2024 heeft gehad op de umrah reis. Het was niet de intentie van het bestuur om te zorgen voor een negatieve impact, maar de ernst van de situatie vereiste een onmiddellijke reactie. Dit is reeds gisteren persoonlijk nader toegelicht. Wij verzoeken hierbij om alle spullen, toegangscodes, sleutels en vertrouwelijke documenten van de vereniging uiterlijk maandag 23 december 2024 aan ons over te dragen. U kunt hiervoor contact opnemen met de commissaris om een afspraak te maken. Verder vragen wij u om aan te geven op welke manier u dit proces wenst af te sluiten. U heeft de keuze: Bestuursbesluit accepteren: Hierbij behouden wij tezamen discretie en zal deze kwestie intern worden afgerond. Bestuursbesluit negeren: In dat geval zal de reden van uw opzegging worden gecommuniceerd aan de leden van de vereniging en mogelijkerwijs daarbuiten. Dit achten wij zeer onwenselijk voor beide partijen en hopen dat u kiest voor de eerste optie. Wij verzoeken u om uiterlijk maandag 23 december 2024 schriftelijk te laten weten welke keuze u maakt. Wij vragen uw begrip voor dit besluit en benadrukken dat de deuren van de vereniging voor u als individu niet gesloten zijn. U blijft welkom om deel te nemen aan de activiteiten van de vereniging, zij het niet als lid of bestuurder. (…) 2.11. [eiser 2] en [eiser 1] hebben bij brieven van achtereenvolgens 25 december 2024 en 27 december 2024 bezwaar gemaakt tegen de besluiten die hen door het bestuur zijn meegedeeld. [eiser 2] heeft onder meer verzocht de non-actiefstelling en de beëindiging van zijn lidmaatschap terug te draaien. [eiser 1] heeft in zijn brief onder meer verzocht om een schriftelijke verklaring waarin duidelijk en onderbouwd de exacte gronden uiteen zijn gezet voor het beëindigen van zijn lidmaatschap en bestuursfunctie. 2.12. Op 7 januari 2025 heeft het bestuur van de Veren [eiser 1] heeft daarbij aangevoerd dat hij wel berouw wil tonen als hij iets verkeerd heeft gedaan, maar dat hem niet duidelijk is gemaakt wat hij dan verkeerd zou hebben gedaan. [eiser 1] en [eiser 2] worden ernstig benadeeld in hun geloofsbelijdenis. Ook familie en vrienden van hen worden aangesproken op de gebeurtenissen en zij hebben het zwaar met de royering. Kufr is daarbij de meest vergaande beschuldiging die denkbaar is. [eiser 1] en [eiser 2] worden niet meer vertrouwd door sommigen binnen de gemeenschap. Dit heeft vergaande gevolgen voor hun sociale leven. Voor [eiser 2] geldt verder dat hij onlangs zijn vader is verloren. Omdat [eiser 2] niet aanwezig mocht zijn bij religieuze bijeenkomsten in de moskee en omdat hij de uitvaartdienst niet mocht leiden, heeft de uitvaart – tegen de wens van de vader van [eiser 2] in, die zelf nog betrokken is geweest bij de oprichting van de moskee – in een andere moskee moeten plaatvinden. 3.3. De Vereniging voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Het spoedeisend belang in deze procedure is gegeven, nu [eiser 2] en [eiser 1] aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd dat het bestuur van de Vereniging op statutair onjuiste gronden tot onmiddellijke beëindiging van hun lidmaatschap van de Vereniging is overgegaan. Daarmee is voor hen actieve deelname aan diverse religieuze activiteiten van de Vereniging onmogelijk gemaakt. Voor [eiser 1] geldt daarbij dat ook het vervullen van zijn bestuursfunctie door het vervallen van zijn lidmaatschap niet meer mogelijk is. 4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het niet op haar weg ligt om te toetsen of er in de door [eiser 1] en [eiser 2] uitgegeven Umrah-gids passages zijn opgenomen die in strijd zijn met de islamitische leer die wordt aangehangen door (leden van) de Vereniging. In de kern ligt de vraag voor of het bestuur van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser 1] en [eiser 2] mocht overgaan op grond van artikel 13 lid 3 van de statuten, of dat, zoals [eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd, deze opzeggingsgrond door het bestuur van de Vereniging oneigenlijk is gebruikt, omdat feitelijk sprake is van ontzetting uit het lidmaatschap (artikel 13 lid 4 van de statuten), zodat het bestuur gehouden was de bestuursbeslissing(en) binnen een maand na verzet daartegen aan de algemene ledenvergadering voor te leggen. In dat verband is van belang dat als een bestuursdaad tot royement door de algemene ledenvergadering niet wordt goedgekeurd, deze bestuursdaad geacht wordt nooit te zijn verricht (artikel 13 lid 5 van de statuten). 4.3. Ter zitting is namens het bestuur van de Vereniging onomwonden verklaard dat [eiser 1] en [eiser 2] niet persoonlijk worden beticht van ‘kufr’ (ongeloof) en dat bestuursleden dat ook nooit hebben gezegd, noch hebben beoogd te zeggen. De andersluidende stellingen van [eisers] c.s. zijn in het licht daarvan onvoldoende onderbouwd. Het gevorderde onder III en IV komt om die reden niet voor toewijzing in aanmerking. Voor zover er aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] al een misverstand zou zijn ontstaan over de uitlatingen van de Vereniging is een en ander voldoende recht gezet door de publiekelijk ter zitting gedane bevestiging dat van een persoonlijk verwijt van kufr (ongeloof) geen sprake is. Wel meent het bestuur van de Vereniging dat diverse passages uit de Umrah-gids niet in overeenstemming zijn met de soennitische geloofsleer van de Vereniging. Ter zitting is door het bestuur voor het eerst uitvoerig uiteengezet om welke passages uit de Umrah-gids het gaat. Deze uiteenzetting staat weergegeven onder randnummer 3.13 van de conclusie van antwoord van de Vereniging. Verder is namens de Vereniging aangevoerd dat het enkele gegeven dat [eiser 1] en [eiser 2] binnen de moskee de Umrah-gids hebben verspreid ver over de grens gaat. Dat is volgens de Vereniging slechts aan schriftgeleerden en deze fout is niet herstelbaar. Dat kl Zou de zienswijze van het bestuur worden gevolgd, dan zou immers telkens als het bestuur van mening is dat een lid in strijd handelt met de statuten de algemene bepaling van de opzegging (artikel 13 lid 3) gehanteerd kunnen worden, omdat het bestuur meent dat handelen in strijd met de statuten eveneens met zich brengt dat sprake is van een situatie die maakt dat redelijkerwijs van de Vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap van een lid te laten voortduren. De waarborg die artikel 13 lid 4 biedt zou dan altijd buitenspel gezet kunnen worden. Van het bestuur van de Vereniging kan dan ook in redelijkheid worden gevergd de beëindiging van het lidmaatschap van [eiser 1] en [eiser 2] niet via een opzegging maar via een royement te bewerkstelligen en dat vervolgens bij verzet ter toetsing aan de algemene ledenvergadering van de Vereniging voor te leggen. De voorzieningenrechter tekent daarbij nog aan dat niet valt in te zien dat de ledenvergadering niet zou kunnen worden afgewacht. Dat klemt te meer nu het bestuur zelf kan bevorderen dat die vergadering zo snel mogelijk plaatsvindt, en in ieder geval binnen een maand na verzet. 4.6. Op grond van artikel 13 lid 6 geldt dat degene ten aanzien van wie een besluit tot royement is genomen, ten spoedigste hiervan schriftelijk en met opgaaf van reden(en) door het bestuur in kennis wordt gesteld. In de brieven van 21 december 2024 staan de specifieke verwijten voor wat betreft de inhoud van de Umrah-gids niet vermeld. Er wordt in algemene zin vermeld dat de Umrah-gids uitspraken bevat die reden geven voor beëindiging van het lidmaatschap. [eiser 1] onderschrijft de stelling van het bestuur dat de Umrah-gids fouten bevat overigens niet. Integendeel, hij heeft de Raad van Oelama Nederland en NIRI benaderd omdat hij meent dat van ‘dwaling’ geen sprake is. [eiser 2] heeft zich met zijn brief van 25 december 2024 ook verzet tegen de beëindiging van zijn lidmaatschap en hij heeft onder meer aangedrongen op wederhoor. In een eerdere e-mail van 23 december 2024 heeft [eiser 2] daarbij ook verzocht om een onderbouwing van de verwijten. Het bestuur van de Vereniging heeft ter zitting voor het eerst uitvoerig uiteen gezet welke inhoudelijke verwijten [eiser 1] en [eiser 2] worden gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze informatie ter zitting begrepen moet worden als een gemotiveerde opgave van reden(en) voor het besluit tot beëindiging van het lidmaatschap, die heeft te gelden als een royement. Omdat het bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de route van royement niet gevolgd hoefde te worden, zal de voorzieningenrechter de datum van dit vonnis aanmerken als de dag van kennisgeving van het royement in de zin van artikel 13 lid 4 van de statuten, waarbij de opgave van inhoudelijke verwijten blijkt uit hetgeen onder 3.13 van de conclusie van antwoord staat vermeld. In lijn met artikel 13 lid 7 van de statuten geldt daarbij dat [eiser 1] en [eiser 2] gerechtigd zijn om binnen een maand na royement (lees: vonnisdatum) schriftelijk in verzet te komen bij de Algemene ledenvergadering van de Vereniging, die in hoogste instantie beslist. 4.7. De conclusie is dat van een definitieve beëindiging van het lidmaatschap (en de daarmee verband houdende beëindiging van het bestuurderschap van [eiser 1] ) pas sprake zal kunnen zijn als de algemene ledenvergadering het royement heeft goedgekeurd. 4.8. Gelet op het voorgaande, en ervan uitgaande dat [eiser 2] en [eiser 1] zich niet bij het royement zullen neerleggen en beiden verzet zullen instellen, hebben zij belang bij een gebod voor (het bestuur van) de Vereniging om, totdat de algemene ledenvergadering zich over het royement van [eiser 1] en [eiser 2] heeft uitgesproken, de aan [eiser 1] en [eiser 2] toekomende rechten uit hoofde van hun lidmaatschap te respecteren, waaronder in ieder geval wordt begrepen het actief participeren in verenigingsactiviteiten en bijeenkomsten. Dat is in lijn met artikel 13 lid 8 van de