Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-11-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:27158
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR AWB 25/3365 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] ( [land] ), eiser (gemachtigde: mr. R.M. Schnitker), en de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. 't Hart). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om afgifte van een medisch certificaat klasse 2 en/of LAPL . 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door drs. W. Tse. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser heeft op 13 november 2023 een aanvraag ingediend voor een medisch certificaat klasse 2 om te kunnen ballonvaren. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een keuring plaatsgevonden door de luchtvaartgeneeskundige keuringsarts (AME) van het Sky Medical Center. Deze komt tot de conclusie dat eiser niet aan de keuringseisen voldoet. Eiser heeft in januari 2019 een epileptische aanval gehad en is volgens het medisch onderzoek niet minimaal tien jaar aanvalsvrij zonder medicatiegebruik. In het primaire besluit volgt verweerder dit en beoordeelt hij aanvullend dat eiser ook niet voldoet aan de eisen van een medisch certificaat LAPL, omdat hij niet minimaal vijf jaar aanvalsvrij is zonder medicatiegebruik. Verweerder is in het bestreden besluit – op basis van een advies van de Onafhankelijk Medisch Adviseurs (OMA’s) van 24 maart 2025 – bij dat oordeel gebleven. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Allereerst vindt eiser dat de in de Acceptable Means of Compliance (AMC) opgenomen normen niet bindend zijn en dat verweerder daarom zijn persoonlijke omstandigheden had moeten meewegen. Uit rapporten van neurologen van ziekenhuizen in Geel en Gent (België) volgt namelijk dat er sprake is geweest van een eenmalige epileptische aanval, dat er geen aanwijzingen zijn voor een epileptische stoornis, dat het recidiverisico laag is en dat de gegeven medicatie slechts preventief is geweest. Ook is het individueel risicoprofiel van eiser klein. Verweerder en de OMA’s hebben hier volgens eiser geen rekening mee gehouden. Daar komt bij dat de OMA’s niet hebben betrokken dat eisers epileptische aanval was uitgelokt als gevolg van slaapdeprivatie en dat er geen sprake is (geweest) van actieve epilepsie. Tot slot wijst hij erop dat verweerder er ook geen rekening mee heeft gehouden dat de medische eisen voor de ballonvaart minder strikt zijn dan bij de gemotoriseerde luchtvaart. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. Hoewel uit de beroepsgronden van eiser zou kunnen worden afgeleid dat de afwijzing van het medisch certificaat klasse 2 niet meer ter discussie staat, heeft hij op zitting aangegeven ook daar graag een oordeel over te willen. Aan het betoog over dat certificaat komt de rechtbank echter niet meer toe. De rechtbank is namelijk van oordeel dat verweerder eiser een LAPL-certificaat mocht weigeren. Nu verweerder het “mindere” (lees: LAPL) mocht weigeren, hoeft aan een bespreking van het “meerdere” (lees: klasse 2) niet meer te worden toegekomen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot het oordeel is gekomen dat de afgifte van het LAPL-certificaat mocht worden geweigerd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Welke regels zijn in deze zaak van belang? 5. In Verordening 2018/1139 is bepaald dat piloten aan de essentiële eisen moeten voldoen en dat zij daartoe een certificaat kunnen aanvragen. Uitgangspunt hierbij is dat ten Verweerder mocht er – op basis van het incident in 2019 en de destijds gestelde diagnose alsmede de in dat kader voorgeschreven medicatie – van uitgaan dat in dit geval sprake is van een situatie als bedoeld in AMC12 MED.B.095, waarbij er sprake is van een geschiedenis met één enkele epileptische episode. Ook mocht verweerder ervan uitgaan dat met de voorgeschreven medicatie sprake is geweest van een behandeling als bedoeld in AMC12 MED.B.095. Eiser heeft deze medicatie gekregen omdat – zoals onder meer volgt uit de reactie van de neuroloog van het ziekenhuis in Geel – na de aanval het EEG epileptogeen gestoord was en toen een hoog risico op herhaling bestond. Dat dit, zoals eiser stelt, een preventieve behandeling zou zijn en dat het risico op een vervolgaanval niet groot is, maakt dit niet anders. Dat verweerder de bevindingen van de medisch specialisten in Geel en Gent niet heeft betrokken kan, zoals volgt uit het voorgaande, niet slagen. Dat de OMA’s de bevindingen van de specialisten niet hebben betrokken volgt de rechtbank ook niet, nu deze de bevindingen wel expliciet door de OMA’s betrokken zijn. Mocht verweerder vinden dat er geen sprake is van omstandigheden die maken dat hij van de AMC12 MED.B.095 had moeten afwijken? 5.7. Eiser heeft gewezen op de volgende omstandigheden, die volgens hem maken dat verweerder van AMC12 MED.B.095 had moeten afwijken: het epileptisch incident in 2019 was na een slaaptekort; hij heeft nadien geen incident meer gehad; de medicatie was in zijn geval preventief; voor ballonvaren hoeft de lat niet zo hoog te liggen als voor het besturen van een vliegtuig; en het recidiverisico is niet groot. 5.8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen oordelen dat deze omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat verweerder gehouden was om af te wijken van het in AMC12 MED.B.095 opgenomen richtsnoer. Daarbij weegt mee dat deze AMC juist ziet op de situatie waarin er slechts sprake is geweest van één incident en dat het recidiverisico in situaties met maar één incident met het verstrijken der jaren wel vaker niet zo groot meer zal zijn. Hoewel eiser op zitting terecht heeft gewezen op fundamentele verschillen tussen ballonvaren enerzijds en het vliegen in een vliegtuig anderzijds, hoefde verweerder deze verschillen niet van dien aard te achten om de lat voor ballonvaren lager te leggen dan deze in AMC12 MED.B.095 (onder meer) voor ballonvaren is gelegd. 5.9. Eiser heeft een passie voor ballonvaren, heeft zijn theoretische examen al behaald en had gehoopt hier snel mee aan de slag te kunnen in de praktijk. De rechtbank begrijpt dan ook dat de impact van het bestreden besluit groot is voor eiser. De rechtbank kan bovendien begrijpen dat het voor eiser moeilijk te accepteren is dat hij niet mag ballonvaren, terwijl het risico op een volgende epileptische aanval niet als groot wordt aangemerkt. Verweerder mag de veiligheidslat – in het licht van de regelgeving zoals die hiervoor is samengevat – echter hoog leggen en hoefde daarom in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding te zien voor verlening van het LAPL-certificaat. Alhoewel niet in geschil is dat de AMC’s niet bindend zijn, mocht verweerder daarbij betrekken dat met de invulling van de uitvoeringsvoorschriften door de EASA wordt gezorgd voor rechtszekerheid en wordt bijgedragen aan een uniforme implementatie en uitvoering van de regelgeving met betrekking tot de medische geschiktheid. 5.10. Eisers beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 6. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser voor de afgifte van een medisch certificaat klasse 2 en/of LAPL mocht afwijzen. Daarmee is het beroep ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het open