Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-05-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:27101
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.16404 (beroep) en NL25.16405 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. T. Thissen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Imami). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 11 januari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. Verweerder heeft op 11 mei 2025 een aanvullend besluit genomen. 1.3. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen mevrouw M. Chazina. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Kazachse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Eiser heeft – kort samengevat – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft met de Russische veiligheidsdienst Federalnaja sloezjba bezopasnosti (FSB) en vreest dat ze hem willen liquideren. Eiser is door de FSB benaderd vanwege zijn werk met en kennis van drones. Op dit verzoek is hij niet ingegaan waardoor hij problemen heeft ervaren. Daarnaast staat er een bedrag van 200.000 dollar op eisers hoofd en wordt hij gezocht door Kazachse criminele organisaties, die onder controle staan van de autoriteiten. Verder heeft eiser op sociale media politieke uitlatingen gedaan die ingaan op de corruptie binnen de Russische overheid en stelt hij biseksueel te zijn waardoor hij niet terug kan gaan naar Kazachstan. 2.1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas een Kazachs paspoort overgelegd. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief); eisers problemen met de FSB (ook wel het tweede asielmotief); eisers politieke overtuiging (ook wel het derde asielmotief); en eisers biseksuele gerichtheid (ook wel het vierde asielmotief). 3.1. Verweerder vindt eisers eerste, derde en vierde asielmotief geloofwaardig. Dat eiser problemen heeft met de FSB vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft onvoldoende objectieve documenten overgelegd die dit asielmotief volledig onderbouwen en hij heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. De problemen die eiser ervaart vanwege zijn biseksuele gerichtheid als ook vanwege zijn beperkte politieke activiteiten vindt verweerder niet voldoende zwaarwegend om te raken aan een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft dan ook geen vrees voor vluchtelingrechtelijke vervolging en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM . Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt. Eiser is namelijk in 2024 strafrechtelijk veroordeeld voor poging tot doodslag, mishandeling en poging tot afpersing. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Alhoewel homoseksualiteit in Kazachstan niet bij wet is verboden, stelt eiser dat – op basis van landeninformatie – de situatie voor lhbti’ers in Kazachstan zeer slecht is en hij te vrezen heeft voor verv De rechtbank stelt allereerst vast dat het aanvullend besluit van 11 mei 2025 geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen, in die zin dat dit geen verandering in de rechtspositie van eiser heeft gebracht. Verweerder heeft immers volhard in de afwijzing van de asielaanvraag en oplegging van het inreisverbod van 10 jaar onder aanvulling van de motivering van het openbare ordecriterium. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit aanvullend besluit niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar moet worden beschouwd als aanvullende motivering van het bestreden besluit. 8.1. De rechtbank stelt verder vast dat nu ook verweerder het noodzakelijk achtte het bestreden besluit van een aanvullende motivering te voorzien, daarin ligt besloten dat de motivering in het bestreden besluit ontoereikend was. Gelet hierop kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. 8.2. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, waarbij de aanvullende motivering wordt meegenomen, in stand kunnen blijven. Mocht verweerder eisers asielaanvraag afdoen als kennelijk ongegrond en aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar opleggen? 9. Artikel 66a van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vb, bepaalt dat in afwijking van het eerste tot en met vierde lid van dat laatstgenoemde artikel, de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren bedraagt indien het een vreemdeling betreft die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Voor het uitvaardigen van een inreisverbod is vereist dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. 9.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder bij de beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit, en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Het resultaat van dit onderzoek moet blijken uit de motivering van het besluit. 9.2. Verweerder heeft in het aanvullend besluit aan de hiervoor genoemde elementen van het Unierechtelijke openbare-ordecriterium getoetst. Eiser kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij geen werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Hierbij is van belang dat eiser recentelijk op 25 juni 2024 onherroepelijk is veroordeeld voor (gewelds)misdrijven, te weten een poging doodslag, eenvoudige mishandeling en een poging tot afpersing. Daarvoor heeft hij achttien maanden gevangenisstraf heeft gekregen, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Daarnaast wordt eiser ook nog verdacht van een geweldsmisdrijf dat hij vermoedelijk op 1 juni 2023 heeft gepleegd. Gelet op het voorgaande en de omstandigheid dat eiser met de gepleegde misdrijven een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun gevoel van veiligheid, mocht verweerder tegenwerpen dat eisers gedrag een werkelijke en voldoende ernstige en actuele bedreiging vormt. Daarnaast heeft verweerder mogen meewegen dat door op een openbare plek iemand met een wapen van het leven proberen te beroven, hevige gevoelens van angst en onveiligheid bij andere burgers heeft veroorzaakt. Dat volgens eiser slechts sprake zou zijn geweest van één slachtoffer en van één misdrijf waardoor het besluit onzorgvuldig is gemotiveerd, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling gaat niet op, omdat in die zaak sprake was van een intrekking van een verblijfsvergunning asie