Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-12-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:27028
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 25-5227 Zaaknummer: C/09/688277 Datum beschikking: 23 december 2025 Ontbinding geregistreerd partnerschap en wijziging voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 10 juli 2025 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk. en de beschikking op het op 17 oktober 2025 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te Den Haag. Procedure Zaak C/09/688277 (bodemprocedure) De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het op 10 juli 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlage, namens de vrouw; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 22 augustus 2025, met bijlagen, namens de man; - het bericht van 17 november 2025, met bijlagen, namens de vrouw; - het bericht van 21 november 2025, met bijlagen, namens de man; - het bericht van 23 november 2025, met bijlagen, namens de man. Zaak 693167 (wijziging voorlopige voorzieningen) De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen, namens de man; het bericht van 21 november 2025, met bijlagen, namens de man. Zaak C/09/688277 (bodemprocedure) en zaak 693167 (wijziging voorlopige voorzieningen) Op 27 november 2025 zijn het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen en de verzoeken in de bodemprocedure gevoegd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten en mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Feiten - Partijen zijn op [datum] 2025 in [plaats 1] een geregistreerd partnerschap aangegaan in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. - Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] . - [minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw. - De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit. - Bij beschikking van deze rechtbank van 4 juli 2025 is onder andere: - een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 810,- bruto per maand vastgesteld, met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; - een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 510,- per maand vastgesteld, met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verzoek en verweer Zaak C/09/688277 (bodemprocedure) Het gewijzigde verzoek strekt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] bij de vrouw; - vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] (de zorgregeling), in die zin dat [minderjarige] bij de man is gedurende ieder weekend van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur; - vaststelling van kinderalimentatie van € 510,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van deze beschikking althans zodanige ingangsdatum en zodanig bedrag als de rechtbank juist acht; - vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 810,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans zodanige ingangsdatum en zodanig bedrag als de rechtbank juist acht; - toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert – onder referte voor het overige – nog verweer tegen de verzochte zorgregeling, kinderalimentatie en partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besprok Hoofdverblijfplaats [minderjarige] De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen. De man maakt hiertegen geen bezwaar. Nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek toewijzen. Zorgregeling De vrouw verzoekt de voorlopige zorgregeling zoals is bepaald in de beschikking van 4 juli 2025 als definitief vast te stellen, waarbij zij de tijden en het halen en brengen wil wijzigen. Zij verzoekt te bepalen dat [minderjarige] ieder weekend van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur bij de man is, waarbij de man [minderjarige] zal halen en terugbrengen. Tevens verzoekt de vrouw de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen. De man verweert zich hiertegen. Hij wenst dat er co-ouderschap zal gelden zodra hij een eigen woning heeft gevonden. Op de zitting is gebleken dat de man nog niet beschikt over een eigen woning. Hij woont op dit moment bij zijn ouders, waardoor co-ouderschap nu niet mogelijk is. Daarom zal de rechtbank dit nu niet beslissen. Verder is op de zitting gebleken dat de man geen bezwaar heeft tegen de door de vrouw verzochte zorgregeling, zodat de rechtbank deze zorgregeling zal vaststellen. De ouders denken wel anders over het halen en terugbrengen van [minderjarige] . De vrouw wil dat de man het halen en terugbrengen op zich neemt, omdat hij een auto heeft. De man wil het halen en brengen gelijk verdelen, omdat hij soms moet werken op vrijdagmiddag. Op de zitting hebben de ouders onder regie van de rechter overeenstemming bereikt over het halen en brengen. Zij hebben afgesproken dat de man, als hij niet werkt op vrijdagmiddag, [minderjarige] zal ophalen. Ook zal hij [minderjarige] iedere zondag terugbrengen. Kinderalimentatie De vrouw verzoekt, zoals in de voorlopige voorzieningenprocedure is vastgesteld, een kinderalimentatie van € 510,- per maand vast te stellen, met ingang van de datum van deze beschikking. De man heeft zich hiertegen gemotiveerd verweerd. Ingangsdatum De rechtbank zal eerst de ingangsdatum beoordelen. Ook voor de kinderalimentatie vindt de rechtbank het redelijk om 27 november 2025, de datum van de zitting, als ingangsdatum te hanteren. De reden daarvoor is dat er al een voorlopige kinderalimentatie is bepaald en dat er dan geen na- of terugbetalingsplicht zal gelden. Behoefte van [minderjarige] Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige] is tussen de ouders in geschil, zodat de rechtbank deze zal vaststellen. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van de ouders tijdens hun samenleving worden bepaald. De rechtbank begrijpt dat de ouders in februari 2025 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de inkomensgegevens over 2024 en de behoefte van [minderjarige] berekenen aan de hand van de tarieven geldend in 2025 (periode 2025-1). NBI vrouw De rechtbank gaat bij de vrouw –evenals partijen – uit van een NBI van € 369,- per maand, behorend bij een jaarinkomen over 2024 van € 4.428,- (tarief 2025-1). NBI man In 2023 en 2024 werkte de man als ZZP-er in de zorg, waarmee hij een relatief hoog inkomen had van € 87.707,-. Omdat partijen hiernaar zijn gaan leven, zal de rechtbank dit inkomen hanteren voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige] . Op basis van de hiervoor genoemde winst uit onderneming over 2024 en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de man op het moment van de samenleving op € 4.755,- per maand (tarief 2025-1). Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders bedroeg in 2025 dus € 5.124,- per maand (€ 369 (NBI vrouw) + € 4.755 ( NBI man)) . Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande volgens de aangehechte berekening tot een behoefte van [minde Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de forfaitaire woonlast omdat er geen aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de ouders duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het forfaitaire bedrag. Weliswaar woont de man op dit moment nog in bij zijn ouders en is onduidelijk of hij hiervoor een vergoeding betaalt, maar op de zitting heeft hij toegelicht dat hij verwacht op korte termijn in aanmerking te komen voor een eigen woning omdat hij nu hoog op de wachtlijst staat. Zorgkorting Gelet op de huidige zorgregeling, zal de rechtbank een zorgkorting van 25% toepassen. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 174,- per maand (25% van € 696). Omdat sprake is van een tekort van € 116,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort (€ 58) komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 116,- per maand (€ 174 -/- € 58 ). Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] bedraagt dan volgens de aangehechte berekening € 439,- per maand (€ 555 -/- € 116). Conclusie De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 27 november 2025 een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 439,- per maand moet betalen. Partneralimentatie De vrouw verzoekt een bijdrage in haar levensonderhoud van € 810,- bruto per maand, zoals in de beschikking van 4 juli 2025 als voorlopig is vastgesteld. De man heeft zich hiertegen gemotiveerd verweerd. Omdat partijen, zoals hiervoor berekend, al onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien, zal de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een definitieve partneralimentatie wegens gebrek aan draagkracht afwijzen. De rechtbank overweegt ten overvloede dat de vrouw vanaf januari 2027 klaar zal zijn met haar studie en zal gaan werken. Daarom waren partijen het met elkaar eens dat zij een vast te stellen partneralimentatie tot die datum zou moeten gelden. Zij hebben de rechtbank gevraagd om een beslissing te nemen over de vraag of de partneralimentatie vanaf die datum al dan niet gelimiteerd zou moeten worden. Nu de rechtbank het verzoek om partneralimentatie afwijst, zal de rechtbank dat niet doen. Het voorgaande betekent ook dat de rechtbank in de wijziging voorlopige voorzieningenprocedure zal bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie met ingang van 27 november 2025 op nihil zal worden gesteld. Huurrecht echtelijke woning De vrouw verzoekt het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toe te kennen. De man maakt hiertegen geen bezwaar. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen Beslissing De rechtbank: Zaak 693167 (wijziging voorlopige voorzieningen) * wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie, zoals die was vastgesteld in de beschikking van 4 juli 2025 en bepaalt deze voorlopige partneralimentatie met ingang van 27 november 2025 op nihil en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad; * wijst af het meer of anders verzochte; Zaak C/09/688277 (bodemprocedure) * spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan op [datum] 2025 in [plaats 1]; * bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad; * bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] bij de man zal zijn: - ieder weekend van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur. Als de man op vrijdagmiddag niet hoeft te werken haalt hij [minderjarige] op, anders brengt de vrouw [minderjarige] . Op zondag brengt de man [minderjarige] terug; - de helft van de vakanties en feestdagen, in onderlin