Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-12-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:26977
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/1675 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. E.C.J. Wouters), en het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (gemachtigde: mr. N. Ramlal). Als derde-partij nemen aan het geding deel: [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] , uit [woonplaats] (vergunninghouders). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitbouw ter uitbreiding van de woning van vergunninghouders aan de [adres] te [plaats] . Eiser is de buurman van vergunninghouders en is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. De uitbouw komt tegen zijn woning aan te staan, waardoor geen sprake meer is van een hoekwoning met een vrijstaande zijkant. Eiser vreest voor overlast en dat zijn woning minder waard zal worden. Hij heeft daarom beroep ingesteld en een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning op goede gronden is verleend. De uitbouw zal niet leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eiser. De mogelijke waardevermindering zal niet zodanig groot zijn dat het college hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Bovendien kan eiser een verzoek om tegemoetkoming in planschade doen om eventuele schade vergoed te krijgen. Dat eiser geen toestemming geeft om tegen zijn woning aan te bouwen, levert naar het oordeel van de rechtbank geen evidente privaatrechtelijke belemmering op. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. In het primaire besluit van 2 mei 2023 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een uitbouw aan de [adres] te [plaats] . 2.1. Met het bestreden besluit van 16 januari 2024 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , de gemachtigde van het college en vergunninghouders. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. De vergunninghouders hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor een uitbouw op het perceel aan de [adres] te [plaats] . De uitbouw is voorzien aan de westelijke zijkant van de woning, waar nu een pad naar de schuur in de achtertuin loopt. De uitbouw is voorzien tot de perceelsgrens met de woning van eiser aan de Hugo de Grootstraat 49. 3.1. Vast staat dat de uitbouw niet voldoet aan de artikelen 17.2.5, onderdeel a, b en e en 17.2.8, onderdeel a van de planregels bij het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (het bestemmingsplan). De uitbouw ligt namelijk niet op minimaal 3 meter van de voorgevel van de woning, niet op minimaal 1 meter van de perceelsgrens en de uitbouw heeft een hogere bouwhoogte dan het eerste verdiepingsniveau van de woning. Volgens het college past de uitbouw echter binnen de beleidsregels Kruimelgevallen Wassenaar 2015 (de beleidsregels). Daarmee kan worden gesteld dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en kan worden meegewerkt aan het verlenen van een omgevingsvergunning in strijd met de regels uit het bestemmingsplan. Het college heeft de omgevingsvergunning daarom verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘het afwijken van regels ruimtelijke ordening’ op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder en aanhef a, onderdeel 2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Beoordeling door de rechtbank Overgangsrec Het is tussen partijen niet in geschil dat het gezamenlijke oppervlakte van het achtererfgebied en het zijerf van vergunninghouders 116,6 m² bedraagt. Dit betekent dat op grond van artikel 3, aanhef en tweede lid, onder g, onderdeel i , van de beleidsregels 43,32 m² aan bijbehorende bouwwerken mag worden gebouwd (40 + 20% x 16,6). Vast staat dat de nieuwe uitbouw een oppervlakte heeft van 23,7 m² en de bestaande uitbouw een oppervlakte heeft van 15,3 m², waarmee wordt uitgekomen op een gezamenlijk oppervlakte van 39 m². Hiermee wordt voldaan aan het maximale gezamenlijke oppervlakte dat op grond van de beleidsregels is toegestaan. Eiser stelt terecht dat in het achtererfgebied van vergunninghouders ook een schuur staat, maar deze zal worden gesloopt zodat deze niet meetelt bij het gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. Het betoog van eiser dat de sloop van de schuur niet juridisch is geborgd, volgt de rechtbank niet. In de aanvraag van vergunninghouders staat immers dat de schuur wordt gesloopt en dat volgt ook uit de bouwtekeningen bij de aanvraag, die onderdeel uitmaken van het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning. 6.3. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat de goothoogte van de uitbouw niet voldoet aan artikel 3, aanhef en tweede lid, onder g, onderdeel iv, van de beleidsregels. Uit de bouwtekeningen volgt dat de goothoogte niet hoger zit dan 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie tussen de eerste en tweede bouwlaag. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de druiplijn van het dak te hoogte van de nok van de uitbouw ligt, zodat sprake is van twee goothoogtes. De druiplijn bevindt zich bij de onderste begrenzing van het dak, ter hoogte van de goot van de uitbouw. 6.4. De rechtbank volgt eiser ten slotte ook niet in zijn betoog dat de uitbouw niet voldoet aan artikel 3, aanhef en tweede lid, onder g, onderdeel v, van de beleidsregels. Uit de bouwtekeningen volgt dat de uitbouw tegen de perceelsgrens wordt gebouwd. Dat de buitenste muur van de uitbouw los komt te staan van de buitenmuur van de woning van eiser en niet hieraan wordt verankerd, maakt niet dat niet kan worden gesproken van een bouwwerk tegen de perceelsgrens. Goede ruimtelijke ordening, 7. Eiser voert aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitbouw in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens eiser zal zijn woon- en leefklimaat onevenredig worden aangetast. Eiser voert hiertoe aan dat hij door de uitbouw tegen de zijgevel van zijn woning niet meer in staat zal zijn om deze zijgevel te controleren. Verder kan de uitbouw negatieve gevolgen hebben voor de waterdichte status van zijn zijgevel. Ook kan roering in de grond negatieve effecten hebben voor de woning van eiser, nu deze niet is onderheid. Eiser voert verder aan dat de uitbouw zal leiden tot aantasting van het straatbeeld, nu deze een hogere hoogte heeft dan de eerste bouwlaag van de woning van vergunninghouders. Verder zorgt de uitbouw voor schaduwwerking en verminderd zijdelings uitzicht voor eiser. Eiser vreest bovendien voor geluidhinder vanuit de uitbouw en voor vermindering van de waarde van zijn woning. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het klopt dat eiser zijn zijgevel niet meer zal kunnen controleren, aangezien de uitbouw hier tegenaan komt te staan. Dit betreft echter geen ruimtelijk effect dat het college had moeten meewegen in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Hetzelfde geldt voor de gevolgen van de uitbouw voor de waterdichte status van de zijgevel en de roering in de grond. Dit zijn aspecten die worden beheerst door het civiele burenrecht. Als de bouw van de uitbouw leidt tot schade aan de woning van eiser, dan moet hij zich wenden tot de burgerlijke rechter om deze schade vergoed te krijgen. 7.2. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stell