Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-09-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:26971
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,117 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:26971 text/xml public 2026-01-30T09:45:43 2026-01-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-09-25 NL25.43174 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26971 text/html public 2026-01-30T09:45:37 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:26971 Rechtbank Den Haag , 25-09-2025 / NL25.43174 Bewaring. Artikel 6, eerste lid, van de Vw. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.43174 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Smeulders) Procesverloop Bij besluit van 8 september 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 8 september 2025 de maatregel van bewaring opgeheven. Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 15 september 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 17 september 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 19 september 2025 het onderzoek gesloten. Overwegingen Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De gemachtigde van eiser heeft aangevoerd dat aan eiser geen informatiefolder is verstrekt, terwijl verweerder hiertoe wel gehouden is. De rechtbank overweegt als volgt. Het betoog van eiser dat verweerder de informatieplicht uit artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) heeft geschonden en dat de opgelegde maatregel om die reden onrechtmatig zou zijn, slaagt niet. De informatieplicht zoals opgenomen in artikel 5.3 van het Vb ziet enkel ziet op vrijheidsontnemende maatregelen, zoals bedoeld in artikel 6, derde en zesde lid, van de Vw. De in dit geval opgelegde maatregel betreft echter een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw. Voor een dergelijke maatregel geldt de in artikel 5.3 van het Vb genoemde informatieplicht dus niet, zodat verweerder niet verplicht was een informatiefolder aan eiser te verstrekken. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser in de Engelse taal is geïnformeerd over zowel de inhoud en strekking van de maatregel als de mogelijkheid om daartegen beroep in te stellen. Eiser is de Engelse taal in voldoende mate machtig en heeft bovendien gebruikgemaakt van zijn beroepsrecht. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd dat eiser de gevolgen van de maatregel heeft kunnen begrijpen. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van de opheffing daarvan onrechtmatig was. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:858.