Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-07-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:26894
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.11852 en NL25.11855 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mw. mr. T.Y. Tsang) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Verweerder heeft de aanvraag met besluit van 26 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 september 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Bij besluit van 4 oktober 2024 heeft verweerder het bestreden besluit van 20 september 2024 ingetrokken. Vervolgens heeft verweerder op 17 februari 2025 een nieuw bestreden besluit genomen en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Indiase nationaliteit. Hij heeft op 4 april 2024 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een EU verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. 4. Verweerder heeft de verblijfsvergunning afgewezen, omdat eiser niet langer voldoet aan de beperking waaronder deze is verleend. Eiser voldoet niet aan de voorwaarde dat hij direct voorafgaand aan de aanvraag gedurende vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten. Eiser heeft op geen enkele wijze met stukken onderbouwd dat dat de gezinsband (weer) is hersteld. Aangezien het bezwaar als kennelijk ongegrond is afgedaan, heeft verweerder afgezien van het horen in bezwaar. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit van verweerder en voert – kort gezegd – het volgende aan. Er is wel degelijk sprake van gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser en zijn echtgenote zijn namelijk ondanks de relatiebreuk nog altijd gehuwd. Verder is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 van het EVRM, zowel in het kader van gezinsleven als in het kader van privéleven. Ook had verweerder eiser hierover moeten horen. Door dit niet te doen heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank overweegt dat eiser sinds 27 februari 2018 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij zijn partner, mevrouw [naam] . Verweerder heeft deze verblijfsvergunning bij besluit van 21 maart 2024 met ingang van 5 juli 2023 ingetrokken, omdat de gezinsband met mevrouw [naam] is verbroken. Dit besluit staat in rechte vast. 6.1. Verweerder stelt zich op goede gronden op het standpunt dat niet is aangetoond dat de gezinsband (weer) is hersteld. Het enkele feit dat eiser en mevrouw [naam] op nog steeds op hetzelfde adres staan ingeschreven en zij op papier nog gehuwd zijn doet hier niet af, temeer nu deze omstandigheden ook reeds bekend waren ten tijde van het intrekkingsbesluit. 6.2. Gelet op het bovenstaande heeft eiser nog geen vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland gehad en voldoet hij daarmee niet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 45b van de Vw. Deze beroepsgrond slaagt niet. Artikel 8 van het EVRM 7. Voor zover eiser zich beroept op artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat dit beroep slaagt. De hoogste bestuursrechter heeft op 20 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:187, kort samengevat, geoordeeld dat (zelfs bij een impliciet) beroep op artikel 8 van het EVRM verweerder gehouden is aan dat artikel te toetsen of deugdelijk te motiveren waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om ambtshalve op grond van artikel 3.6b, aanhef