Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2025:26893
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,030 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:26893 text/xml public 2026-01-29T14:28:32 2026-01-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-07-11 NL25.672 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26893 text/html public 2026-01-29T14:27:04 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:26893 Rechtbank Den Haag , 11-07-2025 / NL25.672 Regulier. Mvv-vereiste, toestemmingsverklaring, middelenvereiste, artikel 8 EVRM. Gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.672 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres (gemachtigde: mr. M.E. Muller), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). 1.1. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 9 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en mevrouw [naam] (referente). Als tolk is verschenen S.B. Aniania. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het oordeel van de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2009 en heeft de Eritrese nationaliteit. Zij beoogt verblijf bij haar moeder mevrouw [naam] (referente) die op 23 juni 2016 in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Referente heeft op 2 november 2022 namens eiseres een aanvraag ingediend voor een mvv voor eiseres. 3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat tot op heden een (ondertekende) toestemmingsverklaring van de vader van eiseres ontbreekt. Daarnaast voldoet referente niet aan het middelenvereiste als bedoeld in artikel 3.22, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb) en niet is gebleken dat referente hiervan moet worden vrijgesteld. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM is in het nadeel van eiseres uitgevallen. Wat vindt eiseres in beroep? 4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Daartoe stelt eiseres dat verweerder bij het verlangen van een toestemmingsverklaring onvoldoende rekening heeft gehouden met de situatie in het land van herkomst. Bovendien heeft eiseres een plausibele verklaring afgelegd voor het ontbreken van de toestemmingsverklaring, namelijk dat de vader van eiseres is overleden in de Sahara, maar daarvan geen overlijdensakte is opgemaakt. Voorts heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom niet kan worden afgezien van het middelenvereiste gelet op de persoonlijke omstandigheden. Zo heeft referente een vluchtelingenachtergrond, is sprake van medische problematiek en is zij verwikkeld in een langdurige gezinsherenigingsaanvraag. Het is, gelet hierop, niet evenredig vast te houden aan het middelenvereiste. Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM, waarbij onvoldoende rekening is gehouden met het belang van het kind. Wat is het oordeel van de rechtbank? De toestemmingsverklaring 5. Niet in geschil is dat de toestemmingsverklaring als bedoeld in paragraaf B7/3.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) van de vader van eiseres ontbreekt. Eiseres stelt dat haar vader is overleden, maar de rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het uittreksel uit de BRP waaruit blijkt dat het huwelijk tussen referente en de vader van eiseres in 2013 is ontbonden vanwege het overlijden van de man onvoldoende is om dit aannemelijk te maken. De rechtbank neemt hiertoe in aanmerking dat dit gegeven is opgenomen in de BRP op basis van de eigen verklaring van referente. 5.1 Door verweerder is onderkend dat referente zich in een lastige bewijspositie bevindt om met bewijsstukken aan te tonen dat de vader van eiseres is overleden. Uit paragraaf B7/3.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 blijkt dat in geval van overlijden de toestemming van een buitenlandse instantie in de plaats kan treden van wanneer de betreffende ouder is overleden. Niet is gebleken dat eiseres geprobeerd heeft een dergelijke toestemming te verkrijgen dan wel de onmogelijkheid daarvan. Verweerder heeft eiseres dit mogen tegenwerpen nu dit wel van eiseres verwacht mocht worden. Ter zitting is aangevoerd dat referente vanwege haar asielstatus niet naar de Eritrese ambassade durft te gaan. Echter, vereist is niet per se een verklaring van de Eritrese ambassade, maar van een bevoegde buitenlandse instantie. Verweerder heeft het ontbreken van een toestemmingsverklaring aan eiseres dan ook kunnen tegenwerpen. Het middelenvereiste 6. Op grond van artikel 3.22, eerste lid, van het Vb moet referente duurzaam en zelfstandig beschikken over voldoende middelen van bestaan. Niet in geschil is dat aan dat middelenvereiste niet wordt voldaan. Referente ontvangt namelijk een uitkering in het kader van de Participatiewet. Die inkomsten vallen dus niet onder zelfstandige middelen van bestaan. Gesteld noch gebleken is dat referente op grond van paragraaf B7/2.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) had moeten worden vrijgesteld van het middelenvereiste. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder de persoonlijke omstandigheden van referente niet heeft betrokken bij het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit op pagina 2 van het bestreden besluit heeft gedaan. 6.1 Eiseres voert verder aan dat het onevenredig is vast te houden aan het middelenvereiste gelet op de persoonlijke omstandigheden van referente. Eiseres stelt daartoe dat referente analfabeet is, zij is nog steeds Nederlands aan het leren en medische problemen heeft. Hierdoor kan niet van haar verwacht worden dat zij kan toetreden tot de arbeidsmarkt. 6.2 De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het niet onredelijk is dat een lidstaat een eis stelt aan de financiële situatie van betrokkenen om in aanmerking te komen voor gezinshereniging. De lidstaat moet daarbij in aanmerking nemen of de referent alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van hem en zijn gezinsleden, gelet op zijn individuele omstandigheden. Voor de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat referente alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mag worden om te voorzien in de kosten van levensonderhoud voor haar en eiseres. Niet is namelijk vermeld of en zo ja, welke inspanningen referente heeft verricht sinds 2016, toen ze een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen. Niet is aannemelijk gemaakt dat referente ook enkel vanwege het ontbreken van de beheersing van de Nederlandse taal dan wel haar medische problemen niet in staat kan worden geacht om zelf te voorzien in de kosten van levensonderhoud. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door eiseres naar voren gebrachte factoren niet leiden tot de conclusie dat het onredelijk is het middelenvereiste tegen te werpen. Verweerder heeft de aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning dan ook op grond van het niet voldoen aan het middelenvereiste kunnen afwijzen. Artikel 8 van het EVRM 7. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een “fair balance” moet vinden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank moet beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. Deze maatstaf impliceert verder dat de rechter de door verweerder gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen.