Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:26889
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,037 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:26889 text/xml public 2026-01-29T14:18:02 2026-01-21 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-24 NL25.17544 en NL25.17545 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26889 text/html public 2026-01-29T14:17:33 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:26889 Rechtbank Den Haag , 24-12-2025 / NL25.17544 en NL25.17545 Regulier. Geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht, verwijderingsmaatregel opgelegd. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.17544 en NL25.17545 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.2 Bij besluit van 28 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en bepaald dat eiser binnen een maand Nederland dient te verlaten. Bij besluit van 10 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. 1.3 De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van eiser deelgenomen. Verweerder is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Poolse nationaliteit. Omdat eiser een zwervend bestaan leidt in Nederland en regelmatig in aanraking is gekomen met de politie wegens overlast op straat en winkeldiefstallen, is bij de politie twijfel ontstaan over de vraag of hij over voldoende middelen van bestaan beschikt. Uit onderzoek is gebleken dat eiser geen reële en daadwerkelijke arbeid verricht en niet over eigen middelen van bestaan beschikt. Ook is niet gebleken dat eiser actief op zoek is naar werk of een reële kans op werk heeft. 3. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Verweerder heeft daarom aan eiser een verwijderingsmaatregel opgelegd. Het belang van eiser om in Nederland te blijven weegt minder zwaar dan het belang van de Nederlandse samenleving bij verwijdering van eiser. Verweerder heeft eiser een vertrektermijn van een maand opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser betoogt dat de opgelegde verwijderingsmaatregel in strijd is met artikelen 15 en 30 van de Verblijfsrichtlijn. Verweerder heeft namelijk ten onrechte nagelaten om uit te leggen op welke manier eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief kan beëindigen en onder welke omstandigheden hij terug kan keren naar Nederland. Hierdoor is het voor eiser niet duidelijk hoe hij kan voldoen aan het besluit. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank waaruit blijkt dat de meeste elementen die genoemd worden in Werkinstructie 2023/3 (WI 2023/3) niet op dakloze Unieburgers van toepassing zijn. Het besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser voldoende heeft geïnformeerd over de wijze waarop eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen. 6.1 Uit artikel 30, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn volgt dat een verwijderingsmaatregel op zodanige wijze schriftelijk ter kennis moet worden gebracht, dat de betrokkene in staat is om de inhoud en de gevolgen hiervan te begrijpen. Verweerder heeft een openbare werkinstructie, te weten WI 2023/3, waarin uiteengezet wordt welke elementen van belang zijn bij het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf. Dit zijn dezelfde elementen die in het arrest F.S. zijn opgenomen, namelijk: de duur van de afwezigheid, een verzoek om schrapping uit het bevolkingsregister, de beëindiging van een huurovereenkomst, uitschrijving bij een dienst om arbeidsbemiddeling of de beëindiging van andere relaties die een zekere integratie van de Unieburger in Nederland veronderstellen. Het arrest F.S. en de openbare werkinstructie bieden voldoende houvast om te weten welke elementen een rol spelen bij de beoordeling of het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. 6.2 Zoals de rechtbank in de door eiser aangehaalde uitspraak heeft overwogen begrijpt ze dat voor dakloze personen zoals eiser veel van de elementen uit het arrest F.S. niet van toepassing zijn, maar dit betekent niet dat het voor eiser onduidelijk is hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen. Uit het arrest F.S. volgt ook dat rekening moet worden gehouden met aanwijzingen dat de Unieburger tijdens de periode van afwezigheid het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank zou dan in deze gevallen minder gewicht kunnen toekomen aan het verplaatsen van de belangen van eiser uit Nederland en meer gewicht aan het plaatsen van zijn belangen naar het buitenland. Het valt niet uit te sluiten dat iemand zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen door bijvoorbeeld een inschrijving in het bevolkingsregister of het aangaan van een huurovereenkomst in het buitenland. 6.3 Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk voor verweerder om de elementen die in het arrest F.S. genoemd zijn nader te specificeren bij het opleggen van de verwijderingsmaatregel, omdat er geen uitputtende lijst van voorbeelden kan worden gegeven. Een dergelijke verplichting daartoe volgt ook niet uit het arrest F.S. Daarbij komt dat een eventueel nieuw verblijf van eiser in Nederland een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Eiser heeft immers Nederland nog niet verlaten en de toets of zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd, vindt pas plaats wanneer hij eerst Nederland zou verlaten en vervolgens terug zou keren en hier opnieuw zou willen verblijven. Deze toets is casuïstisch van aard en hangt af van de omstandigheden op dat moment. 6.4 Voor de volledigheid overweegt de rechtbank nog dat er, naast het daadwerkelijk en effectief beëindigen van zijn verblijf in Nederland, nog een tweede manier is voor eiser om weer rechtmatig verblijf te krijgen in Nederland. Zodra eiser voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit, heeft hij van rechtswege weer rechtmatig verblijf. Het verwijderingsbesluit is dan niet meer van kracht. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. 8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. 9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.