Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:26874
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,905 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:26874 text/xml public 2026-01-29T11:10:55 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-14 25/5072 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26874 text/html public 2026-01-29T11:10:26 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:26874 Rechtbank Den Haag , 14-11-2025 / 25/5072 Vovo tegen gedeeltelijke openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid. Vovo toegewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/5072 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 november 2025 in de zaak tussen [verzoekster] B.V., uit [vestigingsplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. G.A. van der Veen), en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder (gemachtigde: mr. C. van der Sluijs). Samenvatting 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen de (gedeeltelijke) openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk gegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is. 1.2. Verweerder heeft met het herstelbesluit van 23 juli 2025 met kenmerk [kenmerk] beslist over openbaarmaking. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2.1. Op 14 april 2016 is heeft een derde bij de gemeente Dordrecht een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingediend. In dit verzoek wordt gevraagd om informatie die betrekking heeft op het gebruik van PFOA, freonen en organische chloorverbindingen door de fabriek(en) van Chemours Netherlands B.V. (hierna: Chemours), voorheen DuPont de Nemours Nederland B.V. (hierna: Dupont). De gemeente heeft dit Woo-verzoek op 21 april 2016 ter verdere afhandeling doorgestuurd naar verweerder. 2.2. Bij besluit van 24 april 2018 heeft verweerder op het Woo-verzoek beslist en besloten om een deel van de gevraagde informatie openbaar te maken. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingetrokken, nadat verweerder de rechtbank had meegedeeld de informatie niet eerder openbaar te zullen maken dan zes weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. 2.3. De behandeling van het bezwaar is enige tijd aangehouden, omdat er tegelijkertijd een vergunningsaanvraag van verzoekster liep waarin zij had verzocht om bepaalde gegevens als vertrouwelijk te beschouwen. Het vertrouwelijkheidsbesluit in het kader van de vergunningsaanvraag is genomen op 12 maart 2021, waarna de afhandeling van het bezwaar van verzoekster tegen het besluit op het Woo-verzoek is hervat. Verweerder heeft in het bezwaar van verzoekster en wat in het vertrouwelijkheidsbesluit is overwogen, aanleiding gezien om een herstelbesluit te nemen. 2.4. Verweerder heeft dit herstelbesluit met kenmerk [kenmerk] op 23 juli 2025 genomen. Bij brief van 4 augustus 2025 heeft verzoekster laten weten het door haar voorganger DuPont ingestelde bezwaar tegen het besluit van 24 april 2018 te handhaven. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd om bij wijze van voorlopige voorziening de feitelijke openbaarmaking van de betreffende documenten op te schorten voor een periode van zes weken na de datum van verzending van de nog te nemen beslissing op bezwaar. 2.5. Bij mail van 5 augustus 2025 heeft verweerder meegedeeld de openbaarmaking van de documenten op te schorten tot de uitspraak van de voorzieningenrechter. 2.6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 2.7. Verzoekster heeft een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Zonder de gevraagde voorziening wordt de verzochte informatie (gedeeltelijk) openbaar gemaakt, wat onomkeerbaar is. Verzoekster is het niet eens met de openbaarmaking zoals verweerder die voor ogen heeft. 2.8. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening. Verweerder heeft immers in het verweerschrift aangegeven van oordeel te zijn dat voldoende reden bestaat om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Daarnaast heeft de Woo-verzoeker de rechtbank laten weten dat hij niet aan de voorlopige voorzieningprocedure wil deelnemen. De voorzieningenrechter maakt hieruit op dat de Woo-verzoeker kennelijk geen bezwaar heeft tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening. Ook zijn er volgens verweerder verder geen andere belanghebbenden die tegen het herstelbesluit bezwaar hebben gemaakt. In deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter grond om het verzoek toe te wijzen en het herstelbesluit te schorsen tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Bij het bepalen van deze termijn sluit de voorzieningenrechter aan bij het bepaalde in artikel 4.4, vijfde lid, van de Woo. Conclusie en gevolgen 3.1. Het verzoek is daarom kennelijk gegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe, in die zin dat het herstelbesluit van 23 juli 2025 wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat de bij het herstelbesluit gedeeltelijk openbaar te maken documenten niet voor eenieder openbaar gemaakt mogen worden en ook niet feitelijk aan de Woo-verzoeker verstrekt mogen worden. 3.2. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekster moet vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. 3.3. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Omdat elke proceshandeling een waarde heeft van € 907,-, bedraagt de vergoeding in beginsel in totaal € 907,-. Nu dit verzoek gelijktijdig is behandeld met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer SGR 25/5071, rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden van die persoon in elk van de zaak nagenoeg identiek waren, is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. Voor deze twee zaken wordt dan ook éénmaal een proceskostenvergoeding van € 907,- toegekend, oftewel een proceskostenvergoeding van € 458,50 per zaak. Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - schorst het herstelbesluit van 23 juli 2025 met kenmerk [kenmerk] tot twee weken na de bekendmaking van de nog te nemen beslissing op bezwaar ; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- aan verzoekster moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 458,50 aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Sinds 1 mei 2022 vervangen door de Woo.