Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-11-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:26871
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/7411 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker en de staatssecretaris van Defensie, verweerder (gemachtigde: mr. L.A. Visser). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 26 september 2025 waarmee verweerder de functie van ‘Veiligheidsonderofficier ISK’ aan verzoeker heeft toegewezen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker. 1.1. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verweerder, ondersteund door [naam 1] . Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. Verzoeker is op [datum] 1996 aangesteld bij de Koninklijke Landmacht. Vanaf 1999 is hij opgeleid tot Schutter Lange Afstand. Met ingang van 2001 is zijn aanstelling gewijzigd en is hij een omscholingsopleiding tot onderofficier gaan volgen. Sindsdien heeft hij verschillende operationele functies in de schietwereld vervuld, waaronder verschillende instructeursfuncties bij het Opleidings- en Trainingscentrum Manoeuvre (OTCMAN). 2.1. In 2014 heeft de politie Utrecht een onderzoek ingesteld naar de naleving van de voorwaarden van het wapenverlof door verzoeker en in het kader daarvan bijstand gevraagd aan Defensie. Naar aanleiding van dat onderzoek is bij besluit van 23 januari 2015 het wapenverlof van verzoeker ingetrokken. Nadat verzoeker hiertegen administratief beroep had aangetekend, is het besluit op 1 juli 2015 vernietigd. Bij deze procedure zijn verschillende medewerkers van Defensie betrokken geweest. Zij hebben op eigen wijze, voorafgaand, tijdens en na het onderzoek, zowel in hun functie als in hun privéhoedanigheid, uitlatingen gedaan over verzoeker. Verzoeker heeft zich vanwege dit alles op 3 april 2017 ziekgemeld en zijn werkzaamheden sindsdien niet meer volledig hervat. Daarbij heeft hij Defensie aansprakelijk gesteld voor de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het optreden van Defensie rondom de intrekking van het wapenverlof. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een op 19 september 2018 tussen verzoeker en Defensie gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: vso). In de vso is – voor zover hier van belang – overeengekomen dat Defensie, zonder hierbij enige vorm van aansprakelijkheid te erkennen, een bedrag van € 41.500,- aan schadevergoeding betaalt, dat verzoeker uiterlijk op 1 januari 2019 volledig zijn werkzaamheden hervat als Cursusleider/Instructeur/Trainer (sniper-marksman) te Harskamp bij het OTCMAN en Defensie verzoeker binnen zes jaar na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zal voordragen voor een functietoewijzing bij de Dienst Speciale Interventies (DSI). Mocht de voordracht niet leiden tot een functietoewijzing, dan zal Defensie zich inspannen voor een andere passende functietoewijzing binnen de schietdiscipline van de Koninklijke Landmacht. Deze afspraken zijn gemaakt tegen finale kwijting. 2.2. Omdat de functie Cursusleider/Instructeur/Trainer (sniper-marksman) te Harskamp bij het OTCMAN op 1 januari 2019 niet beschikbaar bleek, heeft Defensie verzoeker verschillende andere functies binnen de schietdiscipline aangeboden en toegezegd dat verzoeker deze functie zal krijgen als deze weer beschikbaar komt. Bij besluit van 2 januari 2019 is verzoeker vervolgens geplaatst op de functie van Stafonderofficier Wapens Junior bij Bureau Wapens van het Kenniscentrum Grondgebonden Manoeuvre. Deze p Nog daargelaten de vraag aan wie de ontstane situatie kan worden toegerekend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat alleen al om die redenen sprake is van onverwijlde spoed waardoor verzoeker niet op de beslissing op het door hem ingediende bezwaarschrift kan wachten. Kon verweerder de betreffende functie in redelijkheid aan verzoeker toewijzen? 5. Alvorens wordt toegekomen aan de beantwoording van deze vraag, merkt de voorzieningenrechter allereerst het volgende op. Uit de door verzoeker ingezonden stukken, maar ook uit wat op zitting is besproken, leidt de voorzieningenrechter af dat bij verzoeker veel emotie zit over de voorgeschiedenis die aan het uiteindelijke functietoewijzingsbesluit voorafging, alsook de behoefte om erkenning dat de ontstane situatie aan verweerder moet worden toegerekend. De voorzieningenrechter hecht er evenwel waarde aan te benadrukken dat in deze procedure slechts de vraag voorligt of verweerder, gelet op alle omstandigheden, in redelijkheid tot het functietoewijzingsbesluit heeft kunnen komen. Hoewel daarbij wel alle feiten en omstandigheden uit de gehele voorgeschiedenis in ogenschouw worden genomen, leent een voorlopige voorzieningenprocedure zich er niet voor om de dieper liggende knelpunten op te lossen. De door verzoeker gevraagde aanvullende voorzieningen, waaronder het instellen van een onafhankelijk onderzoek naar de rol van Defensie in het ontstaan van de veilige werksfeer, merkt de voorzieningenrechter om die reden dan ook aan als te verstrekkend. 6. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kon verweerder de functie van Veiligheidsonderofficier ISK in redelijkheid aan verzoeker toewijzen. De primair door verzoeker gevraagde voorziening om het besluit te schorsen wordt dan ook afgewezen. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 6.1. Artikel 20 van het Algemeen ambtenarenreglement (AMAR) bepaalt dat bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing in ieder geval rekening wordt gehouden met de volgende factoren: a. de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krijgsmacht en in samenhang daarmee van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies; b. de door de militair kenbaar gemaakte voorkeur; c. de beschikbaarheid van de militair; d. de uit een oogpunt van opbouw en kennis en ervaring wenselijke spreiding van de loopbaan e. de bekwaamheid en de geschiktheid van de militair voor de functie. 6.2. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste ambtenarenrechter geschiedt het al dan niet toewijzen van een geambieerde functie met gebruikmaking van de bij en krachtens het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) – sinds 1 februari 2011 – aan de minister toebedeelde discretionaire bevoegdheid. Dit brengt met zich mee dat de toetsing door de bestuursrechter terughoudend is. Die toetsing is beperkt tot de vraag of de minister, gelet op wat verzoeker tegen het besluit heeft ingebracht, niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel of dat besluit in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel algemeen rechtsbeginsel. 6.3. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat het voortdurende overleg dat in de afgelopen met verzoeker heeft plaatsgevonden over een passende functie in de schietdiscipline niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Gezien de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krachtsmacht en van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies is het echter wel van belang dat aan militairen ook daadwerkelijk een functie wordt toegewezen. Om die reden, maar ook om alsnog tegemoet te komen aan de betreffende afspraak uit het vso, heeft verweerder verzoeker in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken te kiezen tussen de twee betreffende functies. Als verzoeker zou kiezen voor de functie Cursusleider/instructeur/trainer (sniper/marksman) bij OTCMAN, dan was er zelfs sprake geweest van