Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:26864
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,001 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBDHA:2025:26864 text/xml public 2026-01-29T10:11:55 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-07 25/7331 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26864 text/html public 2026-01-29T10:08:58 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:26864 Rechtbank Den Haag , 07-11-2025 / 25/7331 Vovo. Verweerder heeft gesteld dat verzoekster niet voldoet aan de passendheidseisen voor een huisvestingsvergunning. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder dit mogen doen. Vovo afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/7331 uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2025 in de zaak tussen [verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster (gemachtigde: mr. J. Pearson), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. E.C. Bloem). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de brief van verweerder van 5 augustus 2025 met daarin de mededeling dat verzoekster niet voldoet aan de passendheidseisen voor een huisvestingsvergunning. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster. 1.1. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde, E. Unguya (tolk van verzoekster) en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 2. Verzoekster heeft de Oekraïense nationaliteit en verblijft sinds 27 maart 2022 in Nederland. Sinds 11 mei 2022 woont zij met haar dochter [naam 1] (hierna: de dochter) in de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Zij zijn daar ingetrokken bij de heer [naam 2] (hierna: de partner), die verzoekster heeft leren kennen via internet en met wie ze uiteindelijk een liefdesrelatie heeft gekregen. De partner huurde de woning van [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: de verhuurder) en staat ook als enige huurder vermeld op de huurovereenkomst. Op 23 maart 2025 is de partner van verzoekster overleden. Verzoekster heeft de wens om samen met haar dochter in de woning te blijven wonen en heeft daarom aan de verhuurder verzocht om de huurovereenkomst van haar overleden partner over te nemen. De verhuurder weigert echter om hier zijn medewerking aan te verlenen, reden waarom verzoekster een civiele procedure is gestart om de overname van de huurovereenkomst op die manier af te dwingen. De mondelinge behandeling hiervan vindt plaats op 11 november 2025. Omdat de civiele rechter haar vordering in ieder geval afwijst als zij niet beschikt over een huisvestingsvergunning , heeft zij hiervoor op 10 juni 2025 bij verweerder een aanvraag ingediend. 2.1. Verweerder heeft de aanvraag aanvankelijk niet in behandeling genomen omdat hierbij een volledige kopie van haar huurovereenkomst, dan wel een door verzoekster en de verhuurder ondertekende eigenaarsverklaring ontbrak. Toen verzoekster te kennen gaf dat dit niet mogelijk is omdat de huurovereenkomst niet op haar naam staat en de verhuurder niet wil meewerken aan de overname hiervan, heeft verweerder de aanvraag in behandeling genomen als zijnde een onvolledige aanvraag en een ‘toets voorwaarden huisvestingsvergunning’ uitgevoerd. Met de brief van 5 augustus 2025 heeft verweerder de uitkomsten van deze toets aan verzoekster medegedeeld. Verzoekster voldoet niet aan de passendheidseisen omdat zij en haar dochter niet beschikken over een rechtmatig verblijfsdocument en niet is aangetoond dat verzoekster met haar overleden partner een duurzaam gemeenschappelijk huishouden voerde. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het al dan niet voeren van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden niet van belang is bij de vraag of een woningzoekende in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning en daarom niet meer als voorwaarde aan verzoekster wordt tegenworpen. Wat vindt verzoekster? 3. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 5 augustus 2025 en, gelet op het feit dat de mondelinge behandeling van de civiele procedure plaatsvindt op 11 november 2025, gelijktijdig de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd. Primair verzoekt verzoekster de voorzieningenrechter om het besluit te schorsen en te bepalen dat zij nog vóór 11 november 2025 in het bezit wordt gesteld van een huisvestingsvergunning. Subsidiair verzoekt zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat de voorwaarde van rechtmatig verblijf in Nederland gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak niet aan haar mag worden tegengeworpen. Spoedeisend belang 4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. 4.1. Dat verzoekster gelet op de lopende civiele procedure belang heeft bij een oordeel over de vraag of zij in aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning, wordt door verweerder niet betwist. Nu de mondelinge behandeling van deze civiele procedure op 11 november 2025 plaatsvindt en verweerder op zitting heeft aangegeven dat waarschijnlijk pas half december op haar bezwaar zal worden beslist, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed waardoor verzoekster niet op de beslissing op het door haar ingediende bezwaarschrift kan wachten. Primaire verzoek 4.2. Voor zover verzoekster verzoekt een voorziening te treffen, waarbij zij in het bezit wordt gesteld van een huisvestingsvergunning, dan strekt dit verzoek te ver. Allereerst omdat verweerder in het bestreden besluit enkel heeft getoetst of verzoekster voldoet aan de passendheidseisen voor een huisvestingsvergunning en niet als een aanvraag om een huisvestingsvergunning heeft behandeld. 4.3. Daarnaast heeft het verlenen van een huisvestingsvergunning geen voorlopig karakter. Daar komt bij dat het verlenen van een huisvestingsvergunning een bevoegdheid is die aan verweerder toekomt en verweerder heeft daarbij beoordelingsruimte. Gelet hierop is er in dit geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen ruimte voor het treffen van deze gevraagde voorziening. Heeft verweerder kunnen besluiten dat verzoekster niet voldoet aan de passendheidseisen voor een huisvestingsvergunning? 5. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 kan de gemeenteraad categorieën woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven indien daarvoor geen huisvestingsvergunning is verleend. Ingevolge artikel 2:3, tweede lid, van de Huisvestingsverordening komen woningzoekenden slechts in aanmerking voor een huisvestingsvergunning als alle leden van het huishouden de Nederlandse nationaliteit bezitten of rechtmatig in Nederland verblijven in de zin van artikel 8, onder a tot en met e of onder l van de Vreemdelingenwet 2000. 5.1. Verzoekster en haar dochter verblijven in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Tussen partijen is niet in geschil dat deze verblijfsstatus geen rechtmatig verblijf betreft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e of onder 1 van de Vreemdelingenwet 2000. Het betreft immers een verblijfsrecht zoals bedoeld in artikel 8, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000.