Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-10-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:26862
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,989 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:26862 text/xml public 2026-01-29T10:36:56 2026-01-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-10-17 25/6948 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26862 text/html public 2026-01-29T10:36:31 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:26862 Rechtbank Den Haag , 17-10-2025 / 25/6948 Kortsluiting met vovo. Oplegging last onder dwangsom vanwege geluidsoverlast door pluimvee dat door verzoekster wordt gehouden. Verweerder heeft deze last onder dwangsom in redelijkheid mogen opleggen. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 25/6947 en SGR 25/6948 uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 oktober 2025 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. M.J. Smaling), en het college van burgermeester en wethouders van Teylingen, verweerder (gemachtigde: mr. D. van Werkhoven). Als derde-belanghebbenden nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] , uit [woonplaats] (hierna: de derde-belanghebbenden). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het beroep en de voorziening van verzoekster tegen de oplegging van een last onder dwangsom wegens een overtreding van de Algemene plaatselijke verordening Teylingen (hierna: de Apv Teylingen). 1.1. Met het primaire besluit van 13 november 2023 heeft verweerder het verzoek van de derde-belanghebbenden om handhaving bij verzoekster afgewezen. Met het besluit van 29 september 2025 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van de derde-belanghebbenden gegrond verklaard en daarin medegedeeld alsnog over te gaan tot handhaving. Met het besluit van 25 september 2025 (het bestreden besluit II) heeft verweerder verzoekster naar aanleiding hiervan een last onder dwangsom opgelegd. 1.2. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld en gelijktijdig de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. Verweerder heeft op de gevraagde voorziening gereageerd met een verweerschrift. 1.4. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2025. Hierbij waren aanwezig: verzoekster, haar gemachtigde, de gemachtigde van verweerder vergezeld door [naam] en de derde-belanghebbenden. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Verder hebben partijen op de zitting desgevraagd aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Waar gaat deze zaak over? 3. Verzoekster is woonachtig in de woning in de [adres 1] . Zij houdt in de achtertuin van haar woning op hobbymatige wijze verschillende pluimveesoorten, waaronder hanen. In de nabijheid van de woning bevinden zich de woningen van derde-belanghebbenden aan de [adres 2] en [adres 3] . Zij hebben op respectievelijk 31 juli 2023 en 1 augustus 2023 bij verweerder een verzoek ingediend waarin zij vragen om handhavend op te treden tegen door de door hen ervaren geluidsoverlast van de door verzoekster gehouden hanen. 3.1. Naar aanleiding van deze verzoeken om handhaving heeft een toezichthouder van verweerder tot vier maal toe een controle uitgevoerd in de achtertuin van de woning in de [adres 2] . Hoewel bij de controles wel enig geluid van de kippen en hanen hoorbaar was, bleek hieruit volgens verweerder onvoldoende dat sprake is van geluidshinder voor de omgeving. Met het primaire besluit van 13 november 2023 heeft verweerder daarom besloten om de handhavingsverzoeken van de derde-belanghebbenden af te wijzen. 3.2. De derde-belanghebbenden hebben op 18 december 2023 tegen het primaire besluit bezwaar ingesteld en daarin het verzoek bij verweerder neergelegd om de door hen ervaren geluidshinder op objectieve wijze vast te stellen. Verweerder heeft aan dit verzoek gehoor gegeven en KGI Groep (hierna: de opdrachtnemer) de opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de vermeende geluidsoverlast door de hanen van verzoekster. De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in het geluidstechnische rapport van 10 april 2024 (hierna: het geluidstechnische rapport I). Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 21 maart 2024 tot en met 28 maart 2024 en is verricht vanuit de woning in de [adres 2] . In het geluidstechnische rapport I wordt geconcludeerd dat sprake is van zeer grove overschrijding van geluidsnormen door de hanen die als schadelijk voor de gezondheid en daarmee als een inbreuk op de levenssfeer van omwonenden moet worden aangemerkt. Gelet daarop adviseert de opdrachtnemer verweerder om de overlast per direct te beëindigen door een last onder dwangsom op te leggen. 3.3. Naar aanleiding van de conclusies van het geluidstechnische rapport I hebben meerdere gesprekken tussen vertegenwoordigers van verweerder en verzoekster plaatsgevonden. Deze gesprekken hebben ertoe geleid dat verzoekster op 13 augustus 2024 afstand heeft gedaan van zeven hanen. Daarmee komt het aantal nog door verzoekster gehouden hanen op vier. Verder heeft verzoekster tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure van 3 december 2024 de toezegging gedaan dat zij in het vervolg de eieren zal weghalen en dat er daardoor geen nieuwe hanen meer zullen bijkomen. Deze tegemoetkomingen van verzoekster hebben er evenwel niet toe geleid dat de derde-belanghebbenden hun bezwaar hebben ingetrokken omdat zij zich op het standpunt stellen dat de getroffen maatregelen onvoldoende zekerheid bieden voor de toekomst. 3.4. Op 10 juli 2025 heeft de Commissie Bezwaren en Klachten (hierna: de commissie) advies uitgebracht over deze zaak. De commissie is van oordeel dat er onvoldoende objectieve gegevens beschikbaar zijn op grond waarvan kan worden beoordeeld in hoeverre in de nieuwe situatie, dus nadat de voornoemde maatregelen zijn getroffen, nog steeds sprake is van onaanvaardbare geluidsoverlast. Zij adviseert verweerder daarom om hiernaar zo spoedig mogelijk opnieuw een akoestisch onderzoek te laten verrichten. Afhankelijk van de uitkomsten hiervan moet het primaire besluit worden herroepen, dan wel in stand worden gelaten onder aanvulling van de daarin opgenomen motivering. 3.5. Naar aanleiding van het advies van de commissie heeft verweerder de opdrachtnemer opnieuw verzocht om een geluidsmeting te verrichten. De bevindingen van dit onderzoek zijn opgenomen in het geluidstechnische rapport van 17 september 2025 (hierna: het geluidstechnische rapport II). Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 20 augustus 2025 tot en met 26 augustus 2025 en is wederom verricht vanuit de woning in de [adres 2] . In het geluidstechnische rapport II wordt geconcludeerd dat ondanks de getroffen maatregelen nog steeds sprake is van serieuze geluidsoverlast. De geluidsnormen worden gedurende de hele dag stelselmatig met minimaal 5 decibel (dB) en maximaal 20 dB overschreden. De opdrachtnemer concludeert hieruit dat de klachten over geluidsoverlast van hanen terecht zijn. 3.6. Verweerder heeft de conclusies van het geluidstechnische rapport II overgenomen en is op grond daarvan tot de conclusie gekomen dat verzoekster in overtreding is. Verweerder heeft daarom met het bestreden besluit II besloten om verzoekster een last onder dwangsom op te leggen. Zij wordt verzocht om de geconstateerde overtreding vóór 21 oktober 2025 te beëindigen en beëindigd te houden. Doet zij dit niet, dan verbeurt zij een dwangsom van € 750,- per constatering (met een submaximum van € 750,- per week), met een maximum van € 3.000,-. Wat vindt verzoekster? 4.
Volledig
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld en gelijktijdig de voorzieningenrechter gevraagd om een voorziening te treffen door de begunstigingstermijn op te schorten tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak. Hoewel zij op de zitting heeft aangegeven op zichzelf niet te twijfelen aan de deskundigheid van de opdrachtnemer die het geluidstechnische onderzoek heeft uitgevoerd, zijn haar toch enkele zaken opgevallen in het geluidstechnische rapport II die voor haar onduidelijk zijn. Zo staat hierin opgenomen dat het gemeten stoorgeluid gedurende de dag en nacht respectievelijk 34 dB en 22 dB bedraagt, terwijl dit volgens haar gelet op het voorbijrijdende verkeer in haar straat en overvliegende vliegtuigen veel hoger moet zijn. Verder wordt in het geluidstechnische rapport II melding gemaakt van tien hanen, echter hield verzoekster in de controleperiode nog slechts vier hanen. Verder betoogt verzoekster dat de oplegging van een last onder dwangsom in dit geval onevenwichtig is. Door de in het verleden getroffen maatregelen en het overlijden van één van de nog overgebleven hanen houdt zij op dit moment nog slechts drie hanen, waarvan er twee inmiddels een hoge leeftijd hebben bereikt. Zij zijn echter van wezenlijk belang voor het mentaal welzijn van verzoekster. Verweerder had een minder verstrekkende maatregel kunnen nemen door een deskundige in te schakelen om de verwachte levensduur van de overgebleven hanen vast te stellen. Verzoekster schat zelf in dat dit geen lange periode meer zal beslaan. Tot slot noemt verzoekster in dit verband dat zij zelf geluidswerende maatregelen heeft genomen ten aanzien van het hok van de hanen, wat laat zien dat zij wel degelijk rekening houdt met de belangen van omwonenden. Ten slotte heeft verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door haar hanen in het bestreden besluit te verwarren met pauwen. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de last onder dwangsom op goede gronden heeft opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond. Daarmee bestaat er ook geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Spoedeisend belang 6. Als verzoekster vóór 21 oktober 2025 niet voldoet aan de aan haar opgelegde last om de door verweerder geconstateerde overtreding te beëindigen, dan verbeurt zij een dwangsom van € 750,- per constatering per week met een maximum van € 3.000,-. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster gelet op de opgelegde last de uitkomst van de bodemprocedure niet kan afwachten zonder ofwel dwangsommen te verbeuren ofwel uitvoering te moeten geven aan de last waarbij zij afstand zal moeten doen van de overgebleven hanen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat bij verzoekster een spoedeisend belang aanwezig is. Mocht verweerder voor de vaststelling van de overtreding uitgaan van de conclusies in het geluidstechnische rapport II? 7. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. 7.1. De voorzieningenrechter overweegt dat het geluidstechnisch onderzoek is uitgevoerd door de KGI Groep, die gespecialiseerd is in geluidshinder, akoestiek en geluidsisolatie en beschikt over de vereiste deskundigheid op dit terrein. Bij het onderzoek is gebruikgemaakt van gecertificeerde en voorafgaand geijkte meetapparatuur. De periode van het onderzoek omvat zeven dagen, waarbij 24 uur per dag is gemeten. Verder zijn de metingen uitgevoerd onder gunstige meteorologische omstandigheden waardoor geen verstoring van de meetresultaten heeft plaatsgevonden. Uit het geluidstechnische rapport II en de daarin opgenomen tabellen en grafieken kan worden afgeleid dat het langtijdsgemiddelde geluidsniveau in de avond- en nachtperiodes continue hoger liggen dan de maximale toegestane waarden (45 dB in de avond en 40 dB in de nacht) en dat ook overdag overschrijdingen plaatsvinden. Ook de gemeten maximale geluidsniveaus zijn over de hele dag consistent boven de maximale toegestane 70 dB. Het sterke tonale en impulsieve karakter van het geluid maakt duidelijk dat het gaat om het stemgeluid van hanen. De opdrachtnemer heeft hieraan de conclusie verbonden dat de geconstateerde geluidsniveaus duiden op serieuze overlast en moeten worden aangemerkt als een ernstige inbreuk op de levenssfeer van omwonenden. 7.2. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster naar voren heeft gebracht geen reden om aan de juistheid van de bevindingen van het geluidstechnische rapport II te twijfelen. Haar standpunt dat sprake moet zijn van een hoger stoorgeluid dan is gemeten heeft zij niet met objectieve gegevens onderbouwd. Dat het geluidstechnische rapport II melding maakt van tien hanen in plaats van vier hanen is weliswaar onjuist, maar geldt als een kennelijke verschrijving die niet afdoet aan de constatering dat gedurende de onderzoeksperiode op alle dagdelen sprake is geweest van serieuze overschrijdingen van het toegestane geluidsniveau. Ditzelfde geldt overigens voor het gegeven dat verweerder in het bestreden besluit II de hanen van verzoekster als pauwen heeft aangeduid. Verweerder mocht het geluidstechnische rapport II dan ook als grondslag gebruiken voor de vaststelling dat sprake is van een overtreding. Belangenafweging 8. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Deze geldt ook voor de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Hierbij toetst de bestuursrechter aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. 8.1. Hoewel de voorzieningenrechter beseft dat de overgebleven drie hanen een sterke emotionele waarde hebben voor verzoekster en zich gelet daarop kan voorstellen dat het afstand doen hiervan een grote impact op haar zal hebben, vindt hij dit niet opwegen tegen de geluidshinder die de nabije omgeving hiervan al geruime tijd ondervindt. De door verzoekster in het verleden getroffen maatregelen die als doel hadden de geluidshinder voor de omwonenden te beperken, hebben het niveau van de geluidshinder niet naar een aanvaardbaar niveau kunnen brengen. De conclusies in het geluidstechnische rapport II zijn duidelijk op dit punt. De verklaringen van de derde-belanghebbenden die zich in de stukken bevinden, maar ook die zij tijdens de zitting hebben afgelegd, laten onmiskenbaar zien dat de bestaande situatie een zware druk op hen legt. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het opleggen van deze last onder dwangsom in dit geval het aangewezen besluit is.