Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-11-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:26824
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
11,014 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2025:26824 text/xml public 2026-03-06T12:40:44 2026-01-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-11-25 09/356454-24, 09/301343-24 (ttz. gev.), 09/301986-23 (ttz. gev.), 96/106624-24 (ttz. gev.) en 96/121276-20 (tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:26824 text/html public 2026-01-20T12:43:00 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:26824 Rechtbank Den Haag , 25-11-2025 / 09/356454-24, 09/301343-24 (ttz. gev.), 09/301986-23 (ttz. gev.), 96/106624-24 (ttz. gev.) en 96/121276-20 (tul) Veroordeling voor artikel 5a WvW 1994, meerdere malen belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, handelen in strijd met artikel 3C Opiumwet, beschadiging en geen medewerking verlenen aan een bloedonderzoek. Het is niet aannemelijk geworden dat een ander dan de verdachte het voertuig heeft bestuurd. Verdachte heeft de verkeersregels opzettelijk in ernstige mate geschonden waardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. Gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek van het voorarrest waarvan 101 dagen voorwaardelijk en een oplegging van de ontzegging van de rijbevoegdheid voor één jaar. Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/356454-24, 09/301343-24 (ttz. gev.), 09/301986-23 (ttz. gev.), 96/106624-24 (ttz. gev.) en 96/121276-20 (tul) Datum uitspraak: 25 november 2025 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres 1] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 9 mei 2025 (regie) en 11 november 2025 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Polderman en van hetgeen door de raadsvrouw mr. S. Schilder naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/356454-24 (hierna: dagvaarding I), 09/301343-24 (hierna: dagvaarding II), 09/301986-23 (hierna: dagvaarding III) en 96/106624-24 (hierna: dagvaarding IV). De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage (zie bijlage I ) aan dit vonnis gehecht. 3 De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van de bij dagvaarding I onder 1 en de bij dagvaarding III ten laste gelegde feiten. Voor het tenlastegelegde onder dagvaarding II heeft de raadsvrouw namens de verdachte partiële vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de, bij dagvaarding I onder 2, 3 en 4 en bij dagvaarding IV ten laste gelegde feiten, heeft de raadsvrouw zich namens de verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.3. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Dagvaarding I Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024361895, met bijlagen van de politie eenheid Den Haag (doorgenummerd pagina 1 t/m 110) en het aanvullend proces-verbaal PL1500-2024361774 (doorgenummerd 1 t/m 10). Ten aanzien van feit 1: 1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 8 november 2024, voor zover inhoudende (p. 10-12): Op 7 november 2024 omstreeks 20.00 uur waren wij belast met de surveillance. Diezelfde dag omstreeks 20.05 uur reden wij over de Nieuwe Gouwe O.Z. in Gouda in de richting van het Bolwerk in Gouda. In tegenovergestelde richting zagen wij een voertuig passeren wat een Audi RS3 bleek te zijn. Wij zagen dat het voertuig voorzien was van een Duits kenteken [kenteken] . Omdat wij het voertuig wilden controleren besloot ik, verbalisant [verbalisant 2] , het dienstvoertuig te keren. Op het moment dat ik het dienstvoertuig keerde zag ik, verbalisant [verbalisant 2] , dat het Duitse voertuig de doorgetrokken streep op de Nieuwe Gouwe O.Z. negeerde en tegengesteld begon te rijden. Ik zag dat het vervolgens meerdere voertuigen inhaalde. Tevens zag ik dat de snelheid enorm opliep en het voertuig van ons weg reed. Ik probeerde dichterbij het Duitse voertuig te komen. Ik zag op mijn boordsnelheidsmeter dat ik 140 kilometer per uur reed. Ik zag dat het Duitse voertuig alleen maar op ons uit liep. Het Duitse voertuig reed dus harder dan 140 kilometer per uur. Ten tijde van de start van de achtervolging was het erg druk op de Nieuwe Gouwe O.Z. Tevens was het donker buiten en de straatverlichting brandde. Ook was het lichtelijk mistig. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag dat het Duitse voertuig het kruispunt met de Burgemeester Jamessingel naderde. Ik zag dat het voertuig even kort remde bij het kruispunt en vervolgens het rode verkeerslicht negeerde en het kruispunt overvloog. Ik zag in een split second dat een fietser af moest stappen van zijn fiets om een aanrijding te voorkomen. Wij zagen dat het Duitse voertuig tussen het overige verkeer laveerde om vervolgens bij het kruispunt met de Burgemeester van Reenensingel opnieuw het rode verkeerslicht te negeren en rechtsaf te slaan de Burgemeester van Reenensingel op. Wij zagen dat er een stroom van auto's reed vanaf de Goudse Poort in de richting van de Burgemeester van Reenensingel. Wij zagen dat meerdere auto's abrupt tot stilstand kwamen omdat de Duitse auto het rode verkeerslicht negeerde en vervolgens rechts afsloeg de Burgemeester van Reenensingel op. Wij zagen dat er meerdere auto's door het levensgevaarlijke rijgedrag uit moesten wijken voor de Duitse auto. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , probeerde gelijk te blijven met de Duitse auto. Ik zag op mijn boordsnelheidsmeter dat ik 90 kilometer per uur reed op een kruispunt waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur was toegestaan. Ik zag dat de Duitse auto over de Burgemeester van Reenensingel reed in de richting van de Antwerpseweg. Ik reed op de Burgemeester van Reenensingel 110 kilometer per uur op de boordsnelheidsmeter en ik zag dat de Duitse auto op mij uitliep. Ik zag dat de Duitse auto veel sneller accelereerde dan mijn dienstvoertuig. Hierop liep de Duitse auto op de rechte stukken op ons uit. Ik zag dat het Duitse voertuig weg reed in de richting de Burgemeester van Reenensingel. Ik zag dat het Duitse voertuig een kruispunt overstak in de richting van de Nieuwe Gouwe O.Z. Ik zag dat het voertuig met een snelheid van ongeveer 60 kilometer per uur het kruispunt op reed. Dit kruispunt was niet overzichtelijk. Dit kruispunt betrof een voorrangsregeling, waarbij het Duitse voertuig haaientanden op de weg had staan. Ook bij dit kruispunt zag ik dat meerdere voertuigen abrupt moesten stoppen om een aanrijding te voorkomen met het Duitse voertuig. Wij zagen dat het Duitse voertuig de rijstrook voor rechtdoor gebruikte om uiteindelijk rechtsaf te slaan. Wij zagen dat hij hierbij meerdere stilstaande voertuigen inhaalde, welke aan het wachten waren voor het rode verkeerslicht op de rechter rijstrook. Wij zagen dat het voertuig opnieuw het rode verkeerslicht negeerde en rechts afsloeg de Nieuwe Gouwe O.Z. op in de richting van de Goudse Poort. Wij zagen dat het Duitse voertuig heel dicht op dit andere voertuig ging rijden, waardoor hij dit voertuig eigenlijk aan de kant drukte.
Volledig
Toen het voertuig aan de kant was gedrukt zagen wij dat het Duitse voertuig weer enorm snel accelereerde en het kruispunt met de Burgmeester van Reenensingel over reed. Wij zagen dat de verkeerslichten opnieuw rood licht uitstraalde. Wij zagen dat het Duitse voertuig met onverminderde snelheid het kruispunt over reed en de Goudse Poort op reed. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag op mijn boordsnelheidsmeter dat het kruispunt met ongeveer 80 kilometer per uur werd gepasseerd. De snelheid tussen het dienstvoertuig en het Duitse voertuig bleef ongeveer gelijk. Op de Goudse Poort zag ik, verbalisant [verbalisant 2] , dat het voertuig nog harder ging rijden. Op mijn boordsnelheidsmeter reed ik 122 kilometer per uur. Op de Goudse poort betreft het een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Ik zag dat het Duitse voertuig uitliep op ons dienstvoertuig en dat de Duitse auto dus harder reed dan wat ik reed. Vervolgens zagen wij dat het voertuig de Autosnelweg 12 op reed in de richting van Utrecht. Eenmaal op de snelweg zag ik, verbalisant [verbalisant 2] , dat het voertuig snel bij ons weg reed. Ik zag op mijn boordsnelheidsmeter dat ik 215 kilometer per uur reed. Ik zag dat het voertuig onwijs snel uitliep bij ons, waardoor we het voertuig kwijt raakten ter hoogte van pompstation de Andel. Ongeveer 5 minuten later kwamen wij aan op de parkeerplaats bij de McDonalds in Bodegraven. Wij, verbalisanten, herkenden direct het voertuig als het voertuig waar we zojuist de achtervolging mee hadden gehad. Tevens zagen wij dat dit voertuig hetzelfde kenteken had als waar we zojuist achteraan hadden gereden. 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam 1] op 8 november 2024, voor zover inhoudende (p. 67-68): Om vast te stellen wie de bestuurder was van de Audi voorzien van het kenteken [kenteken] , bekeek ik de beelden van restaurantketen McDonalds aan [adres 2] . Ik zag dat links bovenin beeld de datum en tijd stond: 07-11-2024 20:12:18. Ik zag dat er een persoon in het voertuig zat. Ik zag dat de persoon uitstapte aan de bestuurderszijde. Ik zag na 04 minuten en 51 seconden dat er dezelfde man met een pet, lichtblauwe jas een zwarte broek en zwarte sportschoenen met groene accenten door de schuifdeuren de hal binnen liep. Ik herkende hem als de verdachte [verdachte] . Ik herkende hem aan zijn kleding en aan zijn snor en sik. 3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 8 november 2024, voor zover inhoudende (p. 60): A: Ik zei chef, ik heb mijn rijbewijs niet eens. Ten aanzien van feit 2: 1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam 2] op 8 november 2024, voor zover inhoudende (p. 55): Op 8 november 2024 uur ben ik in de hoedanigheid van hulpofficier van Justitie naar verdachte [verdachte] gegaan welke op 7 november 2024 was aangehouden ter zake artikel 5A Wegenverkeerswet. Ik hoorde hem tegen mij schreeuwen, je kankermoeder, kanker op! Ik zag dat hij weer wilde zitten of liggen op zijn matras en schreeuwde ontzettend hard dat ik op moest kankeren. Vervolgens heeft de verdachte mij nog zeker tien keer beledigd en uitgescholden met kanker en kankerlijer en aangegeven dat hij met mij wilde vechten. Ik voelde mij in mijn goede naam en eer aangetast door zijn beledigingen naar mij toe. De verdachte schreeuwde zo hard dat dit geluid over de gehele arrestantenafdeling droeg en er meerdere verdachten in andere cellen dit gehoord moeten hebben. Ten aanzien van feit 3: 1. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 8 november 2024, voor zover inhoudende (p. 98-99): Plaats delict: Gouda (luchtplaats arrestantencomplex) Pleegdatum: 8 november 2024 Namens mijn werkgever, de politie, doe ik aangifte van vernieling. Op 8 november 2024 uur was ik werkzaam als assistent beveiliger. Verdachte [verdachte] werd door mijn collega [naam 3] naar de luchtplaats gebracht. Dit was luchtplaats 2. Ik zat in het kantoor waar alles bediend kan worden en alles gemonitord kan worden. Ik zag op de camerabeelden dat de bank, welke in de linkerhoek van de luchtplaats aan de muur is bevestigd in goede staat was. Ik zag dat verdachte [verdachte] naar de bank liep. Ik zag dat hij bij de kopse kant stond en tegen de meest rechter plank schopte. Ik zag dat hij die plank los schopte. 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 november 2024, voor zover inhoudende (p. 80), inclusief de fotobijlage, foto’s 1, 2 en 3 (p. 82-84): Ik zag dat verdachte [verdachte] alleen binnen in deze ruimte was. Ik zag dat hij werd teruggebracht naar zijn cel. Ik liep de luchtplaats op en maakte foto's van alle schade. Ik zag dat een balk van de bank in zijn geheel los was. Ten aanzien van feit 4: 1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 november 2024, voor zover inhoudende (p. 110): Ik, verbalisant [verbalisant 3] , verklaar het volgende. Op 9 november 2024 was ik in uniform gekleed werkzaam op cellencomplex Gouda als arrestantenverzorger. Bij ons verbleef [verdachte] . Ik zag dat verdachte [verdachte] mij aankeek terwijl hij voorbij liep. Ik zag dat verdachte [verdachte] stopte met lopen en daarna een spugende beweging naar mij toe maakte. Ik zag meerdere witte klodders richting mijn hoofd vliegen. Ik voelde aan de rechter kant van mijn hoofd nattigheid. Dagvaarding II Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024193591, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 43). 1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam 4] en [verbalisant 4] op 19 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 5): Op 19 juni 2024 waren wij in het politiebureau Gouda. Omstreeks 07.30 uur kreeg ik informatie dat er in de woning [adres 3] , meerdere personen aanwezig zouden zijn en er zou tevens lachgas gebruikt worden. Op de bank in de woonkamer zag ik, [verbalisant 4] , twee personen zitten. Ik zag dat beiden een zwart gekleurde ballon in hun hand vasthielden. Ik zag dat er voor hen op de grond, meerdere lachgascilinders stonden. Ik zag dat zij lachgas gebruikten. Ik zag dat er in totaal zes lachgascilinders stonden. Ik zag dat hij mij een identiteitskaart overhandigde en zich ook identificeerde als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] . 2. Het proces-verbaal van binnentreden in woning [adres 3] (p. 41): Ik, verbalisant [verbalisant 4] , verklaar het volgende: Op woensdag 19 juni 2024 om 07:40 uur, trad ik binnen in de woning [adres 3] . 3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , opgemaakt op 19 juni 2024, voor zover inhoudende (p. 31): Ik zat lachgas te doen. Dagvaarding III Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2023168005, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 18). 1. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 3 juni 2023, in zijn geheel (p. 5-6); 2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 juni 2023, in zijn geheel (p. 9). Dagvaarding IV Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2100-2023192269, van de politie eenheid Oost-Brabant, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 18). 1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 augustus 2023, in zijn geheel (p. 6-8). 3.4.
Volledig
Bewijsoverwegingen Dagvaarding I: ten aanzien van feit 1: De rechtbank zal eerst ingaan op het standpunt van de verdediging dat het niet de verdachte is geweest die het voertuig bestuurd heeft. Daarna zal de rechtbank de vraag beantwoorden of de vastgestelde gedragingen tot een overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 leiden. Identiteit bestuurder De rechtbank is van oordeel dat door de verdediging geopperde mogelijkheid, dat een ander dan de verdachte het voertuig bestuurd heeft, niet aannemelijk is geworden. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat de verdachte zelf geen duidelijke verklaring heeft afgelegd over de toedracht. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat de politie het voertuig wat langer uit het zicht heeft verloren, namelijk tot het moment dat de politie op de parkeerplaats van de McDonald’s kwam, maar zij heeft verder niet toegelicht waar en wanneer dan – in dat scenario – haar cliënt achter het stuur heeft plaatsgenomen. Vaststaat dat het voertuig die avond rond 20:05 uur in het zicht kwam van de verbalisanten en dat de verbalisanten het voertuig vanaf dat moment enige tijd in het zicht hebben gehouden (en daarbij hebben geconstateerd dat een hele reeks verkeersovertredingen werd gepleegd). Op de camerabeelden van de parkeerplaats van McDonald’s te Gouda is te zien dat dit voertuig, met daarin de verdachte - als zodanig door de verbalisanten herkend – zeer korte tijd daarna, namelijk om 20:12 uur, op de parkeerplaats als enige inzittende (aan de bestuurderszijde) uit het voertuig stapt. Dat de politieagenten, die de overtredingen hebben geconstateerd, enige minuten later pas zelf op de parkeerplaats van de McDonald’s aankwamen, maakt die vaststelling niet anders. De mogelijkheid dat het voertuig in deze korte tussentijd is gestopt voor een bestuurderswissel is door de politie onderzocht, onder meer aan de hand van door de eigenaar van de auto verstrekte GPS-beelden (aanvullend proces-verbaal p. 5-6, pv nummer PL1500-2024361774-18). Daarbij is tot uitgangspunt genomen dat een voertuig, om een bestuurderswisseling uit te voeren tenminste korte tijd tot stilstand moet worden gebracht. De duur van dat stopmoment zou tussen de 8 en 14 seconden liggen. Uit de GPS-beelden volgt evenwel niet dat er stopmoment is geweest, hetgeen de mogelijkheid van een bestuurderswissel naar het oordeel van de rechtbank hoogst onaannemelijk maakt. Artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de bestuurder van het voertuig was, is de tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden of de verdachte met de hiervoor vastgestelde verkeersgedragingen (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. De verdachte heeft (a) meerdere verkeersregels overtreden die in artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 zijn opgenomen. Om vast te stellen dat hij dat in ernstige mate (b) heeft gedaan, moet worden gekeken naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw genomen moeten worden. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de verdachte voor een langere periode, terwijl het buiten donker en licht mistig was, meerdere verkeersregels meermalen heeft overtreden. Dat maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een schending van de verkeersregels in ernstige mate. Het opzet van de verdachte (c) moet zowel gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat het meermalen in aanzienlijke mate overschrijden van de maximum snelheid, meermalen gevaarlijk inhalen, meermalen de verkeerstekens en -markeringen negeren, meermalen zeer dicht achter andere voertuigen rijden en van de weg drukken, meermalen een rood licht negeren en tegen de richting in rijden, niet anders dan opzettelijk kan worden gedaan. Deze gedragingen kunnen bovendien naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte daarmee de verkeersregels opzettelijk heeft geschonden. Dat er in deze situatie gevaar te duchten was voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen (d), is evident en blijkt ook uit het proces-verbaal waarin wordt beschreven dat verschillende automobilisten op meerdere momenten moesten uitwijken en dat een fietser af moest stappen om een ongeluk te voorkomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van de verdachte als een overtreding van artikel 5a Wegenverkeerswet 1994 is aan te merken. Dagvaarding II: De rechtbank heeft geconstateerd dat in de tenlastelegging als pleegplaats is opgenomen “Den Haag”, terwijl is gebleken dat de pleegplaats is gelegen in Gouda. De rechtbank gaat er vanuit dat de opsteller van de tenlastelegging Gouda heeft bedoeld. Dat het in Gouda was blijkt ook ondubbelzinnig uit het dossier en ook terechtzitting is niet anders gebleken. Nu alle partijen ter terechtzitting hier kennelijk vanuit zijn uitgegaan, ziet de rechtbank aanleiding de tenlastelegging op dit punt verbeterd te lezen. Uit het proces-verbaal blijkt dat er in de woning waar de verdachte was, voor hem op de grond, in totaal 6 cilinders in het zicht stonden. De politie ziet dat hij een zwart ballonnetje in zijn hand heeft en de verdachte zat ook naar eigen zeggen ‘lachgas te doen’. Dat de verdachte, naar hij zegt, maar één cilinder had meegenomen, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat hij in die woning op dat moment ook over de overige cilinders de beschikkingsmacht heeft gehad. Het feit kan dus worden bewezen. Dagvaarding III: Anders dan de verdediging, acht de rechtbank bewezen dat het de verdachte is geweest die de beledigende uitlatingen telefonisch heeft gedaan. Immers heeft de verbalisant genoteerd dat de beller zich voorstelde als [verdachte] , en dat hij belde over zijn in beslag genomen kleding, terwijl van de verdachte inderdaad kleding in beslag was genomen. Het feit kan dus wettig en overtuigend worden bewezen. 3.5. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de onder dagvaardingen I, II, III en IV ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
Volledig
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: Ten aanzien van dagvaarding I: Ten aanzien van feit 1: hij op 7 november 2024 te Gouda op de Nieuwe Gouwe Oostzijde en de Burgemeester Jamessingel en de Burgemeester van Reenensingel, als bestuurder van een voertuig (Audi RS3, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de voornoemde wegen en de A12, zich meermalen opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door: - het meermalen in grove mate overschrijden van de maximum snelheid en - het meermalen gevaarlijk inhalen en - het meermalen verkeerstekens en/of verkeersmarkeringen (waaronder een doorgetrokken streep) negeren en - het meermalen zeer dicht achter een ander voertuig/andere voertuigen rijden en/of dit/deze voertuig(en) van de weg drukken en - het meermalen negeren van een rood uitstralend verkeerslicht en - het tegen de richting in rijden, telkens terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, door welke verkeersgedragingen van verdachte meermalen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was; Ten aanzien van feit 2: hij op 8 november 2024 te Gouda, opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 2] (hulpofficier van justitie), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door die [naam 2] meermalen de woorden toe te voegen: "je kankermoeder" en/of "kankerlijer"; Ten aanzien van feit 3: hij op 8 november 2024 te Gouda opzettelijk en wederrechtelijk een bankje op de luchtplaats, dat geheel of ten dele aan de Politie toebehoorde heeft vernield; Ten aanzien van feit 4: hij op 9 november 2024 te Gouda opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 3] (arrestantenverzorger), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, door een feitelijkheid , heeft beledigd, door hem in zijn gezicht te spugen; Ten aanzien van dagvaarding II: hij op 19 juni 2024 te Gouda opzettelijk aanwezig heeft gehad 6 Cilinders distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; Ten aanzien van dagvaarding III: hij op 31 mei 2023 te Gouda opzettelijk een ambtenaar, te weten die [naam 5] (agent bij de Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: 'kanker politie' en opzettelijk die [naam 5] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid schriftelijk (per sms) heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: 'kk zwerver neem dan op' en 'neem op dan kk junkie je kk moeder' en 'is goed je moeder komt goed kk hoerenkind'; Ten aanzien van dagvaarding IV: hij op 31 augustus 2023 te ’s-Hertogenbosch als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6. De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 maanden. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen met eventueel een voorwaardelijk strafdeel. Daarnaast heeft de verdediging de rechtbank verzocht om geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeven strafbare feiten. Ten eerste heeft hij de verkeersregels in ernstige mate geschonden, door meermalen in aanzienlijke mate de maximum snelheid te overschrijden, meermalen gevaarlijk in te halen, meermalen de verkeerstekens en -markeringen te negeren, meermalen zeer dicht achter andere voertuigen te rijden en van de weg te drukken, meermalen een rood licht te negeren en tegen de richting in te rijden terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. Door deze gedragingen was meermaals levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten. De verdachte mag van geluk spreken dat er met een dusdanige schending van de verkeersregels geen slachtoffers gevallen zijn. Ondanks dat het goed is afgelopen, hebben dergelijke ernstige schendingen van verkeersveiligheid een negatief effect op het veiligheidsgevoel van anderen in het verkeer en de maatschappij in bredere zin. Ook heeft de verdachte zich drie keer schuldig gemaakt aan belediging van een ambtenaar in functie. Het gedrag van de verdachte doet afbreuk aan het gezag van de politie en is bovendien uiterst hinderlijk. De rechtbank tilt specifiek zwaar aan de belediging waarbij de verdachte op een ambtenaar heeft gespuugd. De verdachte heeft hiermee nog eens extra blijk gegeven van een gebrek aan respect. Het spugen is bovendien vies en vernederend voor het slachtoffer. Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling door op de luchtplaats een bankje te beschadigen. Door dit feit te plegen, heeft de verdachte geen respect getoond voor het eigendomsrecht van anderen. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een overtreding van de Opiumwet door zes cilinders lachgas aanwezig te hebben. Het gebruik van lachgas is verslavend en brengt gezondheidsrisico’s met zich mee. Bovendien gaat het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende andere vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding hiervan. Tot slot heeft de verdachte geen medewerking verleend aan het ondergaan van een bloedonderzoek. Door zijn weigering heeft verdachte verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld in welke mate sprake is geweest van middelengebruik en in welke mate hij de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht. Met zijn handelen heeft de verdachte in algemene zin geen oog gehad voor de veiligheid en het welzijn van anderen. De rechtbank neemt de verdachte dit kwalijk. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 november 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte een uitgebreide justitiële documentatie heeft met diverse vergelijkbare weliswaar niet-onherroepelijke misdrijven. De verdachte is voorts, langer geleden, ook al drie keer veroordeeld voor het beledigen van een ambtenaar in functie en twee keer voor vernieling. Daarnaast blijkt uit het strafblad dat de verdachte meermaals is veroordeeld voor het overtreden van de Wegenverkeerswet.
Volledig
Door eerdere veroordelingen na het begaan van de bewezenverklaarde feiten zal de rechtbank in de strafoplegging rekening houden met artikel 63 Sr. De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 18 november 2024 en 23 april 2025, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op het gebied van dagbesteding, financiën en psychosociaal functioneren, en van een hoog recidiverisico. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder reclasseringsbemoeienis op te leggen. Gelet op het mislukken van het schorsingstoezicht en de ongemotiveerde en defensieve houding van de verdachte jegens de reclassering, ziet de reclassering geen aanknopingspunten om de inzet van begeleiding en interventies te laten slagen. Op te leggen straf Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van de duur van 180 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 101 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Daarnaast zal de rechtbank in het belang van de verkeersveiligheid aan de verdachte opleggen een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar. Voorlopige hechtenis De rechtbank heeft met de opgelegde straf beoogd het onvoorwaardelijke deel van de straf gelijk te stellen aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis. 7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met toewijzing van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw refereert ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij aan het oordeel van de rechtbank. 7.3 Het oordeel van de rechtbank [verbalisant 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 369,00, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 4 op dagvaarding I bewezenverklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 369,00. De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 369,00, bestaande uit immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 november 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. De verdachte zal voor het onder 4 van dagvaarding I bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 369,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [verbalisant 3] . 8 De vordering tot tenuitvoerlegging 8.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij vordering van 3 februari 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 96/121276-20 door de kantonrechter van de rechtbank Den Haag op 31 oktober 2022 voorwaardelijke opgelegde straf van geldboete van € 360,00, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden. De officier van justitie concludeert ter terechtzitting tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. 8.2. Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank wijst de vordering tenuitvoerlegging af. 9 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen: - 14 a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 266, 267 en 350 van het Wetboek van Strafrecht; - 5 a, 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994; - 3 en 11 van de Opiumwet. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Volledig
10 De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder dagvaardingen I, II, III en IV ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: dagvaarding I; ten aanzien van feit 1: overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994; ten aanzien van feit 2: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; ten aanzien van feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen; ten aanzien van feit 4: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; dagvaarding II; opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; dagvaarding III; eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; dagvaarding IV; overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 180 (HONDERDTACHTIG) DAGEN ; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 101 (HONDERDÉÉN) DAGEN , niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; veroordeelt de verdachte ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 tot: een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 (ÉÉN) JAAR ; vordering benadeelde partij wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 369,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [verbalisant 3] ; veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden; schadevergoedingsmaatregel legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 369,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 november 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald , ten behoeve van [verbalisant 3] ; bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen; de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf; wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf bij vonnis van de kantonrechter in deze rechtbank d.d. 31 oktober 2022, gewezen onder parketnummer 96/121276-20. Dit vonnis is gewezen door mr. G. Kuijper, voorzitter, mr. M. Rootring, rechter, mr. L. Anemaet, rechter, in tegenwoordigheid van mrs. D.A. Goldstoff en V.J.J. van Mierlo, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 november 2025. Bijlage I Tekst tenlastelegging Dagvaarding I 1 op of omstreeks 7 november 2024 te Gouda en/of Bodegraven en/of Utrecht, althans in Nederland, op de Nieuwe Gouwe Oostzijde en/of de Burgemeester Jamessingel en/of de Burgemeester van Reenensingel, als bestuurder van een voertuig (Audi RS3, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de voornoemde weg(en) en/of de A12, zich (meermalen) opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door: - het (meermalen) in grove mate overschrijden van de maximum snelheid en/of - het (meermalen) gevaarlijk inhalen en/of - het (meermalen) verkeerstekens en/of verkeersmarkeringen (waaronder een doorgetrokken streep) negeren en/of - het (meermalen) zeer dicht achter een ander voertuig/andere voertuigen rijden en/of dit/deze voertuig(en) van de weg drukken en/of - het (meermalen) negeren van een rood uitstralend verkeerslicht en/of - het (meermalen) tegen de richting in rijden, (telkens) terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, door welke verkeersgedragingen van verdachte (meermalen) levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was; 2 hij op of omstreeks 8 november 2024 te Gouda, althans in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 2] (hulp officier van justitie), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door die [naam 2] (meermalen) de woorden toe te voegen: "je kankermoeder" en/of "kankerlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; 3 hij op of omstreeks 8 november 2024 te Gouda opzettelijk en wederrechtelijk (een houten lat/plank van) een arrestantenbankje op de luchtplaats, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Politie Eenheid Den Haag, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; 4 hij op of omstreeks 9 november 2024 te Gouda opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 3] (arrestantenverzorger), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door hem in het/zijn gezicht te spugen; Dagvaarding II Hij op of omstreeks 19 juni 2024 te Den Haag opzettelijk aanwezig heeft gehad 6 Cilinders, althans één of meer hoeveelheden, distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II; Dagvaarding III hij op of omstreeks 31 mei 2023 te Gouda opzettelijk een ambtenaar, te weten die [naam 5] (hoofdagent bij de Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: 'kanker politie', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of opzettelijk die [naam 5] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid schriftelijk (per sms) heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: 'kk zwerver neem dan op' en/of 'neem op dan kk junkie je kk moeder' en/of 'isgoed je moeder komt goed kk hoerenkind', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; Dagvaarding IV hij op of omstreeks 31 augustus 2023 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.