Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-12-22
ECLI:NL:RBDHA:2025:26819
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/1119 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser en de staatssecretaris van Defensie, verweerder (gemachtigde: mr. I. Simon). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om vergoeding van de kosten voor nieuwe gehoorapparaten. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is tussen 1971 en 2008 in dienst geweest bij de Koninklijke Landmacht. Hij is meerdere keren naar conflictgebieden uitgezonden. Tegen het eind van zijn militaire loopbaan ondervond eiser toenemende gehoorklachten. Er is in 2006 een dienstverband vastgesteld voor opgelopen gehoorschade. 3. Als gevolg van de gehoorschade heeft eiser voor beide oren een gehoorapparaat nodig. Dergelijke apparaten zijn na vijf jaar aan vervanging toe. 3.1 In 2013 heeft verweerder aan eiser een vergoeding verstrekt voor de aanschafkosten voor twee inwendige gehoorapparaten. Dit gebeurde zonder tussenkomst van een zorgverzekeraar. 3.2 Voor de aanschaf van twee vervangende inwendige gehoorapparaten, van het type Phonak Virto B90, zijn in 2019 de kosten opnieuw door verweerder vergoed. 4. Eiser heeft op 10 oktober 2024 bij Schoonenberg Hoorsupport een offerte opgevraagd voor twee nieuwe inwendige gehoorapparaten, type Phonak Virto I90. 5. Vervolgens heeft eiser op 25 oktober 2024 bij verweerder een aanvraag ingediend om vergoeding van de kosten voor de nieuwe gehoorapparaten. De aanvraag is afgewezen, omdat inwendige hoortoestellen niet vallen onder een categorie die door zijn verzekeraar word gedekt. Verweerder heeft daartoe verwezen naar een gedragslijn, waaruit zou volgen dat de kosten voor dergelijke toestellen na 2016 nog slechts één keer worden vergoed. Wat voert eiser aan in beroep? 6. Eiser betoogt dat het bestreden besluit strijdig is met het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), de Regeling ziektekostenverzekering militairen (de Regeling) en de Voorzieningenregeling voor militaire oorlogs- en dienstslachtoffers (de Voorzieningenregeling). Daarnaast is het besluit niet goed gemotiveerd en handelt verweerder op basis van willekeur. Er is namelijk geen grond om het recht op een invaliditeitsvoorziening in te perken zoals verweerder heeft gedaan. Dat de verzekeraar de hoortoestellen niet dekt, is daarvoor geen geldige reden. Verweerder wijkt daarbij af van de manier waarop hij in 2013 en 2019 over hoortoestellen van hetzelfde type heeft beslist. Het beleid waar verweerder zich op baseert is niet kenbaar gemaakt; uit niets blijkt dat dergelijk beleid van kracht is. Ook beroept verweerder zich op bepalingen die niet van toepassing zijn; artikel 18 lid 1 van de Verzekeringsvoorwaarden ziektekostenverzekering Krijgsmacht 2024 en artikel 3 van de Regeling gelden namelijk alleen voor leden in actieve militaire dienst. 7. Daarnaast stelt eiser dat de afwijzing onevenredig is. Verweerder dwingt eiser tot het doorlopen van een onnodig bureaucratisch proces. Feitelijk wentelt verweerder de vergoeding af op een private verzekeraar. Dat is ontoelaatbaar. Eiser heeft gehoorschade geleden waarvoor de Staat aansprakelijk is. Het is duidelijk wat eiser nodig heeft. Zijn gehoorschade wordt niet beter, maar erger. Eerder zijn deze toestellen bovendien wel vergoed. 8. Bovendien voert eiser aan dat hij onzorgvuldig door verweerder is bejegend. Tijdens de hoorzitting is niets gedaan met zijn voorstel om gezamenlijk tot maatwerk te komen. Aan het recht te worden gehoord is daarmee afbreuk Wanneer u dan besluit om andere hoortoestellen aan te schaffen dan door uw zorgverzekeraar worden geïndiceerd, dan dient u er rekening mee te houden dat die mogelijk niet worden vergoed. Dit zal dan worden beoordeeld op basis van de op dat moment geldende regelgeving en het dan geldend beleid . (…)” Met deze overweging is verweerder teruggekomen op zijn eerdere overweging uit een primair besluit van 3 september 2019, die luidde: “(…) Indien deze hoortoestellen over 5 jaar aan vervanging toe zijn dient u zich te houden aan de spelregels van uw zorgverzekeraar. Indien deze niet tot vergoeding overgaat omdat u besluit om hoortoestellen uit een andere dan de geïndiceerde categorie aan te schaffen, dan komt deze aanschaf ook niet via ABP voor vergoeding in aanmerking . (…)”. Het besluit van 25 september 2019 bevat dus een uitdrukkelijke nuancering op de beslissende rol van verzekeraar. Voor eiser was daardoor niet duidelijk dat hij ervan uit moest gaan, dat een aanvraag stellig zou worden afgewezen als de verzekeraar het type hoortoestel niet zou dekken. 11.3 Daar komt bij, dat verweerder ter zitting heeft bevestigd dat inwendige hoortoestellen binnen de categorieën kunnen vallen die de verzekeraar dekt. Hiermee is verweerder kennelijk teruggekomen op de stellige mededeling in het verweerschrift, dat inwendige hoortoestellen niet worden vergoed omdat het inwendig gebruik cosmetisch van aard is. 11.4 In de beoordeling moet verder rekening worden gehouden met het feit, dat eiser de gehoorschade als gevolg van zijn militaire dienst heeft opgelopen. Ook weegt de rechtbank mee, dat de gehoorschade die in 2006 is vastgesteld, na zijn uitzending naar Afghanistan is verergerd als gevolg van het oorlogsgeweld waaraan hij in 2007 en 2008 is blootgesteld; verweerder heeft dit niet betwist. De rechtbank laat ook meewegen dat eiser 37 jaar heeft gediend en naar verschillende oorlogsgebieden is uitgezonden. Sinds 2013 is eiser gewend geraakt aan een hoortoestel van een bepaald type. Dat type past hem goed en het is niet duidelijk of een ander toestel net zo geschikt is. Bovendien kan het lang duren om aan een ander type te wennen, terwijl eiser een veteraan is die sinds geruime tijd is gepensioneerd. Aan deze omstandigheden geeft de rechtbank veel gewicht. 11.5 Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel, dat verweerder niet aan eiser mocht tegenwerpen dat de hoortoestellen niet binnen de aangewezen categorieën van de verzekeraar vallen. Voor zover een dergelijke eis zou volgen uit het aangehaalde beleid, pakt dat kennelijk onredelijk voor eiser uit en is de toepassing daarvan onevenredig en strijdig met artikel 3:4, tweede lid van de Awb. 11.6 Verder is het de rechtbank niet gebleken, dat er enig beletsel bestaat om de aangevraagde vergoeding toe te kennen. De aanschaffingskosten van € 5.174,- staan voldoende vast. Eveneens staat vast dat de verzekeraar de toestellen niet vergoedt, terwijl een vergoeding volgens artikel 4.7.4. van de bijlage van de Regeling niet aan de orde is. Daarom komen de aanschaffingskosten volledig voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 10a, onderdeel b, onder 1, in samenhang met artikel 20, eerste lid van de Voorzieningenregeling. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Daarnaast zal de rechtbank het primaire besluit herroepen, de aanvraag tot vergoeding van de aanschaffingskosten ten bedrage van € 5.174,- toewijzen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. 13. Tot slot moet verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding, omdat niet is gebleken dat die zijn gemaakt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit; - verklaart het bezwaar gegrond; - verklaart dat de aanvraag tot vergoeding ten bedrage van € 5.174,- aan eiser wordt toegewezen; - bepaalt dat deze u