Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-12-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:26810
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.23946 en NL25.23947 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.1. Bij besluit van 28 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en bepaald dat eiser binnen een maand Nederland dient te verlaten. Bij besluit van 14 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard en heeft het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. 2. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van verweerder is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Poolse nationaliteit. Eiser is naar eigen zeggen in 2016 naar Nederland gekomen en is in 2019 teruggekeerd naar Polen. In 2022 is eiser opnieuw naar Nederland gekomen. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat eiser een zwervend bestaan leidt in Nederland en geen arbeid verricht. Eiser is vaak in aanraking gekomen met de politie vanwege overlast in de vorm van ‘overlast zwervers’, overlast door ‘verward/overspannen persoon’, overlast in verband met alcohol/drugs, en ook vanwege het plegen van vermogensdelicten, zoals (winkel)diefstal. Vanwege deze strafrechtelijke antecedenten en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats is eiser op door de politie gehoord. Eiser heeft daarnaast sinds december 2022 geen inkomen uit werk of uitkering gehad en heeft geen eigen middelen van bestaan, volgens verweerder. Ook is niet gebleken dat eiser op zoek is naar werk en daarop een reële kans maakt. 4. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Verweerder heeft daarom aan eiser een verwijderingsmaatregel opgelegd. Daarbij heeft verweerder een belangenafweging gemaakt en het belang van eiser om in Nederland te blijven minder zwaar laten wegen dan het belang van de Nederlandse samenleving bij verwijdering van eiser. Verweerder heeft eiser een vertrektermijn van een maand opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser stelt ten eerste dat hij een reële kans op arbeid heeft. Hij is langdurig actief geweest op de Nederlandse arbeidsmarkt via diverse uitzendbureaus. De aard van het uitzendwerk maakt dat tijdelijke onderbrekingen gebruikelijk zijn. Eiser spant zich actief in om werk te vinden, onder meer via zijn netwerk, en gezien zijn arbeidsverleden is het aannemelijk dat dat binnen afzienbare tijd zal lukken. Ten tweede stelt eiser dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft toegepast, door te vereisen dat om de status van werknemer te behouden, eiser binnen drie maanden nieuw werk moet hebben gevonden. Vereist is dat eiser beschikbaar is en binnen een redelijk tijdsbestek weer kan deelnemen aan de arbeidsmarkt in Nederland en verweerder had dit moeten toetsen. De enkele verwijzing naar de duur van de werkloosheid is onvoldoende. Dat de arbeidsovereenkomst van eiser is afgelopen, maakt daarnaast volgens eiser nog niet dat verweerder kan concluderen dat er geen sprake is van onvrijwillige werkloosheid. Het aflopen van het dienstverband vond plaats buiten de wil van eiser om. Daarbij is inschrijving bij het UWV feitelijk onmogelijk, aangezien eiser niet is ingeschreven in de BRP . De bewijslast om vast te stellen of er sprake is van onvrijwillige werkloosheid ligt bij verweerder. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom e Een Unieburger kan na het einde van zijn werkzaamheden gedurende een bepaalde periode de werknemersstatus behouden indien sprake is van onvrijwillige werkloosheid en als ook aan de overige voorwaarden van artikel 8.12, tweede lid, onder b en c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is voldaan, waaronder dat hij als werkzoekende bij het UWV is ingeschreven. 9.1. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat eiser niet onvrijwillig werkloos is. Dit betekent dat artikel 8.12, eerste lid, onder b en c, van het Vb niet op eiser van toepassing is en eiser dus niet uit dien hoofde rechtmatig verblijf behoudt. Uit de door verweerder opgevraagde stukken van het UWV blijkt namelijk dat het laatste dienstverband van eiser is geëindigd vanwege het verstrijken van de duur van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Daardoor is er geen sprake van onvrijwillige werkloosheid, eiser heeft immers zelf ingestemd met een arbeidsovereenkomst met een einddatum. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs als eiser wel onvrijwillig werkloos zou zijn, hij alsnog niet aan de vooraarden voldoet omdat hij niet staat ingeschreven als werkzoekende bij het UWV. Dat eiser niet bij het UWV staat ingeschreven is niet in geschil en dat eiser stelt zich niet bij het UWV te kunnen inschrijven maakt dit niet anders, nu inschrijving wel is vereist. Voorzien in eigen levensonderhoud 10. Een vreemdeling mag ook langer dan drie maanden in Nederland blijven als hij voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt. 10.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser geen inkomsten uit werk of uitkering ontvangt. Het enkele feit dat eiser geen beroep doet op de openbare middelen, maakt niet dat eiser in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Eiser is daarbij van een te beperkte opvatting van dat begrip uitgegaan. Verweerder heeft terecht bij zijn beoordeling betrokken dat eiser blikken voor statiegeld verzamelt, waarmee hij naar eigen zeggen alcohol koopt en dat eiser gratis eten en drinken krijgt van de opvang. Daarbij heeft verweerder er ook op gewezen dat uit het feit dat eiser overlast veroorzaakt en uit het feit dat hij vermogensdelicten pleegt, blijkt dat hij onvoldoende middelen van bestaan heeft. Dat eiser stelt geen intentie te hebben om overlast te veroorzaken, is in dit verband niet relevant. Daarnaast heeft eiser ook geen ziektekostenverzekering. Vertrektermijn 11. In het bestreden besluit is een vertrektermijn van een maand opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee een afdoende vertrektermijn aan eiser heeft gegeven. Dit is in overeenstemming met artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn . In tegenstelling tot wat eiser stelt, heeft verweerder daarbij in het bestreden besluit wel benoemd dat de vertrektermijn ingaat na de uitreiking van het besluit. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat eiser ook niet heeft geconcretiseerd waarom de vertrektermijn verlengd had moeten worden en waarom hij meer dan een maand nodig heeft om zijn zaken af te ronden en waarom daarvoor zijn aanwezigheid in Nederland is vereist. Belangenafweging 12. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder een belangenafweging moet maken wanneer hij vaststelt dat een vreemdeling geen rechtmatig verblijf geniet in Nederland, omdat aan deze vaststelling een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn is verbonden. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Verweerder heeft een adequate belangenafweging gemaakt. Verweerder heeft namelijk in zijn belangenafweging betrokken dat eiser niet voldoet aan artikel 8.12, eerste lid, van het Vb, dat eiser de Nederlandse taal niet