Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2025:26738
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 24-671 Zaaknummer: C/09/677701 Datum beschikking: 19 december 2025 Vaststelling van staatloosheid Beschikking op het op 18 december 2024 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] , verzoeker, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W.G. Fischer te Assen. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de Staat”), zetelende te Den Haag, vertegenwoordigd door: mr. A. Houben. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift, met bijlagen; - de brief van 23 januari 2025, met bijlagen, van de Staat; - de brief van 19 februari 2025 van de zijde van verzoeker; - de brief van 5 maart 2025 van de Staat. Op 11 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, en [naam] namens de Staat. Verzoek en het advies van de Staat Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker. De Staat adviseert het verzoek af te wijzen. Beoordeling Juridisch kader en ontvankelijkheid Verzoeker verzoekt om zijn staatloosheid vast te stellen. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid – Wvs). Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek. Verzoeker stelt dat hij op [geboortedatum] 1981 in [geboorteland] is geboren. Verzoeker is in 2005 in Nederland aangekomen en het verblijfsrecht van verzoeker is op 22 januari 2018 erkend. In Nederland is in de Basisregistratie personen (Brp) van verzoeker zijn nationaliteit als onbekend genoteerd, omdat er twijfel bestond over de vraag of verzoeker de nationaliteit van Burundi had. Verzoeker heeft via de ambassade van Burundi gevraagd om zijn nationaliteit te erkennen. De ambassade heeft geantwoord dat verzoeker niet de nationaliteit van Burundi heeft. Hiermee staat volgens verzoeker vast dat verzoeker niet door enige staat krachtens diens wetgeving als onderdaan wordt beschouwd en dus kan de staatloosheid worden vastgesteld. De Staat voert verweer en adviseert om het verzoek af te wijzen. Verzoeker heeft in zijn verzoek nagenoeg niets aangegeven en heeft slecht twee stukken ter onderbouwing overgelegd, waaruit verder niets blijkt. De Staat heeft wel alles in het werk gesteld om stukken te overleggen, maar ook daar heeft verzoeker niet inhoudelijk op gereageerd. De rechtbank ziet aanleiding om eerst in te gaan op de vraag welke vormen van bewijs een rol kunnen spelen bij de beoordeling van staatloosheid. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 278 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een verzoekschrift dient te zijn voorzien van een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust. Voorts stelt de rechtbank vast dat in de Memorie van Toelichting (MvT) op de Wvs is opgenomen: “[…] Bewijslastverdeling (onderdeel g) Omdat het vaak moeilijk is voor een gesteld staatloze om te bewijzen dat hij geen nationaliteit Het is daarbij heel wel mogelijk dat een gesteld staatloze zijn verzoekschriftprocedure start met enkel een schriftelijke verklaring waarin hij aangeeft dat hij staatloos is en waarom. Zoals ook opgenomen in het UNHCR Handboek zal de rechter het bewijs wat in de procedure naar voren wordt gebracht door zowel de verzoeker als de IND wegen. Daar waar authentiek schriftelijk bewijs kan worden overlegd, zal dit zwaarder wegen dan de verklaring van de verzoeker. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal de rechter meer gewicht toekennen aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien betrokkene reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen het verloop en de uitkomst van deze procedure eventueel – anders dan door ISI aangenomen – wel degelijk iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Voor de IND is het van belang dat er in de procedure – wil men zijn rol in de procedure naar behoren kunnen vervullen – aanknopingspunten zijn op basis waarvan bijvoorbeeld bepaalde landen kunnen worden benaderd of ander onderzoek naar de gestelde staatloosheid kan worden gedaan. […]” De rechtbank leidt uit de MvT af dat alle vormen van bewijs een rol kunnen spelen bij de beoordeling van staatloosheid. De rechtbank dient te beoordelen of de verzoeker alle informatie heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en al het bewijs heeft overgelegd dat hij mogelijkerwijs kan overleggen. De rechtbank dient die informatie samen met de door de Staat verstrekte informatie te wegen. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de verzoeker reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen ook het verloop en de uitkomst van deze procedure iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Gelet op het voornoemde dient de verzoeker in een procedure tot vaststelling van staatloosheid naar het oordeel van de rechtbank zoveel mogelijk informatie te verstrekken en stukken in het geding te brengen waaruit zijn identiteit en mogelijke nationaliteit blijkt. Van de verzoeker mag worden verwacht dat hij ten minste een relaas geeft van zijn levensloop en de landen waarin hij heeft verbleven. In het verzoekschrift staat enkel dat verzoeker in [geboorteland] is geboren en in 2005 in Nederland is aangekomen. Verzoeker heeft zijn verzoek om vaststelling van staatloosheid verder niet of nauwelijks (met stukken) onderbouwd. Verzoeker heeft geen relaas gegeven van zijn levensloop en de landen waarin hij heeft verbleven. Ook heeft verzoeker geen stukken uit de asielprocedure die hij in Nederland heeft gevolgd, overgelegd. Verzoeker heeft alleen een uittreksel uit de Brp van 5 april 2022 en een verklaring van de ambassade van Burundi in Den Haag van 31 oktober 2024 overgelegd. In deze verklaring staat – voor zover relevant – dat de ambassade een brief van verzoeker heeft ontvangen waarin verzoeker vraagt om vast te stellen dat hij de Burundese nationaliteit heeft, en vervolgens dat verzoeker dat niet heeft kunnen bewijzen. Verzoeker heeft daarbij niet onderbouwd op basis van welke onderliggende stukken of verstrekte informatie de verklaring van de ambassade tot stand is gekomen. De Staat heeft wel stukken betreffende verzoeker overgelegd, maar daarmee is nog steeds geen compleet beeld ontstaan van (de levensloop van) verzoeker. De rechtbank is van oordeel dat het verzoekschrift daarmee niet een duidelijke omschrijving vermeldt van de gronden waarop het verzoek berust, zoals vereist volgens de wet en dat verzoeker niet alle informatie heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en al het bewijs heeft overgelegd dat hij mogelijkerwijs kan overleggen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Beslissing De rechtbank: wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Emmens, A.M. Brakel en C.L. Strop, rechters, bijgestaan door mr. S.G